Hoofdmenu openen

Abu Aamir Muhammad ibn Abdullah ibn Abi Aamir, al-Hajib al-Mansur

(Doorverwezen vanaf Almanzor)
Standbeeld van Almanzor te Calatañazor
De binnenplaats van Medina Azahara die Kalief Abd al Rahman III liet bouwen en waarin Almanzor de derde Kalief Abd al Hisham II opsloot
Het leger van Almanzor
De veldtochten van Almanzor

Abu Aamir Muhammad ibn Abdullah ibn Abi Aamir, al-Hajib al-Mansur bi-llah (Arabisch: أبو عامر محمد بن عبد الله بن أبي عامر الحاجب المنصور) (Algeciras, 938Medinaceli, 8 augustus 1002) ook bekend als Almanzor (een Spaanse verbastering van al-Mansoer), was de vizier en op zijn hoogtepunt feitelijke heerser over Al-Andalus.

AfkomstBewerken

Volgens de overlevering stamde Almanzor af van de Jemeniet Abd al-Malik al-Maafiri, die in het leger van Tariq ibn Zijad deelgenomen had aan de verovering van Spanje in 711. Hij behoorde tot een familie van rechtsgeleerden en trok naar het hof van Córdoba om er recht en literatuur te studeren.

MachtsstrijdBewerken

Na de dood van kalief al-Hakam II (1 oktober 976) verijdelde hij een plan om een zoon van Abd al-Rahman III (Abu-I-Mutarrif al-Muguira) tot kalief uit te roepen door op 8 oktober Hisham II, de 11 jarige zoon van al-Hakam II, als kalief naar voren te schuiven onder regentschap van zijn moeder Subh, wier minnaar hij werd.[1][2] Twee jaar later werd Almanzor hajib. Niets stond zijn alleenheerschappij nog in de weg. Hij kreeg de theologen en rechtsgeleerden van Córdoba op zijn hand toen hij bevel gaf de profane boeken uit de rijke bibliotheek van al-Hakam II te verbranden. Hij wist tevens de macht van de Arabische aristocratie te beknotten en de jonge kalief Hisham II in zijn paleis op te sluiten en van de buitenwereld af te zonderen, onder het voorwendsel hem een vrome en verheven opvoeding te geven. Vanaf 979 begon hij met de bouw van zijn eigen paleis en nieuwe administratieve centrum Medina Alzahira waar hij zich in 981 vestigde. Dit nieuwe centrum moest gaan dienen als tegenhanger, c.q. concurrent, van Medina Azahara[3] waar hij de jonge kalief had opgesloten. Op 15 februari 1009 werd Medina Alzahira door de bevolking van Cordoba aangevallen en in de loop der tijd zodanig vernietigd dat archeologen geen zekerheid hebben over de plek waar het gevestigd was. Wel is bekend dat het ten oosten van Córdoba lag op de rechteroever van de Guadalquivir.

In 981 versloeg hij in de slag bij Torrevicente zijn rivaal en schoonvader Ghalib al-Nasiri. Bij zijn terugkomst te Córdoba nam hij als titel al-Mansur bi-llah aan: overwinnaar door God.

ExpansieBewerken

Almanzor organiseerde 57 veldtochten tegen de Christelijke staten van Spanje. Hij zette daartoe Berberse huurlingen in. Hij vocht zo tegen het Koninkrijk León en het Koninkrijk Castilië. In 985 plunderde hij Barcelona in 988 León en in 997 Santiago de Compostela in het Koninkrijk Galicië. Hij nam de klokken van de kathedraal mee om als lantarens te dienen voor de Grote moskee van Cordoba. Hij liet zijn generaals wel de tombe van Sint Jakob beschermen. Almanzor bevocht het Koninkrijk Navarra en versloeg het Castiliaans leger in de slag bij Cervera. De Christelijke vorsten sloten in 1000 een bondgenootschap tegen hem. In 1002 sneuvelde hij in de slag bij Medinaceli.

ReconquistaBewerken

Zijn zoon Abd al-Malik al-Muzaffar volgde hem op als hajib en regeerde tot zijn dood in 1008 over al-Andalus.[4]

Daarna volgde Abd al-Rahman Sanchuelo zijn halfbroer op, maar deze wilde ook de kalief Hisham II afzetten, wat in 1009 tot een burgeroorlog leidde (Fitna de al-Ándalus) die de inleiding was tot de ondergang van het kalifaat in 1031. Het kalifaat viel toen uiteen in 27 koninkrijken (taifa's). De christelijke vorsten begonnen dan met succes hun Reconquista waarbij ze de taifa's één na één versloegen.[5]