Hoofdmenu openen

Petrus Regout

Nederlands politicus en ondernemer (1801-1878)

Petrus Dominicus Laurentius Regout[noot 1] (Maastricht, 23 maart 1801Meerssen, 18 februari 1878), ook wel Petrus I, Pierre of Pie Regout, bijgenaamd "meneer Pie" of "de pottekeuning", was een Nederlands industrieel en politicus. Hij geldt als de pater familias van de Maastrichtse ondernemersfamilie Regout en was de grondlegger van de glas- en aardewerkfabriek P. Regout & Co. / De Sphinx (1834-2009).[2]

Petrus Dominicus Laurentius Regout
(Petrus I Regout)
Regout als lid van de Eerste Kamer (1848-1859)
Regout als lid van de Eerste Kamer (1848-1859)
Persoonlijke informatie
Bijnaam "meneer Pie"; "pottekeuning"
Geboren 23 maart 1801
Geboorteplaats Maastricht
Overleden 18 februari 1878
Overlijdensplaats Meerssen
Positie stichter en directeur
Bedrijf P. Regout & Co / De Sphinx
Functies
1849-1859 lid Eerste Kamer der Staten-Generaal
1851-1853 lid gemeenteraad van Maastricht
vanaf 1845 (medeoprichter) president-commissaris Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij
1861-1865 voorzitter Vereniging van Nederlandse Industriëlen[1]
Portaal  Portaalicoon   Economie

Inhoud

LevensloopBewerken

Petrus Regout stamde uit een van oorsprong Waalse koopmansfamilie, die sinds het einde van de 17e eeuw actief was in de glas- en aardewerkhandel in Maastricht. Zijn vader Petrus Leonard Regout (1765-1814) had een handel in aardewerk en huishoudelijke artikelen in de Nieuwstraat in Maastricht. Na het overlijden van zijn vader ging Petrus op 14-jarige leeftijd meewerken in de glas- en aardewerkwinkel, die door zijn moeder Maria Gertrudis Nijsten (1766-1835) werd voortgezet. Aanvankelijk begaf zoon Petrus zich vooral in de groothandel. Daarbij betrok hij producten uit het nabij gelegen Luik en omgeving, waar de industriële revolutie al vroeg op gang was gekomen. Regout voegde aan zijn winkel een kleine kristalslijperij toe, aanvankelijk gevestigd in de Jodenstraat. De grondstoffen daarvoor betrok hij van de vlak bij Luik gelegen fabriek Val-Saint-Lambert.

 
Petrus Regout en Aldegonda Hoeberechts

In 1825 huwde hij Maria Aldegonda ("Gonneke") Hoeberechts. Zij kwam uit een welgestelde familie van hoedenmakers en bracht een aanzienlijke bruidsschat mee, die in het bedrijf werd geïnvesteerd. Een jaar later verhuisde het jonge gezin naar een groot pand in de Boschstraat, recht tegenover de in hetzelfde jaar gereed gekomen binnenhaven Bassin aan de Zuid-Willemsvaart. Deze locatie bewees zich als ideaal voor de beginnende onderneming.

 
Het fabriekscomplex aan de Boschstraat en het Bassin, ca. 1865
 
Glas- en kristalcatalogus, 19e eeuw
 
Vaeshartelt en omgeving, 1865

Onder de druk van het economische isolement waarin de stad gedurende de ruim drie jaar durende Blokkade van Maastricht na de Belgische Revolutie van 1830 verkeerde, wist Regout in korte tijd een industrieel imperium op te richten. Aangezien de Nederlandse regering een importverbod op Belgische producten had ingesteld, begon Regout noodgedwongen het benodigde glas voor zijn kristalslijperij zelf te vervaardigen. In 1834 kocht hij een stoommachine en wierf hij slijpers aan uit Wallonië en Frankrijk. Aldus begon hij aan de Boschstraat een 'stoomglasfabriek'. Nog in datzelfde jaar opende hij samen met andere ondernemers een spijkerfabriek. In 1836 richtte hij de later bekend geworden aardewerkfabriek op. In 1838 werd een glasblazerij geopend, in 1840 een gewerenfabriek en in 1847 een gasfabriek. Zo werd Regout de eerste grootindustrieel van Nederland en Maastricht de eerste Nederlandse stad waar zich een industriële omwenteling voltrok. Allengs nam zijn aanzien in Maastricht toe, hoewel hij door sommige notabelen om zijn niet-adellijke afkomst werd genegeerd.

In 1844 werd Regout lid van de Kamer van Koophandel. In 1845 was hij mede-oprichter van de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij. Omstreeks 1847 was er een recessie, maar Regout liet zijn fabrieken doorproduceren en bouwde aldus een voorraad op, want hij dacht dat de recessie wel snel voorbij zou gaan. Dat bleek inderdaad het geval en zo kon Regout zijn voorraden tegen een hoge prijs verkopen. Hiermee vergaarde hij grote rijkdom. In 1853 werkten er in zijn fabrieken meer dan duizend arbeiders. Tien jaar later waren dat er al meer dan tweeduizend. Eveneens in 1863 kocht hij het terrein van het voormalige Penitentenklooster, waardoor het bedrijf verder kon uitbreiden. Inmiddels waren drie zoons in de leiding opgenomen, maar Petrus Regout bleef tot 1870 aan het hoofd van zijn zelfgeschapen imperium staan. Hij legde zich daarbij meer en meer toe op het verkennen van nieuwe markten.

In 1841 kocht Regout het kasteel Vaeshartelt, toentertijd gelegen in de gemeente Meerssen. Het 118 hectare grote landgoed was aanvankelijk bedoeld als jachtslot voor koning Willem II, die er echter zelden gebruik van maakte. Vanaf 1851 gebruikte Petrus Regout het landgoed zelf, eerst als buitenverblijf, vanaf 1863 als vaste verblijfplaats. In 1872 bood hij het landgoed aan de paus aan, die na de inname van Rome zijn wereldlijke macht was kwijtgeraakt. Paus Pius IX bleef echter in Rome. Pie Regout verwierf in de omgeving van Maastricht diverse andere kastelen en landhuizen, die hij omtoverde tot ware lusthoven.

Van 1851 tot 1853 was Regout gemeenteraadslid en van 1849 tot 1859 lid van de Eerste Kamer. Zijn zoon Louis Regout zou later ook Eerste Kamerlid worden. Van 1861 tot 1865 was hij voorzitter van de Vereeniging van en voor Nederlandsche Industrieelen.[2] Petrus Regout was commandeur van de Orde van Sint-Gregorius de Grote en van de Orde van het Heilig Graf van Jeruzalem.

Petrus overleed in 1878 op 76-jarige leeftijd op Vaeshartelt. Zijn vrouw Gonneke en hun zoon Eduard overleden in hetzelfde jaar. Hun lichamen werden bijgezet in het familiemausoleum aan de Markt van Meerssen, pal naast de basiliek van Meerssen.

Betekenis als ondernemerBewerken

 
Petrus Regout op gevorderde leeftijd, ca 1870

Een evenwichtige evaluatie van de ondernemer en werkgever Petrus Regout is niet eenvoudig, omdat een gedegen moderne biografie ontbreekt.[2] Daarnaast is de perceptie van zijn rol in de sociale geschiedenis van Maastricht en Nederland in de afgelopen 150 jaar sterk gewijzigd. Regout was een man van zijn tijd, een pionier op het gebied van industrialisatie, een nouveau riche met een plat-burgerlijke smaak, die het graag breed liet hangen, politiek en religieus conservatief, gehecht als hij was aan paus en koning.[3] In 1858 publiceerde hij zijn traktaat Pauperisme en Industrie, waarin hij de industrie voorstelde als een instrument om verpaupering te bestrijden. Onderwijs en gezondheidszorg kwamen in dit geschrift niet voor; in zijn optiek werd werk voldoende beloond met onderdak, voedsel en loon. De verhouding met zijn arbeiders kan gekenmerkt worden als paternalistisch, hoewel in zekere zin ook zorgzaam.[noot 2]

In het bekrompen, kleinsteedse Maastricht was hij in zijn tijd een van de weinigen met visie. Veel van zijn ideeën strandden door kortzichtigheid of onderlinge strijd.[4] De in 1864 door hem gebouwde Cité Ouvrière, een complex van 40 arbeiderswoningen tegenover de fabriekspoort in de Sint Teunisstraat, leverde hem aanvankelijk lof op.[noot 3] Toch wees de gemeente de aanvraag voor een tweede complex af. Ook van zijn aanbod om gas en water aan de stad te leveren, wilde zijn tegenstrever, burgemeester en ondernemer Willem Hubert Pijls (1819-1903), niets horen.[5]

 
Praalwagen met standbeeld Petrus Regout in historische optocht (Boschstraat, 1905)
 
Hetzelfde beeld in de glas- en kristalshowroom (na 1905)

Terwijl Regout als parvenu streefde naar erkenning, moest de oude adel niets van hem hebben. Wel was hij bevriend met koning Willem II, maar in de adelstand werd hij nimmer verheven, hoewel de koning dit recht gunde aan andere katholieke fabrikantenfamilies, zoals Smits van Eckart. De nieuwe liberale bovenlaag onder leiding van burgemeester Pijls en wethouder Marres vond Regout te reactionair, aangezien hij van arbeidersemancipatie niets wilde weten. Die afkeer was wederzijds zodat er heel wat gescholden werd in de liberale krant Le Courrier de la Meuse en Regout's tegenhanger, de in Luik uitgegeven l'Ami du Limbourg.[6] Regout liet zich graag afbeelden in vorstelijke poses, maar werd door zijn vijanden spottend de pottekeuning genoemd, naar het product waaraan hij zijn rijkdom te danken had.

Petrus I en zijn oudste zoon en opvolger Petrus II Regout (1828-1897) zijn in het verleden soms met elkaar verward, wat in de 20e eeuw leidde tot verguizing van zowel vader als zoon. Toch was het met name die laatste die verantwoordelijk was voor de slechte reputatie van het familiebedrijf eind 19e eeuw, vooral vanwege zijn harde en cynische uitspraken bij de parlementaire enquête naar de toestand in fabrieken en werkplaatsen (1887).[noot 4] Men zou kunnen stellen dat Petrus I Regout hierdoor de zondebok werd voor de sociale ellende die in Maastricht het gevolg was van de snelle industrialisatie. Daarbij wordt soms vergeten dat dit ook in andere geïndustrialiseerde steden het geval. Bovendien zijn onze hedendaagse maatstaven voor 'goed ondernemerschap' anders dan in zijn tijd.[4]

In 1907 stelde de SDAP-politicus Servaas Baart dat bij Regout werkende glasblazersleerlingen van hun kosthuis via een tunneltje naar de fabriek werden gevoerd en zo feitelijk geen vrijheid kenden. Vaders die hun zonen niet meebrachten naar de glasblazerij werden volgens Baart ontslagen.[7] Het verhaal werd door de katholieke politicus Piet Aalberse ontkracht, maar onder de Maastrichtse bevolking bleef het als hardnekkige mythe standhouden. Om die reden behield Regout tot ver in de 20e eeuw een slechte naam.[noot 5] In 1934 verscheen Een eeuw modern kapitalisme; de Regouts, een boek van de socialistisch politicus Michaël Ubachs, dat zeer ten nadele van Regout werkte.[8] Terwijl in 1905 het standbeeld van Petrus I nog op een praalwagen door de stad werd gereden, was hij in de jaren dertig de verpersoonlijking van kapitalistische uitbuiting geworden.[9] Pogingen in 1958 om een standbeeld op te richten op de Markt, stuitten op weerstand van hoog tot laag, inclusief de burgemeester.[2] Het bedrijf trachtte het inktzwarte beeld bij te stellen. In 1959 verscheen, in opdracht van N.V. Sphinx-Céramique, een proefschrift van A. Maenen, waarin Petrus Regout naar voren kwam als voorstander van sociale wetgeving. Zo zou hij hebben meegewerkt aan het Kinderwetje van Van Houten en hebben gepleit voor de leerplichtwet. Daarnaast zouden de Maastrichtse arbeiders 25 tot 30 procent meer betaald hebben gekregen dan bijvoorbeeld hun collega's in Noord-Limburgse aardewerkbedrijven (waar het levensonderhoud evenwel goedkoper was dan in Maastricht). Pas in 1965 kwam het standbeeld er alsnog, echter niet op de Markt maar vlak bij de fabriek in de Boschstraat.

NalatenschapBewerken

AardewerkproductenBewerken

De aardewerkfabriek van Regout, vanaf 1899 N.V. De Sphinx v/h Petrus Regout & Co. geheten, groeide uit tot een van de grootste producenten van aardewerk ter wereld. Maastrichts aardewerk van Petrus Regout & Co. en De Sphinx is een populair verzamelaarsobject en bevindt zich in diverse museale verzamelingen (o.a. Centre Céramique, Bonnefantenmuseum en Museum aan het Vrijthof in Maastricht, Discovery Center Continium in Kerkrade, Keramiekmuseum Princessehof in Leeuwarden en Rijksmuseum Amsterdam). Van het glas- en kristal dat door de fabrieken van Regout werd geproduceerd, is veel minder bewaard gebleven. Na de Tweede Wereldoorlog produceerde het bedrijf voornamelijk sanitair.

FabrieksgebouwenBewerken

  Zie Koninklijke Sphinx voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
 
Gevelstenen P.R. (Petrus Regout), 1834/36

Bij zijn overlijden besloegen de fabrieken van Regout bijna tien hectare in het stadscentrum van Maastricht met ongeveer 70 gebouwen, waaronder de kristalslijperij, de glasblazerij, de aardewerkfabriek met bijbehorende ovens en de gasfabriek. Vrijwel alle industriële bouwwerken uit die tijd zijn in de loop der jaren gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Alleen de fabriekspoort aan de Boschstraat, de zogenaamde Penitentenpoort (ca. 1860), en het woonhuis op nr. 45 (uit 1863) zijn overgebleven. Het cluster industriële monumenten dat tegenwoordig het noordwestelijk deel van het Maastrichtse centrum beheerst, dateert uit de tijd ná het terugtreden van Petrus Regout omstreeks 1870. Daaronder bevinden zich de fabrieksmuur (1873?), de Mouleurs-gebouwen (1875), het gebouwencomplex van de Timmerfabriek (1905-11) en het Eiffelgebouw (1928-41).

In 2006 verhuisde de Sphinxfabriek van de noordrand van het Maastrichtse stadscentrum naar de Beatrixhaven, waarmee een einde kwam aan ruim 170 jaar industriële bedrijvigheid aan de Boschstraat. Drie jaar later sloot de fabriek in de Beatrixhaven. De naam "Sphinx" leeft nog voort als een van de vele merknamen van de Zwitserse multinational Geberit.

Overige gebouwenBewerken

In de omgeving van Maastricht zijn een groot aantal kastelen en villa's te vinden, die ooit in het bezit waren van Petrus Regout en zijn nazaten. Petrus en Aldegonda maakten het tot hun streven aan elk van hun kinderen een fraai landhuis na te laten. Bekende voorbeelden zijn het door Petrus zelf bewoonde kasteel Vaeshartelt, het landgoed Mariënwaard met het kasteel La Grande Suisse en de villa La Petite Suisse, de villa Kruisdonk en de villa Canne. Villa Aldegonda in Scharn werd na twee branden in de jaren 80 en 90 gesloopt.

Naast de Basiliek van Meerssen bevindt zich het uit 1869 daterende mausoleum van de familie Regout, waar onder anderen Petrus en zijn vrouw Aldegonda begraven zijn. Het mausoleum bestaat uit een neogotische kapel en een onderaardse grafkelder met 122 grafnissen.

Overige nalatenschapBewerken

 
Muurschildering Sint-Gerlachuskerk, Houthem, met knielende Regout, 1872-73
 
Brievenbussen Petrus Regoutplein

Als katholiek en ultramontaan begunstigde Petrus Regout aan het eind van zijn leven diverse rooms-katholieke doelen. In 1864 verwierf hij drie geelkoperen kroonluchters, die oorspronkelijk in de Grote of Sint-Laurenskerk in Rotterdam hingen. Regout schonk een exemplaar aan de Sint-Servaas-, de Onze-Lieve-Vrouwe- en de Sint-Matthiaskerk.[10] In 1872 sponsorde Regout Bock & Willemsens Die mittelalterlichen Kunst- und Reliquienschätze zu Maestricht, een publicatie die grote invloed zou hebben op de waardering van de middeleeuwse kerkschatten van Maastricht. Een jaar later ondersteunde hij de restauratie en inrichting van de nieuwe schatkamer van Sint-Servaas. Op een herinneringsprent ter gelegenheid van de opening van de schatkamer staat hij als mecenas afgebeeld. Eveneens in 1872-73 droeg de fabrikant financieel bij aan de restauratie van kerktoren en plafond van de barokke Sint-Gerlachuskerk in Houthem-Sint Gerlach en bekostigde tevens de restauratie van de fresco's in het interieur door J. Stroucken uit Roermond. Op een wandschildering is, naast Sint-Petrus, een knielende Petrus Regout met familiewapen en bijschrift afgebeeld.

Vanwege zijn besmette reputatie (zie hierboven) duurde het lang voordat er in Maastricht een straat werd vernoemd naar Petrus Regout. In 2008, 130 jaar na zijn dood, besloot de Maastrichtse straatnamencommissie het plein tussen het Eiffelgebouw en de Mouleurs in het nieuwe Sphinxkwartier naar hem te vernoemen.[11] Regoutstraten zijn tevens te vinden in Roermond, Weert, Nijmegen, Tilburg en Schiedam, maar het betreft daarbij nazaten van Petrus Regout. Het in 1905 bij een historische optocht meegevoerde gipsen standbeeld, dat later in een nis in de toonzaal van de Timmerfabriek werd geplaatst, is waarschijnlijk verloren gegaan. Het bronzen standbeeld dat in 1965 door Wim van Hoorn werd vervaardigd staat voor het voormalige kantoor en de fabriekspoort van de Koninklijke Sphinx aan de Boschstraat. Het beeld werd diverse malen beklad.

In 2007 schreef Erik-Ward Geerlings een toneelstuk over het leven van Petrus Regout. Theatergroep Het Vervolg speelde de voorstelling op locatie in een fabriekshal van Koninklijke Sphinx, onder regie van Hans Trentelman en met acteur Hans van Leipsig in de titelrol.[12]

NakomelingschapBewerken

Petrus Dominicus Laurentius Regout trouwde op 17 juni 1825 te Maastricht met Maria Aldegonda Hoeberechts (1798-1878), dochter van Franciscus Houberechts (1761-1819) en Maria Joanna Margaretha Botti (1790-?). Het echtpaar kreeg tien kinderen, waarvan er één de volwassenheid niet bereikte. Alle vijf zonen namen vooraanstaande posities in het bedrijf van hun vader of dat van hun oom Thomas Regout in.

 
Familiefoto bij kasteel Vaeshartelt. Petrus en Aldegonda temidden van de kleinkinderen (in koetsen), ca. 1865
  1. Maria ("Mimi") Gertrudis Hubertine Regout (1826-1898), commissaris C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., gehuwd met Jean Jacques Adolphe Weustenraad (1813-1859), bewoonde de villa La Petite Suisse.
  2. Petrus ("Petrus II") Alexander Hubertus Regout (1828-1897), vennoot en directeur C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., gehuwd met Gertrudis Hubertina Amelia ("Amélie") Polis (1830-1904), woonde te Villa Canne
  3. Hubert Edouard ("Eduard") Thomas Regout (1829-1878), vennoot C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., gehuwd met Marie Marguerite "Théodosie" Léontine Kersten (1829-1892)
  4. Eugène Bernard Hubert Regout (1831-1908), vennoot en directeur C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., vennoot en bestuurder N.V. Maastrichtsche Spijker- en Draadnagelfabriek v/h Thomas Regout, lid Provinciale Staten van Limburg, gehuwd met 1) Caroline Hortense "Victorine" Bonhomme (1831-1861) en 2) "Léonie" Hubertine Regout (1837-1906), bouwheer en bewoner villa Wyckerveld
  5. Hubert Gérard Louis ("Louis I") Regout (1832-1905), vennoot en directeur C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., medeoprichter porseleinfabriek Louis R. en Zonen (later Koninklijke Mosa), oprichter glasfabriek Stella (later Kristalunie Maastricht), lid van Provinciale Staten van Limburg, lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, gehuwd met Theresia Hubertina ("Thérèse") Berger (1829-1899), bouwheer en bewoner villa Kruisdonk
  6. Maria Hubertina Anna "Emilie" Regout (1834-1886), gehuwd met Hubert Joachim Brouwers (1833-1892), burgemeester van Roermond
  7. Hubertus Victor Franciscus Regout (1835-1837)
  8. Joséphine Hubertine "Pauline" Regout (1837-1864), gehuwd met Carolus Henricus Gijsbertus Hubertus Leurs (1828-1900), medicus
  9. Gustave Jean Hubert Regout (1839-1923), vennoot en directeur C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., gehuwd met Ma­rie "Louise" Philippinne Ghislaine Eugenie Pétry (1849-1916), bewoner Kasteel Vaeshartelt
  10. Wilhelmina Aldegonda Hubertina Regout (1841-1868)

Zie ookBewerken

Externe linksBewerken