Hoofdmenu openen

Luchtkwaliteit

mate van afwezigheid van luchtvervuiling
Luchtkwaliteit in ppm[1]
Sporen bij een luchtbehandelingssysteem
Meetstation

Luchtkwaliteit geeft de mate van afwezigheid van luchtvervuiling aan. Dit kan buiten, in de openlucht zijn, zoals gemeten wordt door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, of binnen, in een woning of gebouw. Luchtkwaliteit is afhankelijk van de aanwezigheid van stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid van mens en dier.

De Europese Unie heeft een richtlijn opgesteld waarin Europese normen voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht zijn opgenomen. Deze normen zijn overgenomen in Nederlandse wetgeving (Wet milieubeheer, titel 5.2) en zijn gebaseerd op aanbevelingen van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie). De Nederlandse overheid heeft in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) landelijke maatregelen opgenomen, die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en die op moeten wegen tegen de negatieve gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de aanleg van snelwegen. Het NSL is erop gericht om overal in Nederland aan de luchtkwaliteitseisen te voldoen. Omdat dit niet mogelijk was binnen de gestelde termijn die de richtlijn biedt, fungeert het NSL ook als onderbouwing van het verzoek aan de Europese Commissie om uitstel van de Europese normen te verkrijgen.

Bronnen van luchtverontreiniging zijn onder andere de industrie, verkeer en intensieve landbouw. In Nederland doen de grootste knelpunten zich voor bij stikstofoxiden (NOx) en fijn stof (PM10).

Inhoud

GezondheidseffectenBewerken

Een gebrek aan goede luchtkwaliteit kan leiden tot acute kortdurende gezondheidsklachten (irritatie van de luchtwegen) of tot chronische aandoeningen, zoals astma. In 2006 waren bijvoorbeeld fijnstof en ozon verantwoordelijk voor 1 tot 2% van de totale sterfte in Nederland en voor 1 tot 3% van de spoedopnamen voor long-, hart- en vaataandoeningen.[2]

Luchtkwaliteit op Nederlandse scholenBewerken

Als indicator voor luchtkwaliteit binnen scholen wordt de hoeveelheid koolstofdioxide gemeten. Deze wordt gemeten in deeltjes CO2 per miljoen deeltjes lucht. De aanduiding is parts per million ppm. Een nieuw schoolgebouw moet niet meer dan 500 ppm CO2 in het gebouw hebben, terwijl de streefnorm voor een bestaand schoolgebouw 650-800 ppm CO2 is. Het absolute maximum is 1200 ppm CO2.

Tachtig procent van de Nederlandse scholen voldoet niet aan de streefnorm. Voor de leerlingen en docenten kunnen de gevolgen van een te slechte luchtkwaliteit zich uiten in gezondheidsklachten.

Air Quality Index (AQI) en Luchtkwaliteitsindex RIVMBewerken

Om het verloop van de luchtvervuiling op een plaats in de gaten te houden, is de Air Quality Index ingevoerd, die een grove aanwijzing kan geven voor de schadelijkheid van de plaatselijke luchtvervuiling. Voor een aantal vervuilende stoffen en soorten fijnstof worden eerst normen bepaald, waarmee de ter plaatse gemeten concentraties vergeleken worden, die gemiddeld zijn over een uur, een dag of een jaar. Dit levert voor elk type vervuiling een index op (meetwaarde/norm x 100 %). De Air Quality Index wordt gevonden door als eindresultaat de index voor de plaatselijk meest vervuilende stof over te nemen. De zes vervuilende soorten gas en stofdeeltjes die meestal gemeten worden zijn ozon (O3), stikstofdioxide (NO2), zwaveldioxide (SO2), koolmonoxide (CO) en deeltjes fijnstof PM10 (doorsnee kleiner dan 10 micrometer) en PM2.5 (kleiner dan 2,5 micrometer). Verder kan een maat voor verminderde zichtbaarheid gebruikt worden.[3] In Europa werden O3, NO2 en PM10 gebruikt met plannen voor SO2, CO en PM2.5 in de Common Air Quality Index (CAQI, 2012)[4][5]. De waardering van de (C)AQI is: 0-25 heel laag, 25-50 laag, 50-75 gemiddeld slecht, 75-100 slecht, >100 heel slecht. Bijvoorbeeld in Utrecht zijn er drie meetpunten met AQI's met uurgemiddelden op 20 juni 2019 om 11:00 uur van 65 (Kardinaal de Jongweg, matig slecht), 16 (Erzeijstraat, goed) en 64 (Griftpark, matig slecht).[6]Het meetpunt voor het Vondelpark in Amsterdam gaf toen een waarschuwing: een AQI van 148 (ongezond voor gevoelige groepen) door een piek in fijnstof PM10[7]

Het Luchtmeetnet[8] van onder meer het RIVM geeft een landkaart met grafieken voor de concentraties bij de Nederlandse meetstations. In een rapport[9] hanteert het RIVM een andere index dan de AQI, namelijk voor ozon, stikstofdioxide (NO2) en fijnstof PM10 en PM2,5 en een waarde (1-10) voor het gezondheidseffect van de (slechte) luchtkwaliteit.

Verbeteren van de luchtkwaliteitBewerken

Het milieubeleid gaat uit van drie sporen waarop ongewenste milieusituaties kunnen worden verbeterd:

  • bronmaatregelen
  • maatregelen in het overdrachtsgebied
  • maatregelen bij de ontvanger

In Nederland worden in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit generieke en locatiespecifieke maatregelen vastgesteld die ervoor moeten zorgen dat aan de Europese grenswaarden wordt voldaan, ondanks het negatieve effect van ruimtelijke ontwikkelingen.

BronmaatregelenBewerken

Bij bronbeleid wordt beoogd de uitstoot van schadelijke stoffen direct aan te pakken. Het effect van bronmaatregelen hangt sterk af per stof; maatregelen die de uitstoot van motoren van auto's beoogt schoner te maken, hebben bijvoorbeeld meer effect op stikstofdioxide dan op fijn stof.

Voorbeelden van bronmaatregelen zijn:

Maatregelen in het overdrachtsgebiedBewerken

Maatregelen in het overdrachtsgebied zorgen ervoor dat de schadelijke stoffen niet, minder snel of in kleinere hoeveelheden in gebieden terecht kan komen waar deze schade voor de gezondheid kunnen veroorzaken. Deze maatregelen verkleinen de uitstoot zelf niet. Maatregelen in de overdrachtssfeer worden voornamelijk toegepast langs snelwegen.

Voorbeelden van maatregelen in de overdrachtssfeer zijn:

  • Hogere schoorstenen bij fabrieken om de verspreiding van schadelijke stoffen te beïnvloeden;
  • schermen (zogeheten 'luchtkwaliteitsschermen') - dit kunnen standaard geluidschermen zijn, maar kunnen ook specifiek op luchtverontreiniging zijn gedimensioneerd;
  • vergroting van de afstand tussen de weg en de plaats waar blootstelling plaatsvindt, bijvoorbeeld door het verleggen van fietspaden.

Maatregelen bij de ontvangerBewerken

Mogelijke maatregelen bij de ontvanger (bv. weggebruikers of aan woningen of gebouwen) zijn beperkt, en hebben voornamelijk betrekking op isolerende maatregelen of luchtverversingsinstallatie. Effectievere maatregelen in deze categorie hebben betrekking op de ruimtelijke ordening. Zo kan bij de planning van functies voor gevoelige personen rekening worden gehouden met de afstand tot vervuilende activiteiten, zoals een weg of bedrijventerrein.

Externe linksBewerken