Drievoudige schuld

De drievoudige schuld (Sanskriet: ṛṇatraya of ṛṇa-traya) is de brahmaanse doctrine dat iedere tweemaal-geborene (dvija) bij geboorte drie schulden heeft – aan de goden, aan de zieners en aan de voorouders. Deze schulden kunnen worden ingelost door yajna (offers), door de voortplanting en door de studie van de Veda's, de drie centrale thema's van dharma voor een dvija.

Binnen het asrama-systeem is het gezinshoofd (grhastha), de enige die de drievoudige schuld in kan lossen, doordat deze de enige is die een zoon kan krijgen. Dit maakt de grhastha de centrale figuur in het vedische leven.

Opmerkelijk is dat de oudere doctrine van de drievoudige schuld ingaat tegen de nieuwere doctrine van karma. Waar bij de laatste de uitkomst afhankelijk is van de daden, ligt deze bij de eerste vast.[1]

SchuldBewerken

Schuld speelt al in de Rig-Veda een rol. Hier worden rituele verplichtingen als gevolg van schuld genoemd, maar hoewel de beschrijvingen dusdanig zijn dat er sprake lijkt te zijn van een bestaand gebruik, is pas later de systematische formulering van schuld te vinden in de doctrine van de drievoudige schuld.

Zo ontwikkelde zich een schuld die men heeft vanaf de geboorte en die toekomt aan Yama, een schuld aan de dood. Met offers koopt men zichzelf terug van de dood.[2]

Niet alleen offers, maar ook het krijgen van een zoon kan de schuld dan wel opheffen, dan wel overdragen naar de zoon.[3] In latere tradities werd laatste interpretatie aangehangen.

Drievoudige schuldBewerken

Ascetische bewegingen stonden afwijzend tegenover de brahmaanse offerrituelen en mogelijk in een reactie hierop begon de ontwikkeling van wat Malamoud de theologie van schuld noemde. De eerste vermelding van de doctrine van de drievoudige schuld is te vinden in de Taittiriya-Samhitadeva-rna aan de goden, rsi-rna aan de rsi's en pitr-rna aan de voorvaderen.[4]

In de Satapatha-Brahmana wordt echter een vierde toegevoegd, de schuld van gastvrijheid aan anderen.[5]

De schuld is voldaan door het krijgen van een zoon, offers te brengen, de Vedas te bestuderen en aanvullend bij de Satapatha-Brahmana door gastvrijheid te verlenen.

In latere teksten wordt de drievoudige schuld ook genoemd, maar in de Dharmasoestra's slechts in Baudhayana-Dharmasoetra en Vasistha-Dharmasoetra. Baudhayana gebruikt het in zijn argumentatie tegen het asrama-systeem met zijn vier levenswijzen. Aangezien van deze vier slechts een levensvorm nageslacht voort kan brengen, zijn de andere volgens hem geen vedische manier van leven, aangezien daarmee de schulden niet ingelost kunnen worden.[6] Hoewel Vasistha het asrama-systeem accepteerde, gebruikte hij een gelijksoortige argumentatie om het gezinshoofd aan te wijzen als levensvorm die de voorkeur verdient.

In de Manusmriti of Manava-Dharmasastra daarna is het asrama-systeem een gegeven en wordt de bevrijding van de schulden gezien al voorwaarde om een volgende asrama te beginnen.[7] De drie schulden worden hier slechts terloops genoemd waarbij de inlossing hiervan als voorwaarde geldt om het stadium van wereldverzaker in te gaan.[8] De schuld aan de voorvaderen kan volgens de Manava-Dharmasastra slechts door de eerstgeboren zoon (dharmaja) ingelost worden en niet door de zonen daarna (kamaja).[9] Andere teksten zijn hier niet zo uitgesproken over.

Ook de Mahabharata benoemt de schulden, maar hier zijn het er de ene keer drie, zoals bij de asceet Mandapala die ondanks zijn verder deugdzame leven alleen door een zoon van de hel genaamd Put (kinderloos) gered kan worden,[10] dan weer vier,[11][12] en soms zelfs vijf.[13] Naast de eerdere vier geldt hier dus ook een schuld aan de brahmanen.

Vergelijkbaar met de Mahabharata wordt ook in de Manava-Dharmasastra gesteld dat het krijgen van een zoon iemand red van de hel Put.[14]

LiteratuurBewerken

  • Olivelle, P. (1993): The Āśrama System. The History and Hermeneutics of a Religious Institution, Oxford University Press
  • Sayers, M.R. (2008): Feeding the Ancestors. Ancestor Worship in Ancient Hinduism and Buddhism, ProQuest

NotenBewerken

  1. Zo ook is het ritueel sraddha met zijn eeuwige hemel nog steeds populair, ondanks de doctrine van de reïncarnatie
  2. Right from birth man is born as a debt to death. When he sacrifices, as Suparnin did, he buys himself back from the gods. He buys himself back from death. Satapatha-Brahmana (3.6.2.16)
  3. The father who sees his face of his son born living pays a debt in him and become immortal. Aitareya-Brahmana (7.13)
  4. A Brahmin, at his very birth, is born with a triple debt—of studentship to the seers, of sacrifice to the gods, of offspring to the fathers. He is, indeed, free from debt, who has a son, is a sacrificer, and who has lived as a student. This (debt) he satisfies (avadayate) by these cuttings (avadana). That is how the cuttings get their name. Taittiriya-Samhita (6.3.10.5)
  5. Now, whoever exists is born indeed as a debt at his very birth to the gods, to the seers, to the fathers, and to men. Because he has to sacrifice, he is born as a debt to the gods; and he pays it to them when he sacrifices to them and when he makes offerings to them.
    Because he has to study the Veda, furthermore, he is born as a debt to the seers; and he pays it to them, for they call a person who has studied the Vedas "the guardian of the seers' treasure."
    Because he has to desire offspring, furthermore, he is born as a debt to the fathers; and he pays it to them when he has children that provide the continuity of their lineage. Because he has to provide shelter, furthermore, he is born as a debt to men; and he pays it to them when he offers them shelter and food.
    Whoever does all these things, has done what he has to do; he obtains everything, and he conquers everything. So, because he is born as a debt to the gods, he satisfies (avadayate) them when he sacrifices and when he makes offerings in the fire. Therefore, whatever they offer in the fire is called avadana [the portion cut for sacrificial offering]. Satapatha-Brahmana (1.7.2.1-6)
  6. There is, however, only a single order of life, the teachers maintain, because no offspring is produced in the others. Baudhayana-Dharmasoetra (2.11.27)
  7. After he has freed himself according to the rules from his debts to the great seers, ancestors, and gods, he should hand over everything to his son and live in complete equanimity. Manava-Dharmasastra (4.257)
  8. Only after he has paid his three debts, should a man set his mind on renunciation; if he devotes himself to renunciation without paying them, he will proceed downward. Manava-Dharmasastra (6.35)
  9. That son alone on whom he throws his debt and through whom he obtains immortality is begotten in fulfillment of the Law [dharmaja]; others they consider the offspring of desire [kamaja]. Manava-Dharmasastra (9.107)
  10. The gods said, “Listen, Brahmin, to that by which men are born indebted, without a doubt: by rites, by being a brahmacarya, and by offspring. One acquits oneself of all these with sacrifice, with austerity, and with sons. You are an ascetic and a sacrificer, but you have no offspring; These worlds are closed to you because of this matter of offspring. Generate offspring and you will enjoy the eternal worlds. A son saves his father from the hell called Put, O sage. Therefore, O best of twice-borns, you should work for an uninterrupted series of offspring.” Mahabharata (1.220.11-14)
  11. Men are born on the earth burdened with four debts, which are to be paid to the Pitrs, the gods, the Rsis, and to men, by hundreds of thousands. Mahabharata (1.111.12)
  12. … A mortal is born bearing a debt, therefore he should attain to be debt free by reciting the Veda for the Rsis, by the act of sacrificer for the gods, by giving a sraddha for the Pitrs, and by praise of men. Mahabharata (12.281.9-10)
  13. Having set oneself free from the five-fold debt: to the gods, the Rsis, the Pitrs, Brahmins, and guests. Mahabharata (13.37.18)
  14. Through a son a man gains the worlds; through a son’s son he obtains eternal life; but through a son’s grandson he attains the crest of the sun. The Selfexistent One himself has called him “son” (putra) because he rescues (trā) his father from the hell named Put. Manava-Dharmasastra (9.137-138)