Hoofdmenu openen

De beroepskracht-kindratio (ook wel leidster-kindratio of medewerker-kindratio genoemd) is vastgelegd in de[1] Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012 en regelt de maximale groepsgrootte in de kinderopvang in relatie tot het aantal aanwezige pedagogisch medewerkers.

Inhoud

UitgangsregelsBewerken

Een groep met kinderen onder de 4 jaar mag nooit groter zijn dan 16 kinderen. Een horizontale babygroep (kinderen tot 1 jaar) mag nooit groter zijn dan 12 kinderen en op een verticale groep mogen nooit meer dan 8 kinderen tot 1 jaar aanwezig zijn. Verder gelden op de groepen de volgende verhoudingen tussen pedagogisch medewerkers en kinderen:

  • per pedagogisch medewerker mogen 3 kinderen in de leeftijd 0 tot 1 jaar aanwezig zijn
  • per pedagogisch medewerker mogen 5 kinderen in de leeftijd 1 tot 2 jaar aanwezig zijn
  • per pedagogisch medewerker mogen 6 kinderen in de leeftijd 2 tot 3 jaar aanwezig zijn
  • per pedagogisch medewerker mogen 8 kinderen in de leeftijd 3 tot 4 jaar aanwezig zijn

Op BSO-groepen mogen per pedagogisch medewerker 10 kinderen aanwezig zijn in de leeftijd 4 tot 12 jaar.

BerekeningBewerken

Voor het berekenen van verticale groepen groepen bestonden voor 2012 verschillende manieren van afronden. Daarom is de berekening het Convenant Kwaliteit Kinderopvang, die verschillende interpretaties kende, vervangen door Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012. Hierin is een bijlage opgenomen waarin voor alle geldige combinaties is vermeld hoeveel pedagogisch medewerkers aanwezig moeten zijn. In de regeling wordt verwezen naar een rekentool (1ratio.nl). De berekening (afronding) van deze tool is bindend. Hiermee wordt beoogd dat discussies tussen de GGD-inspecteurs en kinderdagverblijven over de berekening of afronding tot het verleden behoren.

Onderbezetting en drie-uursregelingBewerken

Wanneer er op enig moment onvoldoende medewerkers of te veel kinderen aanwezig zijn, is er sprake van een onderbezetting. Om toch ruimte te laten voor een efficiënte bedrijfsvoering is de drie-uursregeling opgenomen in de Regeling (artikel 5.10). Indien bij dagopvang per dag ten minste tien aaneengesloten uren opvang wordt geboden, kunnen voor ten hoogste drie uren per dag, met uitzondering van de uren tussen 9.30 en 12.30 uur en 15.00 en 16.30 uur, minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal benodigde aantal beroepskrachten wordt ingezet. In de periode vóór 9.30 uur en na 16.30 uur kan de afwijkende inzet van beroepskrachten ten hoogste anderhalf uur aaneengesloten bedragen en in de (pauze)periode tussen 12.30 uur en 15.00 uur, ten hoogste twee uren aaneengesloten en niet langer dan de daadwerkelijke duur van de middagpauze.

VierogenprincipeBewerken

Pedagogisch medewerkers moeten als ze alleen werken op een kinderdagverblijf altijd gezien of gehoord worden door een andere volwassene. Dit is geregeld in artikel 5a van de Regeling. Voor de BSO geldt deze regeling niet.

ControleBewerken

Kinderdagverblijven zijn verplicht de gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) inzicht in de historie te kunnen verschaffen over de bezettingen van alle groepen. Daarmee kan worden aangetoond of de beroepskracht-kindratio's al dan niet voldeden op verschillende tijdstippen in het verleden.

HulpmiddelenBewerken

Er zijn verschillende (online) rekentools en hulpmiddelen die het berekenen en registreren van beroepskracht-kindratio's vereenvoudigen.

Externe linksBewerken