Hoofdmenu openen
Vrouw in klederdracht Spakenburg

De klederdracht van Spakenburg is een klederdracht die gedragen wordt in Spakenburg en Bunschoten. Er waren in 2015 nog ca. 200 vrouwen die deze klederdracht dragen, in 2005 waren dat er nog 600.[1] De meeste van de vrouwen die de klederdracht dragen zijn ouder dan 65 jaar. Het aantrekken van de kleding is zeer bewerkelijk.[2]

Inhoud

Haardracht en mutsBewerken

Het lange haar wordt naar voren geborsteld, getoupeerd en daarna achterovergeslagen, zodat een rol haar ontstaat, de kuuf. Het haar wordt met strikken vastgemaakt. Achterop het hoofd, bovenop het gestrikte haar, dragen de vrouwen een mutsje in de vorm van twee halve cirkels, de ongermus. Het mutsje wordt gehaakt met zeer dun garen in een motief dat vaak door de vrouw zelf ontworpen is. Onder het witte mutsje, wordt een zwart mutsje gedragen, zodat het witte haakwerk mooi uitkomt. Het haken van een muts is bijzonder arbeidsintensief, en kan wel honderd uur per mutsje vergen.

Vroeger werd het haar volledig bedekt en droeg men bijvoorbeeld een gebreide ongermus.

BovenlijfBewerken

KraplapBewerken

Het bovenlijf is het meest opvallende deel van de klederdracht. Het bestaat uit een grote zeer stijf gesteven kraplap, die als een soort schild over de borst, schouders en rug wordt gedragen. De kraplap is rechthoekig, met een gat erin om het hoofd doorheen te steken.[1] De kraplap moet elke dag opnieuw gestreken worden, waarbij er ook een glanslaag op wordt aangebracht. De kraplap wordt op zijn plaats gehouden met diverse hulpmiddelen, linten, koordjes, veiligheidsspelden of gewone spelden. De stof van de kraplap is bedrukt katoen met bloemenpatroon, waarvan de vormgeving en kleuren vrij zijn. In de zware rouwperiode, kort na een sterfgeval, worden eerst zwarte, daarna donkerpaarse kleuren gebruikt, na een jaar of 5 een lichtere kleur paars. Weduwen dragen de lichtere paarse stof permanent, tenzij ze hertrouwen. Er wordt voor de kraplap soms antieke stof gebruikt, die met de hand beschilderd is, sits genoemd. De gebruikte stoffen kunnen nog door in de VOC-tijd zijn geïmporteerd uit India.

De kraplap is modegevoelig. In de loop van de jaren is de kraplap breder geworden en stijver gestevend. De huidige vorm is ontstaan in de twintigste eeuw.[3] De kraplap heeft zich ontwikkeld uit onderkleding.

 
Foto door Adriaan Boer (1875 – 1940) van een vrouw in klederdracht met 3 kinderen. Deze vrouw draagt de traditionele sjaal om de hals en het haar is volledig bedekt, zoals voorheen het geval was.

VoorlijfjeBewerken

Het voorlijfje bestaat traditioneel uit geruite stof. Oorspronkelijk was het een grote lap die om de hals werd geslagen en hoog vastgespeld. Daarvoor was hulp van een andere vrouw, veelal een buurvrouw, nodig. Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog textiel erg schaars werd, stapte men over op twee losse rechthoekige lappen, een smalle op de rug, de andere die breder is voor de borst. De lappen worden tot dicht onder de kin vastgespeld aan de kraplap. Omdat dit tevens minder bewerkelijk is dan de traditionele sjaal, gebruikt men nog steeds de rechthoekige lappen. Op feestelijke gelegenheden draagt men nog de grotere sjaal.

MouwenBewerken

De mouwen zijn los van van het lijfje. 's zomers worden korte mouwen gedragen, 's winters langere, van wol.

RokBewerken

De bovenkant van de rok is gemaakt van kleurrijke geruite stof, de onderzijde is donkerblauw. Als de rok in de was moet, worden de delen losgehaald, omdat de blauwe stof afgeeft. Na het wassen worden beide delen weer met kleine steken aan elkaar genaaid. De vrouwen maken geen grote steken om snel klaar te zijn, dat zou als luiheid gezien worden.

 
Vrouw in klederdracht op de fiets, met geruit schort.

SchortBewerken

Bij het (huishoudelijk) werk wordt de klederdracht gewoon gedragen. De vrouw draagt dan een schort, sjulk genoemd, van rood geruite stof. Traditioneel leefde men in Spakenburg van de visserij. Bij het verwerken van de vis door vrouwen wordt een leren schort gedragen over de klederdracht.

JakBewerken

In de winter wordt een kort jak gedragen, dat nauwelijks dikker is dan de bovenkleding. De vormgeving is vastgelegd, maar de gebruikte stof is vrij, maar over het algemeen donker. In de rouw is de kleur paars.

SchoenenBewerken

Meestal werden klompen gedragen. Nette schoenen waren voorzien van een zilveren gesp.

 
Vrouwen met zes kinderen in Bunschoten

KinderenBewerken

Kleine kinderen dragen, jongen of meisje, een rok. Pas als de jongens zindelijk zijn gaan ze een broek dragen. De mouwen zijn los. Schoolgaande meisjes dragen een zwarte muts met een soort bontrand, pluummuts genoemd.[4] Jongens en kleinere kinderen dragen een zogeheten klapmuts van textiel, strak om het hoofd. Oudere jongens dragen ook wel een pet of (stro)hoed.

Boven de kleding wordt door meisjes een geruiten schort gedragen, liefiesjullik genoemd.

Zie ookBewerken