Hoofdmenu openen
Inscriptie bij het standbeeld van John Marshall, United States Supreme Court Building.

Marbury v. Madison is een baanbrekend arrest uit 1803 van het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten, waarin het principe van de rechterlijke toets werd vastgelegd. De aanleiding voor de zaak betreft de betwiste benoeming van Mr. Marbury tot rechter, in de woelige overgangsperiode tussen de regering van president Adams en die van president Jefferson. Met een spitsvondig soort Salomonsoordeel wist het Hooggerechtshof, onder voorzitterschap van John Marshall, beide partijen tevreden te houden, maar vooral zijn eigen toetsingsbevoegdheid veilig te stellen in een arrest dat de geschiedenis is ingegaan als een van de hoekstenen van het staatsrecht in de Verenigde Staten.

De ZaakBewerken

John Adams, de tweede president van de Verenigde Staten, had de verkiezingen van 1800 verloren, zo bleek op 17 februari 1801. Op 4 maart 1801 zou de inauguratie van Thomas Jefferson tot derde president van de Verenigde Staten plaatsvinden. De federalistische president Adams, gesteund door het nog op zijn hand zijnde Congres, nam een nieuwe wet aan, de "New Judiciary Act" waarmee een aantal nieuwe rechtbanken werd geïnstalleerd waarvan het de bedoeling was dat die door federalisten zou worden gecontroleerd. Op 2 maart 1801, twee dagen voor zijn aftreden, benoemde Adams 42 federalistische rechters in deze rechtbanken. Op 3 maart 1801 keurde de Senaat de benoemingen goed.

President Jefferson beoordeelde 25 van de 42 benoemingen om procedurele redenen als ongeldig en gaf zijn minister van Buitenlandse Zaken James Madison opdracht om de benoeming van onder anderen William Marbury niet af te leveren.

Marbury richtte een verzoek om alsnog benoemd te worden rechtstreeks aan het Hooggerechtshof. Hij stelde dat op basis van Sectie 13 van de Judiciary Act van 1789 het Congres het Hooggerechtshof had gemachtigd om te beslissen over gerechtelijke benoemingen. Volgens zijn opvatting zou dat tot die tijd niet het geval zijn geweest. Deze Juridical Act is echter volgens de opperrechter John Marshall van een lagere orde dan de grondwet. In de grondwet artikel III staan de gevallen waarin het Hooggerechtshof jurisdictie heeft en die kunnen niet worden uitgebreid door een wet lager in rang. Een wet die dat wel doet is geen geldige wet en daarmee heeft hij toetsing van wetten aan de grondwet gerealiseerd.

Volgens Marshall heeft Marbury wel recht om op te komen voor zijn rechten en is daar ook wetgeving voor maar hij kan zijn klacht niet, althans niet via de Juridical Act van 1789, bij het Hooggerechtshof terecht.