Hoofdmenu openen
Sententie Van den Hoogen Krijghs-Raedt der Vereenighde Nederlanden, Jegens Moyses Pain & Vin, gewesene Collonel en Quartier-meester Generael, gepronuncieert tot Alphen den 23. Ian. 1673.

Moïse Pain et Vin (ook: Moyses) (ca. 1620 - Alphen, 23 januari 1673) was een Nederlands kolonel in dienst van de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Tijdens het rampjaar, 1672, was hij bevelhebber bij Nieuwerbrug. In de nacht van 27 december 1672 konden ca. 3500 Franse soldaten bij Zegveld en het riviertje De Meije de bevroren Hollandse Waterlinie oversteken.[1] Op 29 december 1672[2] vluchtten de Hollandse troepen onder leiding van Pain-et-Vin in paniek richting Gouda en Leiden.[1] Volgens een andere bron liet Pain et Vin zijn soldaten aan hun lot over.[3]

De Fransen plunderden ongestoord Zwammerdam en Bodegraven. Toen het vervolgens begon te dooien wilden de Fransen zich terugtrekken richting Utrecht, maar dat bleek niet meer mogelijk langs eerder genomen route. Omdat de Hollandse troepen waren gevlucht, konden de Fransen langs de dijken van Oude Rijn terug.[1] Terug in Woerden werden zij ingekwartierd en voerden zij een schrikbewind, met executies, plunderingen en uitbuiting van de bevolking.[4] Als Pain et Vin op zijn post zou zijn gebleven, meent men dat hij de Fransen, die in de val zaten, had kunnen tegenhouden.[5]

Kolonel Pain-et-Vin werd voor een krijgsraad te velde gebracht. Prins Willem III eiste uitdrukkelijk zijn doodvonnis,[2] hoewel de krijgsraad een lichtere staf geëist had, namelijk levenslang en verbeuring van zijn ambt en vermogen.[6] Pain-et-Vin werd onthoofd ("onthalsd") op 23 januari 1673.

Ondanks de lafheid van de kolonel werd een later klein fort bij Nieuwerbrug naar Pain et Vin genoemd.[7] Sommigen vinden dan ook dat Generaal Königsmarck meer blaam treft, omdat hij opdracht gaf tot terugrekking toen hij hoorde dat de Fransen, onder leiding van Luxembourg in aantocht waren.[8].

De doodstraf van Pain et Vin schijnt van niet geringe invloed te zijn geweest op de latere dapperheid die de legers van Willem III hebben getoond.[3]