Stuwrecht

Het stuwrecht is het recht om water van een beek op te stuwen tot een door de rechthebbende gewenst peil en dit water vervolgens te gebruiken of aan de gewone loop van een beek te onttrekken. Het gebruik van water kan ook los van het stuwrecht vastgelegd zijn in het waterrecht en het hebben van een molen kan vastgelegd zijn (geweest) in het molenrecht.

Het stuwrecht is vooral bij watermolens een wenselijke genotsrecht, omdat door de stuwing van het water het peil hoger komt te staan waardoor het water meer kracht heeft en boven op het rad gebracht kan worden met een bovenslagmolen. Vaak zijn daarvoor een molentakken en/of stuwvijvers aangelegd.

GeschiedenisBewerken

Heel vroeger, nog voor de middeleeuwen met hun feodaliteit, kon iedereen vrijelijk een watermolen op een beek aanleggen met de daarbij horende stuw- en sluiswerken, zolang men maar anderen geen schade liet lijden. Met het feodalisme is er voor het gebruik van een watermolen molenrecht benodigd dat door een landheer kon worden verstrekt. Ook het waterrecht en het stuwrecht werden door een landheer toegekend. Vaak gebeurde dit ook in combinatie met molendwang.

Zie ookBewerken