Fort Frederick

fort in Sri Lanka

Fort Frederick is gebouwd door de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Ceylon, dat nu Sri Lanka heet. Het staat op een rotsachtig schiereilandje, dat richting zee steeds hoger oploopt naar een uitkijkpunt, dat de Nederlanders Pagoodsberg noemden en dat nu Swami Rock heet. De Hindoe tempel die hier stond is rond 1622 door de Portugezen afgebroken, waarna de stenen werden gebruikt om een driehoekig fort te bouwen ter verdediging van de kust tegen de VOC. Deze veroverde het echter in 1639, waarna ook het fort werd afgebroken. De resten van het fort werden rond 1660 weer gebruikt om op dezelfde plek, daar waar het schiereiland aan de kust vast zit, een nieuw fort te bouwen.

Fort Trincomalee
Fort Frederick
Locatie Trincomalee, Sri Lanka
Coördinaten 8° 35′ NB, 81° 14′ OL
Algemeen
Type Bastionvesting
Gebouwd in 1666
Gebouwd door VOC
Bastions Zeeburg en Amsterdam
Plattegrond van Fort Trincomalee uit 1782, gemaakt door de Fransen bij hun kortstondige bezetting

In de VOC tijd werd het fort afwisselend Fort Trinkonomale en Fort Tricoenmale genoemd. Sinds de Britse tijd wordt dat gespeld als Trincomalee. De naam is afgeleid van de naam van de rots waar de tempel, de Thirukonesvaram tempel, stond: Thirukonamale in het Tamil.[1] Fort Frederick is de naam die de Britten er aan gaven na de overname van Ceylon. Francois Valentijn, die rond 1700 schreef, noemde het een mooi fort, goed bevoorraad en met vier goede bolwerken, dat echter af en toe verlaten wordt omdat het voornamelijk diende om 'anderen' daar weg te houden.[1]

De baai van Trincomalee is een ideale diepwater haven, bijna als een meer, met een smalle uitgang naar zee. Veruit superieur aan die van Colombo en Galle. Hij is bovendien zeer strategisch gelegen op de route naar India en Oost-Azië. Deze belofte is echter nooit waar gemaakt. Trincomalee is altijd een buitenpost gebleven.

Het fort heeft een vierkante vorm, waarbij de oplopende rots aan de noord-oostelijke kant een natuurlijke vierde zijde vormt. Het grootste bastion is Zeeburg, dat op de plek staat van het Portugese St. Jago bastion, en zowel het land als de zee van wat destijds de Noorder Baai was en nu Back Bay heet bestrijkt. Een muur loopt dwars over het schiereiland naar bastion Amsterdam, aan de kust van wat toen de Zuider Baai was en nu Dutch Bay heet. Langs Back Bay loopt van Zeeburg een muur naar een kleiner bastion met een opstelplaats voor geschut, genaamd de Cavalier of ook wel de Kat. In de muur is een kleine waterpoort. In het verlengde van de Cavalier is nog een vierkant redoute. Aan de andere kant loopt de muur van Amsterdam naar bastion Enkhuizen, met er tussen de landpoort, waarop het jaartal 1675 staat. De muur loopt vervolgens door naar waar de rots hoger wordt. Hier bevindt zich een klein, vierde bastion: Het Portugese Punt genaamd, en later bastion Holland. Binnen het fort zijn diverse gebouwen, in goede staat verkerend, deels uit de Nederlandse en deels uit de Britse tijd, een exercitieterrein, veel bomen en hier en daar grafstenen van VOC medewerkers en hun familie.

Het fort is toegankelijk voor bezoekers, en ook de begin 60'er jaren herbouwde Hindoe tempel op Swami Rock is te bezichtigen.

GeschiedenisBewerken

Raja Singha II, koning van het rijk van Kandy in het binnenland van Ceylon, vroeg in 1636 per brief de Nederlandse gouverneur van Coromandel om de Portugezen te verjagen van het eiland. In 1602 had zijn voorganger, Vimala Dharma Suriya I, al eens contact gehad met de VOC in de vorm van de expeditie naar Kandy van Joris van Spilbergen, maar na de rampzalige tweede expeditie onder Sebald de Weert, die met zijn manschappen aan het hof vermoord werd, waren de contacten verbroken. Deze keer verliep het anders. Na goedkeuring vanuit Batavia voer een Nederlandse vloot onder Adam Westerwoldt, na voor Goa een Portugese vloot verslagen te hebben, naar Ceylon. In 1638 veroverde hij het fort van Batticaloa aan de oostkust in ruil voor twee scheepsladingen kaneel, waarna een vriendschapsverdrag werd gesloten waarbij de VOC handelsrechten kreeg en beloofde verder te vechten tegen de Portugezen.

In 1639 arriveerde een nieuwe vloot onder Antonie Caen. Samen met het garnizoen van fort Batticaloa onder Willem Coster, werd het ten noorden daarvan gelegen fort Trincomalee aangevallen. Nadat troepen en kanonnen aan land waren gezet in wat nu Dutch Bay heet, kostte het ongeveer een week voordat het sterkste bastion aan de landzijde, St. Jago, dermate beschadigd was dat het fort onverdedigbaar was geworden en de Portugezen zich overgaven. Beide forten werden overhandigd aan Raja Singha en afgebroken. Coster leidde een jaar later de verovering van Galle, maar ook hij werd na een bezoek aan het hof van Kandy vermoord.

Rond 1660 besloot de VOC op dezelfde plekken nieuwe forten te bouwen, voornamelijk ter bewaking van Ceylon tegen een inval door Britse en Franse concurrenten 'via de achterdeur'. De baai bij Trincomalee is weliswaar een grote, strategisch gelegen, perfecte natuurlijke haven, waar vele schepen het hele jaar konden liggen, maar de specerij kaneel groeide voornamelijk op het tropische, zuidwestelijke deel van het eiland. Het oosten heeft een droog klimaat, was dun bevolkt en leverde te weinig handelsproducten die voor de VOC interessant waren. De verbinding over land met het westen was erg slecht. Afhankelijk van het ingeschatte risico op invallen werd het fort daarom wisselend bemand en onderhouden.

 
Het fort, het stadje en de Inner Harbour

In 1672, het rampjaar, probeerde de nieuw opgerichte Franse Oost-Indische Compagnie (met als hoofd de ex-VOC directeur François Caron, die bekend was met Ceylon en in 1644 nog Negombo had veroverd) in Trincomalee zijn 'Batavia' te vestigen. Een vloot met 3000 á 4000 soldaten, het 'Escadre de Perse', landde op Kottiyar, aan de overkant van de baai, en een ambassadeur werd met gevolg naar het hof van Kandy gestuurd. Onderhandelingen met Raja Singha verliepen echter niet voorspoedig. Zijn hele gezelschap kreeg zweepslagen en de ambassadeur werd opgesloten (zijn nageslacht leeft nu nog in Sri Lanka).[2] Vier maanden later werd de Franse legermacht verjaagd door honger, ziekte en een vloot van gouverneur van Goens uit Colombo.

Begin 18de eeuw werd onder gouverneur Hendrik Becker als extra versterking een klein maar zwaar bewapend fort met de naam Oostenburg gebouwd op een hoogte bij de ingang van de grote baai (nu Inner Harbour genoemd) iets verderop. Deze plek heet nu Ostenburg Point, maar het fort is er niet meer. In de 18de eeuw bleef het economisch belang van Trincomalee gering. Niettemin had het wel zijn eigen Raad van Justitie, naast die van Jaffna en Galle.[3]

In 1782, tijdens de Vierde Engelse Oorlog, grepen de Britten hun kans om de strategische plek te veroveren. Ze stuurden bovendien een missie naar Kandy om de koning er toe te bewegen zich tegen de Nederlanders te keren, maar die weigerde dat.[4]

Kort daarna veroverden de Fransen het fort weer op de Britten. Zowel Frankrijk als de Republiek hadden in de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog de kant van de Amerikanen gekozen, en waren in oorlog met de Britten. Het fort werd bij deze overnames slechts licht beschadigd. Bij het verdrag van Parijs in 1783/84 kwam het weer terug in Nederlandse handen, hoewel de VOC een hoge vergoeding aan de Fransen moest betalen voor de gemaakte kosten.

In 1795, toen de Republiek bezet was door de Fransen in de Eerste Coalitieoorlog, namen de Britten het fort weer in en deze keer permanent. Van strijd was geen sprake. Er was in Ceylon grote verwarring over de situatie in het thuisland, en of men de Britten nu als bondgenoten of als vijanden moest zien. Die verwarring werd nog groter nadat in Nederland de Bataafse Republiek was uitgeroepen.

Bij de vrede van Amiens in 1802 werd heel Ceylon definitief aan Groot-Brittannië afgestaan. De Britten hernoemden het fort naar Fort Frederick en hielden het tot de onafhankelijkheid van Sri Lanka militair bemand. Ondanks grootse plannen in de 19de eeuw om van Trincomalee naast Bombay een rendez-vous voor de Aziatische handel te maken, en zelfs om het bestuur van Ceylon er naar toe te verplaatsen vanuit Colombo, kwam daar niets van terecht.[4]

In later tijd nam het belang van de haven voor moderne schepen steeds verder af. In de tweede helft van de 20ste eeuw was het gebied regelmatig het toneel van gevechten tussen het Sri Lankaanse leger en de LTTE, zodat er weinig ontwikkeling heeft plaats gevonden. Maar hoewel het stadje dat buiten het fort ligt in die tijd zwaar beschadigd is, is het fort zelf buiten schot gebleven.

GalerijBewerken

LiteratuurBewerken

  • Nelson, W.A. (1984). The Dutch Forts of Sri Lanka: The military monuments of Ceylon. Edinburgh, Cannongate, ISBN 0862410622
  • Arasaratnam, Sinnappah (1978). Francois Valentijn's Description of Ceylon. Translated and edited by Sinnapah Arasaratnam. London, The Hakluyt Society, ISBN 0904180069
  • R. K. De Silva and W. G. M. Beumer. (1988). Illustrations and Views of Dutch Ceylon, 1602–1796: A Comprehensive Work of Pictorial Reference with Selected Eye-Witness Accounts. Leiden: E. J. Brill; London: Serendib Publications, ISBN 0951071017
  • Arasaratnam, Sinnappah (1988). Dutch Power in Ceylon 1658-1687. New Delhi, Navrang. ISBN 8170130574.
  • Brohier, R.L. (1978). Links between Sri Lanka and the Netherlands: A book of Dutch Ceylon. Colombo, The Netherlands Allumni Association of Sri Lanka. ASIN B000EW8330
  • Pieris, P.E. (1918) Ceylon and the Hollanders 1658-1796. Herdruk New Delhi, Asian Educational Services (1999). ISBN 8120613430