Hoofdmenu openen

Het Neolithicum in de Lage Landen ontstond uit een wisselwerking tussen de oorspronkelijke Mesolithische bevolking van jager-verzamelaars en toegetrokken landbouwers. Deze laatsten hadden tijdens het vroege Europese Neolithicum vanuit het Nabije Oosten komend het grootste deel van Europa gekoloniseerd. De Europese jager-verzamelaars werden hierbij grotendeels verdrongen. In Noord-Europa hielden zij echter langer stand, en namen geleidelijk de kunst van landbouw, veeteelt en pottenbakken over van de neolithische immigranten.[1] Daarmee geraakte de mesolithische levenswijze geleidelijk in onbruik. Kenmerkend zijn nu behalve de nederzettingen, de opkomst van grotere stammen en het gebruik van plantaardig voedsel.[2][3]

Beschavingen ten tijde van het Midden-Neolithicum in Europa.

Inhoud

Vroeg-NeolithicumBewerken

 
kom van Limburg-aardewerk, een lokale imitatie van bandkeramiek, uit Kesseleik (ca. 5300-4900 v.Chr.)

In het vroege Europese Neolithicum zijn twee migratiestromingen herkenbaar: een Centraal-Europese die teruggaat op de Midden-Europese bandkeramiek, en een zuidelijke die teruggaat op de cardiaal-impressoculturen van het Middellandse Zeegebied, in het noordwesten vertegenwoordigd door de La Hoguettecultuur.[4] Beide culturen speelden een rol in de neolithisering van het plaatselijke Rijn-Maas-Scheldemesolithicum. Plaatselijk is het naast elkaar voorkomen van mesolithische en neolithische gemeenschapen aangetoond, en tot de volledige neolithisering van het Rijn-Maas-Scheldegebied kan men uitgaan van een dergelijk naast elkaar bestaan van verschillende levenswijzen.

Bandkeramische cultuurBewerken

Een volledig neolithische levenswijze ziet men bij de eerste landbouwers van de bandkeramische cultuur (ook Omalien) die zich rond 4500 v.Chr. op de hoger gelegen vruchtbare lössgronden van onder andere het Zuid-Limburgse Haspengouw vestigde. Deze cultuur kon zich niet uitbreiden naar de rest van Nederland omdat de dragers ervan nog geen ploeg kenden om de kleigronden mee te bewerken. In typische met banden versierde potten bewaarde men voedsel en zaaigranen. Er waren contacten met leden van de aan de cardiaal-impressocultuur verwante Hoguette-groep, waarvan echter weinig is teruggevonden. Wel onderhielden al deze gemeenschappen onderlinge contacten, zoals blijkt uit de vondsten van gepolijste stenen bijlen, waarvan het materiaal van vreemde origine was. Ze onderhielden eveneens contacten met mesolithische groepen in het noorden, vooral langs de Maas.

Er zijn grafvondsten en sporen van boerderijen op het lössplateau in België en Zuid-Limburg.[5] Zij kenden nog niet het gebruik van een ploeg en waren voor vlees nog in belangrijke mate aangewezen op de jacht.[6]

Na zo'n 700 jaar is deze cultuur om nog onbekende redenen uitgestorven.

SwifterbantcultuurBewerken

  Zie Swifterbantcultuur voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De subneolithische Swifterbantcultuur van jager-verzamelaars wordt gesitueerd in het gebied tussen de Schelde en de Elbe in een tijdspanne van 5000-3400 v. Chr.

In tegenstelling tot de immigranten van de Bandkeramiek was dit een inheemse cultuur, verwant aan de Ertebøllecultuur in Denemarken. Naar uit onderzoek[7] blijkt hebben deze twee culturen een duizendtal jaren naast elkaar bestaan, waarbij de bewoners van de uitgestrekte moerassen in de Rijndelta langzamerhand sommige gewoonten van de landbouwers in het zuiden zijn gaan overnemen. In toenemende mate treft men er tussen resten van wild ook resten van gedomesticeerde dieren aan, waarbij een duidelijke progressie valt waar te nemen.

Rond 4800-4500 v.Chr. vond de overgang plaats van jager-verzamelaar naar veeteelt en vanaf 4300 v.Chr die naar landbouw.

Midden-NeolithicumBewerken

MichelsbergcultuurBewerken

 
aardewerk van de Michelsbergcultuur uit de Ardennen
  Zie Michelsbergcultuur voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Rond 4250 tot 3500 v. Chr. ontwikkelde zich in het zuidwesten van Duitsland, het zuiden van Nederland en het oosten van België de Michelsbergcultuur. Schaarse archeologische vondsten wijzen op een gemengde landbouwcultuur. De typische keramiek is de tulpvormige beker.

Een grote groep landbouwende inwijkelingen vestigde zich in Brabant rond Bosvoorde en het Henegouwense Spiennes. In de moerassige streken van Vlaanderen werden de eerste paaldorpen gebouwd (vooral Dentergem aan de Mandel). Men deed overwegend aan veeteelt, en mijngroeven werden aangelegd tot 16 meter diep om vuursteen te delven voor gereedschap. Bekend zijn de diepe vuursteenmijnen van Spiennes en die van Rijckholt in Nederlands Limburg.

Relicten uit omstreeks 4000 v.Chr. die in de Nederlandse delta bij Swifterbant in Flevoland en in het Zuid-Hollandse Hazendonk en Bergschenhoek zijn teruggevonden duiden op contacten van de Michelsbergcultuur met laat-Mesolithische jagers-verzamelaars benoorden de lösszone. Uit deze contacten vloeiden semi-landbouwgemeenschappen voort die zich daar plaatselijk vestigden.

Onder andere in de Kempen, de Leemstreek en de Maasvallei verbouwde men in het Midden-Neolithicum eenkoorn en emmertarwe op de kleine akkers rond het huis. Voor het zware werk werden trekossen gebruikt. De veestapel bestond uit runderen, schapen, varkens en geiten, die graasden in een afgebakend stuk grond rond de woning.

Rond 3.500 v.Chr. hebben landbouwers in Haspengouw verbleven. Ze hadden schapen gedomesticeerd, evenals runderen en varkens. Deze boeren leefden op de lichte kleigronden die ze met een hark bewerkten en woonden in langhuizen.

Seine-Oise-Marne-cultuurBewerken

 
De Brunhildesteen, de grootste menhir van België, staat nabij Doornik.

Het zuiden van België werd in deze periode door de Franse Seine-Oise-Marne-cultuur (SOM) bereikt. Zij bouwden meerdere megalithische monumenten. Bekend is de grafkelder van Stein. In het zuiden van de Lage Landen werden megalietgraven opgericht en menhirs, waarvan de juiste betekenis nog steeds niet achterhaald is. Zo zouden de twee dolmens bij Wéris (Dolmen van Wéris en Dolmen van Oppagne) gebouwd zijn door de Seine-Oise-Marne-cultuur.[8] Gezien de gevonden beenderresten zouden ze, mogelijk in een latere periode, zijn gebruikt als begraafplaatsen. Dolmens, menhirs en natuurlijke stenen rond Wéris zijn op lijnen geplaatst over de betekenis waarvan druk gespeculeerd wordt.[9]

VlaardingencultuurBewerken

  Zie Vlaardingencultuur voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Vlaardingencultuur (ca. 3500 v.Chr.- 2500 v.Chr.) in het westen van Nederland was een afgeleide van de Seine-Oise-Marnecultuur. In de duinstreek van het Rijnmondgebied van de Lage Landen onderscheidde zich de Vlaardingencultuur als een tussenvorm van Mesolithische cultuur en landbouw met zowel volledige als semi-agrarische landbouwnederzettingen.

TrechterbekercultuurBewerken

 
Nagebouwd huis uit de Trechterbekertijd

De trechterbekercultuur (ca. 3400 - 2900 v.Chr.) is ontstaan uit de middeneuropese bandkeramiektraditie, aangepast aan noordeuropese omstandigheden. Beïnvloed door de Seine-Oise-Marnecultuur bouwden ook zij megalithische grafkamers, zoals de hunebedden in Drenthe.

Laat-NeolithicumBewerken

Vanaf circa 3000 v.Chr. ontstond een kustbarrière in de vorm van strandwallen en lage duinen. Achter de strandwallen veranderde het land van een getijdelandschap in een lagune en vervolgens in een veenmoeras.

TouwbekercultuurBewerken

Omstreeks 2900 v.Chr. werd de trechterbekercultuur zeer abrupt opgevolgd door de standvoetbekercultuur, de westelijke tak van de Noord-Europese touwbekercultuur. Volgens de koerganhypothese ontstond deze door het uit het oosten binnendringen van de Indo-Europese kogelamforacultuur in de pre-Indo-Europese trechterbekercultuur. Deze theorie wordt bevestigd door genetisch onderzoek dat stelt dat er rond 2400 v.Chr. een significante migratie plaatsvond van de Pontische steppe naar Centraal-Europa.[10] De mensen van de standvoetbekercultuur maakten gebruik van karren.

KlokbekercultuurBewerken

De kopertijd wordt gekenmerkt door de klokbekercultuur (2700 - 2100 v. Chr.) die naast en uit de standvoetbekercultuur ontstond. De typerende eigen keramiek van bekers in klokvorm heeft ze haar naam gegeven. De klokbekercultuur wordt verder door een aantal technische innovaties gekenmerkt, zoals de ploeg, het wiel en karren. Dit wijst op een aanzienlijke hervorming van het landbouwsysteem, maar ook op de mogelijkheid van beter transport. Deze groep verspreidde zich over heel West-Europa. Met deze cultuur begon een tijd van intensieve overzeese contacten, wat de overeenkomst tussen de prehistorische culturen aan weerszijden van de Noordzee verklaart. Ze zouden daarbij zelfs Noord-Afrika hebben bereikt. Ze gebruikten strijdhamers, handbogen, dolken en speren met koperen kop als wapens. Onderzoekers menen dat hun behoefte aan koper (en goud) in grote mate tot de ontwikkeling van de metaalbewerking in Europa heeft bijgedragen. Opvallende verandering is verder het begraven in individuele graven, bedekt door grafheuvels, en het meegeven van grafgiften zoals hakbijlen, bekers en messen. Het lichaam van de overledene was in opgevouwen foetushouding oost-west georiënteerd.

Rond 2000 v. Chr. gaat de klokbekercultuur over in de wikkeldraadbekercultuur en begint de bronstijd.

Zie ookBewerken