Hoofdmenu openen
Overzicht van de verdeling van de Landen van Overmaas, na het Partagetraktaat van 1661

Het Partagetraktaat (="delingsverdrag") is een volkenrechtelijke overeenkomst uit 1661 tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden en de door Spanje geregeerde Zuidelijke Nederlanden omtrent de verdeling van de Landen van Overmaas in een Staats en een Spaans deel.

Nadat de Republiek in 1632, dankzij de Maasveldtocht van Frederik Hendrik, vaste voet aan de grond had gekregen in het zuiden van het huidige Limburg, traden de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden in de rechten van de hertog van Brabant – dat was toen de koning van Spanje – als co-soeverein van Maastricht. Bovendien verwierven zij delen van de Landen van Overmaas en annexeerden zij in de loop der tijd ook nog een aantal geënclaveerde vrije heerlijkheden, zoals de heerlijkheden Elsloo en Stein. Staats-Overmaas werd één van de Generaliteitslanden.

Bij de Vrede van Münster in 1648 waren de verhoudingen tussen de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden in de Maaslandse territoria verder uitgekristalliseerd, maar niet definitief vastgelegd. In het Maasland was er sprake van een patstelling: geen van beide partijen had het gehele Maasland kunnen veroveren. Elk had slechts delen in handen.

Don Esteban de Gamarra
Johan de Witt

De auteur van het Partagetraktaat aan Nederlandse zijde was Johan de Witt, raadpensionaris van Holland, die op dat ogenblik onder meer het succesrijke buitenlands beleid van de Republiek bepaalde. De onderhandelaar namens Spanje was Esteban de Gamarra, ambassadeur in Den Haag. Nog in 1658 had Spanje geprobeerd om de Landen van Overmaas grotendeels te behouden, op aandringen van de religieuze orden in de Zuidelijke Nederlanden, die zich zorgen maakten om de talrijke kloosters en het uitgestrekte kerkelijke grondbezit in dit gebied. Na de Vrede van de Pyreneeën in 1659, waardoor Frankrijk zich verder versterkt had als Europese grootmacht, veranderde Spanje ook op dit punt van houding en hechtte meer belang aan goede betrekkingen met de Republiek. In december 1661 werd overeenstemming bereikt over een verdeelsleutel voor het gebied, waarbij de steden Valkenburg, Heerlen en Dalhem in Nederlandse handen kwamen. Het traktaat werd namens de Republiek ondertekend door Rutger Huyghens, J. de Merode, Johan de Witt, Johan Kien, Johan van Reede, E. van Bootsma, B.I. Mulert, J. Isbrandts, J. Van der Hooghe van Borssele en Hieronymus van Beverningk.

In datzelfde jaar echter, kwam in Frankrijk Zonnekoning Lodewijk XIV aan de macht. Hij was uit op het verleggen van de grenzen van Frankrijk tot aan de Rijn. In juni 1673, na het Rampjaar 1672, werd Maastricht belegerd en veroverd door Franse troepen van Lodewijk XIV, die bij zijn bondgenoten bedongen had dat hij de Zuidelijke Nederlanden en de Generaliteitslanden kon inlijven. Bij het einde van de Frans-Nederlandse Oorlog, de Vrede van Nijmegen in augustus 1678, kregen Maastricht en Staats-Overmaas hun statuut weer terug.

Door het ontwikkelen van een Staats gebied in de regio werd de basis gelegd voor het ontstaan van het latere Zuid-Limburg.

VerdelingBewerken

De volgende gebieden werden Staats:

De volgende gebieden werden Spaans:

De weg door Schaesberg was vrij toegankelijk voor beide partijen, Elsloo en Berne bleven onverdeeld.

Vrije en geestelijke gebieden in het traktaatBewerken

Een aantal gebieden kent een opmerkelijke soevereiniteitswisseling in het Partagetraktaat. Elsloo, Wijnandsrade, Rekem en Terblijt zijn in naam rijksvrij maar worden in het traktaat ingedeeld als respectievelijk: "onverdeeld", Spaans en Staats (2x). Vaesrade, Bemelen, Berg, en Berne zijn geestelijke gebieden maar worden ingedeeld als Spaans, Staats (2x) en "onverdeeld", Berg en Berne zijn twee van de Elf banken van Sint-Servaas. Rekem en Leut die op de linkeroever van de Maas liggen, maken strikt genomen geen deel uit van het Overmaasse gebied, maar zijn rijksheerlijkheden die ook voorheen al fungeerden als buitenlenen van Valkenburg. De bij Spanje ingelijfde vrije heerlijkheden hielden een redelijke autonomie na 1661, de Staatse gebieden daarentegen moesten soms met militair geweld worden ingenomen, omdat de Spaanse bezettingstroepen na ondertekening van Partagetraktaat kennelijk niet goedschiks wilden vertrekken, zoals in Leut.

De overwegend Rooms-katholieke bevolking in Staatse grensgebieden moest voor de katholieke eredienst in de 17de en 18de eeuw uitwijken naar de Spaanse Nederlanden en naar katholieke gebieden in het Heilig Roomse Rijk. Er werden, op verschillende plaatsen, over de grens van de Republiek grenskerken gebouwd door de katholieke gelovigen van parochies in de Republiek. In het dorp Schaesberg, Spaans gebied, werd de toeloop vanuit het, overwegend Rooms-katholieke, Staatse Heerlen zo groot dat er een nieuwe kerk moest worden gebouwd.[5]