Adam Westerwoldt

Nederlands marineofficier

Adam Westerwoldt (Leiden, 1580Isfahan, 29 augustus 1639) was een admiraal en raad van Indië in dienst van de VOC.

Adam Westerwoldt
Adam Westerwoldt
Algemene informatie
Geboren 1580, Leiden
Overleden 29 augustus 1639, Isfahan
Titulatuur Admiraal en Raad van Indië
Portaal  Portaalicoon   VOC

BiografieBewerken

Westerwoldt vertrok voor de VOC naar Indië toen hij al in de dertig was. In 1613 was hij koopman op het kruidnageleiland Makian in de noordelijke Molukken. Een jaar later werd hij door Pieter Both bevorderd tot directeur van de handel in de Molukken, waar destijds, vóór de stichting van Batavia, de VOC haar hoofdkwartier had. Ook werd hij benoemd tot buitengewoon Raad van Indië[1]. In 1618 werd hij door Laurens Reael met drie schepen naar de Filipijnen gezonden om te proberen vier Spaanse schepen te onderscheppen die naar verluidt in aantocht waren. In 1619 werd hij naar Hirado in Japan gestuurd, waar Jacques Specx namens de VOC al zeven jaar een factorij leidde. Na in overleg met de raad van Hirado te besluiten Specx over twee jaar op te laten volgen door zijn onderkoopman, Leonard Camps,[2] reisde hij naar het net door Jan Pieterszoon Coen gevestigde Batavia, en vandaar terug naar Holland.

Op 3 januari 1623 trouwde hij daar met Anna van der Dussen en ging in Woudrichem wonen, waar hij later ook burgemeester werd. Anna en hij kregen twee dochters[3]. In 1636 deed de VOC weer een beroep op hem en vertrok hij voor de tweede keer naar Indië. Hij liet toen een portret van zichzelf schilderen dat tegenwoordig in het Rijksmuseum hangt[4]. Op het schilderij staat: Adam van Westerwoldt, Raad van Indië en Admiraal van Holland en Zeeland.

 
De slag bij Goa in 1638

Vanaf 1637 was hij commandeur van de VOC vloot in het kwartier Surat en Perzië. In die hoedanigheid leidde hij in 1638 vanaf het schip Utrecht de jaarlijkse blokkade van Goa en leverde daar strijd met een Portugese vloot van zes zware galjoenen die vanuit de rivier probeerden uit te varen. Eén van de galjoenen werd verbrand en de andere terug de rivier op gejaagd tot onder het kanonvuur van het fort. Ook twee van Westerwoldt's schepen gingen in vlammen op omdat ze bij het in brand steken van het Portugese galjoen aan weerszijden lagen en niet tijdig konden loskomen. Er werden 140 krijgsgevangenen gemaakt die werden uitgewisseld tegen eerder gevangen genomen Nederlanders.[2]

Naar aanleiding van een schriftelijk verzoek dat jaar aan de VOC van de koning van Kandy in Ceylon, Raja Singha II, om tegen de Portugezen op zijn eiland te strijden in ruil voor kaneel, zeilde hij na de blokkade van Goa met de vloot naar de oostkust van dat eiland en veroverde het fort Batticaloa op de Portugezen. Het fort werd bemand met een garnizoen van 100 soldaten onder vice-commandeur Willem Coster. Direct na de overwinning verscheen Raja Singha met een legertje Kandianen, die vermoedelijk gewacht hadden tot de strijd beslist was. Westerwoldt en Coster sloten namens de VOC een vriendschapsverdrag met Raja Singha waarin werd afgesproken om samen de Portugezen van het eiland te verdrijven en de veroverde forten en buit gemaakte goederen eerlijk te verdelen. Ook kreeg de VOC het monopolie op de kaneelhandel. Dit verdrag, en verschillen in interpretatie ervan door beide partijen, zou hierna nog lang een belangrijke rol spelen in de geschiedenis van de VOC op Ceylon. Westerwoldt kreeg van Raja Singha de degen van de Portugese gouverneur, Don Diego de Melo de Castro, die eerder dat jaar bij de slag bij Gannoruwa in de buurt van Kandy was gesneuveld.[5] Hierna keerde Westerwoldt terug naar Batavia. Coster bleef op Ceylon.

 
VOC vestiging Gamron in Perzië

Vervolgens werd Westerwoldt benoemd tot directeur van de VOC vestigingen in Perzië, zetelend in het comptoir (een permanente handelspost) Gamron aan de straat van Hormuz bij de ingang van de Perzische Golf. Gamron, ook wel bekend als Bandar Abbas (haven van sjah Abbas) was in 1623 door de VOC in gebruik genomen als permanente handelspost en was de hele 17de eeuw zeer winstgevend als leverancier van ruwe zijde, rozenolie en wol.[6] Gamron nam het jaar dat Westerwoldt er aantrad de functie van hoofdcomptoir in Perzië over van Isfahan in het binnenland. Westerwoldts voorganger in Gamron, Nicolaes Overschie, vertrok naar Batavia en zou later als commandant van Negombo in Ceylon met Raja Singha te maken krijgen.

In juni 1639, een half jaar na zijn aankomst, reisde Westerwoldt met groot gevolg naar Isfahan om de nieuwe sjah Sefi aan zijn hof te bezoeken. Deze eiste dat de VOC alleen van hem zijde kocht en niet van particulieren. Er was echter grote vraag naar de Perzische zijde terwijl het aanbod vaak onderbroken werd door de oorlogen tussen de Perzen en de Ottomanen. Toen de Compagnie daarom toch zijde op de markt had gekocht hief de grootvizier van de sjah daar een hoge belasting over. Overschie had toen een enorm bedrag betaald, waarover men in Batavia ontevreden was. Westerwoldt moest bij de sjah proberen het geld terug te krijgen en dezelfde gunstige regeling voor het inkopen van zijde te verkrijgen als die onder zijn voorganger Abbas de Grote had bestaan. Eenmaal in Isfahan aangekomen werd hij echter ziek. Hij stierf op 29 augustus van dat jaar en kreeg een plechtige begrafenis in Dsjoelfa, de pas gestichte Armeense wijk van Isfahan.[2]

GalerijBewerken