Adolph Kolping

Duitse katholieke priester (1813-1865)

Adolph Kolping (Kerpen, 8 december 1813 - Keulen, 4 december 1865) was een Duitse katholieke priester die opgroeide als zoon van een herder en vanaf zijn 13e jaar bij een schoenmaker als gezel werkte. Hij was gechoqueerd door slechte leefomstandigheden in de streek van Keulen en besloot toen, mede omdat hij op zijn 21e jaar door een ziekte niet meer tot zware lichamelijke arbeid in staat was, om priester te worden. Dankzij financiële ondersteuning door de eigenaar van het landgoed, voor wie Adolph Kolpings vader schapen hoedde, kon Kolping deze studie bekostigen. Na zijn Gymnasium in Keulen studeerde hij theologie aan de universiteit van München, Bonn en Keulen.

Adolph Kolping
Het ouderlijk huis van Adolph

In 1849 keerde hij terug naar Keulen als vicaris van de kathedraal en stichtte een van de eerste Keulse gezellenverenigingen. In 1850 fuseerde hij de bestaande gezellenverenigingen onder de naam "Rheinischer Gesellenbund". Deze fusie was de oorsprong van het internationale Kolpingwerk. In zijn sterfjaar (1865) waren er meer dan 400 gezellenverenigingen wereldwijd.

In 1854 stichtte Kolping de wekelijkse krant "Rheinische Volksblätter" wat al snel een van de beroemdste kranten werd van zijn tijd. Op 4 december 1865 stierf Kolping. Hij werd begraven in de kerk waar hij geconsacreerd werd, de Minoritenkerk te Keulen. Op 27 oktober 1991 werd hij zaligverklaard door paus Johannes Paulus II.

Historische achtergrondBewerken

De maatschappelijke situatie van jonge, in die tijd nog nagenoeg alleen mannelijke, arbeiders, was schrijnend. Voor begrip daarvan moet iets dieper worden ingegaan op de sociale geschiedenis van die tijd, met name in Duitsland.

In de periode tot aan de Napoleontische Tijd waren de ambachten georganiseerd in gildes. Jongens en jonge mannen, die het vak wilden leren, waren gezellen. Dezen waren meestal nog ongehuwd, en woonden in bij de gildemeester. Naast hun werk als assistent in 's meesters werkplaats verrichtten zij in diens huis huishoudelijke taken, en zij waren verplicht, op zondag hun meester bij de kerkgang te vergezellen. Om meer en bredere vakkennis te verkrijgen, gingen vooral reeds wat ervarener gezellen voor enige jaren op reis (Wanderschaft) om bij meesters in andere steden en landen de fijne kneepjes van het vak of nieuwe dingen te leren. Zo'n Wandergeselle, die vaak speciale, herkenbare kleding droeg (een Kluft), moest in de stad, waar hij te gast was, ook weer door een daar wonende meester in zijn ambacht worden gehuisvest en was tijdelijk deel van diens Gesinde of Meisterfamilie. Op het gedrag van de wandernde Geselle werd gelet, met name, of hij niet te vaak naar de kroeg ging om sterke drank te drinken, of speelschulden maakte. Een Wandergeselle, op wie niets aan te merken viel, kreeg een soort certificaat mee, en zo'n getuigschrift was bij het werken in een volgende stad van groot belang. Uiteindelijk kon de voldoende ervaren gezel, meestal terug in zijn geboortestreek, na het succesvol afleggen van een meesterproef en het succesvol zoeken naar een (doorgaans welgestelde) huwelijkspartner, trouwen en gildemeester worden. Een gildemeester diende getrouwd te zijn en werd geacht, zelf een huishouden te stichten met een eigen huis, met werkplaats en onderkomen voor zijn eigen door hem op te leiden gezellen.

Door de Industriële Revolutie van de vroege 19e eeuw veranderde de sociale structuur radicaal. De gilden maakten in veel branches plaats voor industrieën. Ook werd de sociale gildestructuur door modernere wetgeving beëindigd. Ook aan de huisvesting van jonge arbeiders in het huis van hun werkgever kwam een einde. Er ontstond een arbeidsmigratie van het platteland naar de steden, waar de fabrieken werden gebouwd. Dit leidde vaak tot gebrek aan huisvesting voor jonge arbeiders, al of niet getrouwd. Sommigen geraakten in sommige steden dakloos, en belandden in de marge van de samenleving. Anderen werden slachtoffer van uitbuiting door hun eigen werkgevers of door huisjesmelkers, die exorbitante huren voor slechte woonruimte vroegen. De bouw van behoorlijke arbeiderswoonwijken in fabriekssteden was nog niet op gang gekomen. In enkele branches, o.a. de steenkoolmijnbouw, werd wel reeds vroeg in de oprichting van gezellenhuizen voorzien (ook in Nederlands Limburg), maar in andere branches niet. Ook bleef in een aantal, niet goed in fabrieken te reorganiseren, bedrijfstakken het fenomeen van Wandergesellen nog tot het begin van de 20e eeuw bestaan.

Kolping zelf maakte dit alles, toen hij als tiener schoenmakersleerling en daarna -gezel was, aan den lijve mee. Zijn eerste oogmerk was, om huisvesting en verzorging in een op een gezin lijkende woonvorm te creëren. Ter bestrijding van onkerkelijkheid en moreel verval, moest zo'n woonvorm (naar hem: Kolpingfamilie genaamd) de jongemannen ook binnen de normen en waarden van de Rooms-Katholieke Kerk houden of terugbrengen. Er was dus toezicht op hun gedrag, ook op kerkelijk gebied, en zij namen deel aan gemeenschappelijke maaltijden, als surrogaat voor een gezinsleven. De Kolpinghuizen gingen ook letten op de kwaliteit van de door de gezellen genoten vakopleiding, en begonnen al spoedig, ook aanvullende scholing aan te bieden, waaronder voor analfabeten lezen en schrijven, maar ook bijv. muziekles, en in een later stadium, de oprichting van katholieke sportverenigingen.

Het Kolpingwerk tegenwoordigBewerken

Vandaag de dag zijn er in Duitsland meer dan 275.000 leden in 2.3730 lokale Kolpingfamilies. Dat maakt het gelijk een van de grootste sociale federaties in Duitsland. Het Kolpingwerk is gevestigd in Keulen en heeft ongeveer 500.000 leden wereldwijd. Ook in Nederland zijn Kolpingverenigingen opgericht. Daarvan bestaat thans alleen nog de Nijmeegse. Deze was tot september 2020 gevestigd in het Kolpinghuis.

Zie ookBewerken

  Mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Adolph Kolping op Wikimedia Commons.