Archilochus (dichter)

dichter
Een fragment in de Papyrussammlung Köln.

Archilochus (Paros, ca. 680 v.Chr. - ca. 645 v.Chr.) was een Grieks militair en dichter van spotdichten.

Biografische gegevensBewerken

Archilochus (Grieks: Ἀρχίλοχος / Archílochos) werd geboren op het eiland Paros (Cycladen) in de 7e eeuw v.Chr. Hij had een avontuurlijk en hartstochtelijk leven, moest als jongen in ballingschap (ten gevolge van politieke woelingen?) en zwierf als huursoldaat door Griekenland om aan de kost te komen. Volgens een niet bevestigde anekdote zou hij zijn vroegere verloofde (ene Neoboulè) en haar ouders door zijn bijtende spotdichten naar de zelfdoding gedreven hebben. Zelf zou hij als huursoldaat gesneuveld zijn tijdens een oorlog tussen de naburige eilandstaten Paros en Naxos. Na zijn dood werd hij op Paros begraven, en als een held vereerd. Zijn graftombe groeide uit tot een soort cultusplaats.

 
Archilochus op een 5e-eeuws reliëf in het Archilocheion te Paros

Er bestaat op Paros een mooie legende over de omstandigheden waarin Archilochus zijn dichterlijke roeping ontdekte. Op zekere dag werd de jonge Archilochus door zijn vader uitgestuurd naar de stad Paros, om op de markt een koe te verkopen. Onderweg ontmoette hij echter een groepje mooie, jonge vrouwen, en aangetrokken door zoveel vrouwelijk schoon, begon hij een luchtig gesprekje. Toen de vrouwen hem "de hoogste prijs" boden voor zijn koe, ging Archilochus schertsend in op het aanbod. Nauwelijks had hij ingestemd, of de vrouwen en de koe waren nergens meer te zien, maar aan zijn voeten lag een lier. Hij was natuurlijk totaal de kluts kwijt, maar toen hij weer tot zichzelf kwam besefte hij dat de Muzen hem waren verschenen en dat zij hem zijn lier hadden geschonken, het instrument waarmee hij zijn dichterlijk talent zou uitleven.

Literaire werkenBewerken

Archilochus was een der meest gelezen dichters uit de oudheid. Geliefde thema's in zijn gedichten zijn de strijd tegen gevestigde "bourgeois"-waarden en bitse aanvallen op al wie hem te na komt.

één grote kunst bezit ik:
met vlijmend leed vergelden
al wie mij lijden doet...

Zijn taal en stijl zijn aanschouwelijk en helder, met een ruwe openheid, drukt Archilochus zich uit in levende, alledaagse taal (Ionisch), die haast niets ontleent aan het Homerische epos.

Een bij Zenobius aangehaald fragment van Archilochus is opgenomen in de Adagia van Erasmus en werd in de 20e eeuw bekend door Isaiah Berlin:[1]

De vos weet vele dingen, maar de egel één groot.

De betekenis van deze jambische trimeter is uitvoerig geanalyseerd,[2] maar behoudt enig mysterie.

VoetnotenBewerken

  1. Feitelijk wijst Zenobius (5.68) het vers toe aan Homerus en zegt hij dat het door Archilochus is gebruikt. Algemeen wordt aangenomen dat hij met 'Homerus' doelde op het pseudo-homerische Margites, een komisch epos waarvan wordt verondersteld dat het jonger is dan Archilochus, die dus toch de oorspronkelijke auteur van het vers zou zijn.
  2. C. M. Bowra, “The Fox and the Hedgehog”, in: The Classical Quarterly, 1940, nr. 1-2, p. 26-29