Wet van Betz

Volgens de wet van Betz, ontwikkeld door Albert Betz, is er een theoretisch maximale hoeveelheid energie die door middel van een rotor (bijvoorbeeld wieken van een windmolen) aan een stromend fluïdum (wind) kan worden onttrokken.

Om deze te berekenen gebruikt men het model van een cirkelvormige schijf in plaats van de rotor waarbij de schijf de energie onttrekt aan het fluïdum dat erdoor gaat. De snelheid van het fluïdum is lager ná de schijf dan er voor.

Stel is de snelheid van het fluïdum vóór de rotor en de snelheid erna. De gemiddelde snelheid is:

Noem de oppervlakte van de schijf en de dichtheid van het fluïdum. De massastroom (de massa van het fluïdum per tijdseenheid) is dan:

Het onttrokken vermogen is het verschil in kinetische energie van het instromende en uitstromende fluïdum per tijdseenheid:

De horizontale as geeft aan de verhouding , de verticale as de "prestatiecoëfficient"

Door te differentiëren naar bij een fluïdumsnelheid van en een oppervlakte vindt men de maximale of minimale waarde voor . De uitkomst is dat een maximum bereikt bij .

Substitueer deze waarde met als resultaat:

Het vermogen dat beschikbaar in een cilindrisch fluïdum met een oppervlakte van de doorsnede en die zich beweegt met een snelheid is:


De prestatiecoëfficiënt heeft een maximale waarde .

Verliezen door een rotor vormen de belangrijkste energieverliezen in, bijvoorbeeld, een windmolen. Het is belangrijk om deze dan ook zo klein mogelijk te maken. Moderne rotors hebben een -waarde van ongeveer 0,4 tot 0,5, wat dus overeenkomt met ongeveer 70 tot 80% van wat theoretisch mogelijk is.

ReferentieBewerken

Betz, A. (1966) Introduction to the Theory of Flow Machines. (D. G. Randall, Trans.) Oxford: Pergamon Press.