Roeach Hakodesj

Roeach hakodesj (Hebreeuws: רוח הקודש, roeach ha-kodesj, "heilige geest", letterlijk: "heilige wind" / "heilige adem") is een aanduiding in het jodendom voor God of voor Goddelijke inspiratie. Roeach hakodesj wordt op drie plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel genoemd: Psalm 51:12 en tweemaal in Jesaja 63:10-11.

Een vergelijkbare uitdrukking is roeach elohim,[1] 'de adem van God', die bijvoorbeeld wordt gebruikt in relatie tot koning David:

"Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de HEER.[2]"

De term wordt ook gebruikt voor de goddelijke inspiratie die grote rabbijnen zouden beleven wanneer zij ingrijpende beslissingen ten aanzien van de halacha namen/nemen.

Zie ookBewerken