Hoofdmenu openen

De muziektheorie verstaat onder het toongeslacht de manier waarop de toonladder is opgebouwd. De klassieke muziek van de laatste eeuwen kent slechts de twee toongeslachten majeur en mineur.

GeschiedenisBewerken

De term 'toongeslacht' kwam in de 18e eeuw op als vertaling voor het Oudgriekse genos. Deze term omvatte in de muziektheorie van het oude Griekenland de diatoniek, de chromatiek en de enharmoniek. Dit zijn echter niet dezelfde als de tegenwoordige begrippen chromatiek en enharmoniek.

In het systeem van kerktoonladders waren tot de 18e eeuw modus major en de modus minor (cantus durus en cantus mollis) als toongeslachten (genera). De 12 modi (zoals A-Aeolisch of C-Ionisch) daarentegen werden toonsoort genoemd.[1]

Tijdens de 18e eeuw werden de oudere modi (Dorisch, Frygisch, etc.) bijna volledig verdrongen door de recentere (Ionisch en Aeolisch). Deze werden voortaan beschouwd als toongeslachten (genera): Ionisch werd majeur, Aeolisch werd mineur. Als toonsoorten golden van toen af de verschillende transposities van majeur en mineur. Bijvoorbeeld: de toonsoorten D majeur en fis mineur).

ReferentiesBewerken

  1. Riemann Musiklexicon, Mainz 1967, p. 964