Hoofdmenu openen

Stadsbrand van Paramaribo (1832)

1832
De plaquette ter herinnering aan de verzetsdaad van Cojo, Mentor en Present.
De plaats van de terechtstelling van Cojo, Mentor en Present werd in 2000 naar hen genoemd.

De stadsbrand van 1832 behoort met de stadsbrand van 1821 tot de grootste branden die Paramaribo (Suriname) hebben geteisterd. Het zuidelijk deel van het centrum werd in de as gelegd. [1] In de volksmond werd deze brand de Cojo branti genoemd (de brand van Cojo).[2]

Inhoud

De brandBewerken

De brand brak uit in de nacht van 3 op 4 september 1832 in het huis van Mozes Nunes Monsanto aan de Heiligenweg.[2] Het vuur verspreidde zich zeer snel en er gingen zo'n vijftig huizen verloren, inclusief de Lutherse Kerk met daarin onder meer het monument voor de Engelse koopman William Leckie (1779-1824).[2]

OorzaakBewerken

Eerst dacht men aan een ongeluk, maar toen er in de maanden erop op verschillende plekken in Paramaribo brand ontstond, ging men uit van opzet.[2] Ook op een aantal plantages werden een pogingen tot brandstichting gedaan.[2] Er werden beloningen uitgeloofd om de daders te vinden.[2] Een maand later werden er arrestaties verricht in het Picornábos, iets buiten de stad.[2] De drie hoofdverdachten waren de slaven Cojo, door zijn meester Andries genoemd, Mentor, die ook Geluk werd genoemd, en Present.[2] Zij waren geholpen door Frederik, Christiaan, Winst, Tom (of Tam), Henrij en de vrouw Betseij.[2] Zij vertelden dat ze 's nachts over de zogenoemde negerpoort waren geklommen; dit is de toegangspoort tot het terrein voor de slaafgemaakten.[2] Ze hadden op het erf bij de ezelstal wat zitten roken, waarna ze in de keuken wat eten hadden gevonden, dat ze samen met een stapel schoon wasgoed alvast bij de poort hadden klaargelegd.[2] Daarna waren ze het woonhuis binnengegaan en in de slaapkamer de zevenjarige Abraham Monsanto gevonden met de op de grond naast zich een tot slaaf gemaakte vrouw.[2] Ze hadden toen de gordijnen in brand gestoken en vertrokken toen met de buit.[2]

Vanuit het Picornábos waren de drie verschillende keren de stad ingegaan om eten en kleding te stelen en brand te stichten.[2] Door oude kokosnootschillen, lompen of bladeren onder de vloerplanken van een huis te leggen en deze aan te steken, probeerden ze nog drie keer een woonhuis in vlammen te doen opgaan in de hoop de hele stad in de as te leggen.[2]

VeroordelingBewerken

 
Portretten van Cojo (Kodjo), Mentor en Present. Pentekening van Gerrit Schouten gemaakt op 24 januari 1833

Cojo was ongeveer dertig jaar oud en geboren in de kolonie.[2] Hij was klein van stuk, had vurige ogen en enkele brandmerken op zijn linkerarm.[2] Mentor was circa twintig jaar en geboortig van de kust van Guinea.[2] Hij was de grootste van de drie, had een tatoeage boven zijn neus op zijn voorhoofd en littekens op zijn billen van eerdere straffen.[2] Present was tenger, had vele littekens en had een zachte stem.[2] Hij was de meest spraakzame van de drie hoofdverdachten.[2] Zij werden geportretteerd door Gerrit Schouten; het Surinaams Museum in Paramaribo heeft in haar inventaris deze portretten bij de aantekeningen van rechter Adriaan François Lammens van 24 januari 1833.[2] De drie hadden volgens Marten Douwe Teenstra (1795-1864), die een uitgebreid verslag schreef over de brand, de verhoren en de veroordeling van de gevangenen, geen berouw.[2] Op zaterdag 26 januari 1833 werd op de plek van de eerste en grootste brand bij de Heiligenweg op een groot schavot het vonnis iets na zeven uur in de ochtend voltrokken.[2] Cojo, Mentor en Present droegen in terpentijn gedrenkte kleding en waren vastgeketend aan een paal toen de brandstapel werd aangestoken.[2] Binnen enkele ogenblikken overleden zij.[2] Winst en Tom werden naar het galgenveld nabij het Pad van Wanica gebracht en na een reeks martelingen onthoofd.[2]

EerbetoonBewerken

Cojo, Mentor en Present pleegden met de brandstichting een verzetsdaad tegen het koloniale bestuur.[2][1] In 2000 werd op de plek van de terechtstelling een plaquette onthuld als herinnering aan hun verzet. Ook werd die locatie de naam gegeven van Kodjo, Mentor en Presenti-plein.

Maatregelen na de brandBewerken

Op last van het gouvernement mochten enkele straatwanden niet herbouwd worden om brandoverslag te voorkomen.[1] In de 21e eeuw heet dit gebied het Vaillantsplein, al reikte dat toen vanaf de Domineestraat tot aan de rivier.[1] Verder werd er uitgevaardigd dat alle keukens en stookplaatsen met stenen brandmuren moesten worden opgetrokken en met pannen of tichels bedekt moesten worden.[3] Om de stad zo snel mogelijk opgebouwd te krijgen bepaalde het gemeentebestuur dat de nieuw opgebouwde huizen zes jaar vrij zouden zijn van belasting en als de nieuwe huizen van klei of steen waren deze 25 jaar lang vrij van belasting zouden zijn.[3]