Abdijschool van Zevenkerken

De abdijschool van Zevenkerken is een katholieke school die algemeen secundair onderwijs aanbiedt. De school is verbonden met en bevindt zich op de terreinen van de Sint-Andriesabdij in Brugge.

GeschiedenisBewerken

De school werd opgericht in 1910 door de monniken van de abdij. Het huidig schoolhoofd is sinds 1986 pater Rector Jean-Marie Christiaens. Het devies van de school luidt Duc In Altum (vrij vertaald: Steek van wal).

De school telt ongeveer 300 leerlingen. Dit aantal wordt bepaald door de capaciteit van het internaat. Alle leerlingen zijn intern. De jongens verblijven in het internaat bij de school zelf, de meisjes verblijven in de priorij van Onze-Lieve-Vrouw van Bethanië in Loppem, aan de andere kant van de N32 en via een fietsweg op anderhalve kilometer afstand gelegen.[1] De priorij werd in 1921 gesticht vanuit de abdij van Zevenkerken. De oudste gebouwen dateren van 1925, met uitbreidingen tot 1957, en zijn van de hand van architect Jozef Viérin, die ook in Zevenkerken zelf tekende voor een aantal andere gebouwen.

Er is een aparte internaatsafdeling voor de jongens van het eerste jaar: het Paviljoen. Daar kunnen de twaalfjarigen wennen aan het internaatsleven. De school was een van de eerste in Vlaanderen om in 2005 voor alle leerlingen (vanaf het tweede jaar) een laptop verplicht in het instrumentarium te hebben. Sinds 2010 is de laptop voor de hele school verplicht, ook in het eerste jaar. De school staat bekend om zijn sportmogelijkheden: er zijn rugbyvelden, voetbalvelden, basketterreinen en vier tennisterreinen.

De Abdijschool staat bekend als een eliteschool en trekt leerlingen uit heel België aan. De kostprijs van de verplichte internaatsopvang maakt dat de school een kapitaalkrachtig publiek aantrekt. De prinsen Filip van België en Laurent van België liepen hier enkele tijd school. De school, volledig Nederlandstalig, telt relatief veel Franstalige leerlingen.[2]

De school kwam in 2010 negatief in het nieuws door een zaak van seksueel misbruik van verschillende minderjarige jongens door een opvoeder in de jaren tachtig van de twintigste eeuw.[3]