Hoofdmenu openen

Carel Frederik Wesselman (1746-1825)

Belgisch politicus
Familiewapen Wesselman

Carel Frederik Wesselman (Beekbergen, 12 april 1746[1] – Kasteel Helmond, 25 januari 1825) was (na koop) heer van Helmond van 17811825. Hij was de zoon van Peter Wesselman en Hendrina Pluym. Op 2 februari 1770 trouwde hij met Anna Sebilla Wilhelmina Plencker (1740–1817).[1] Het echtpaar kreeg vier kinderen, onder wie jhr. mr. Carel Frederik Wesselman (1780-1853) die hem als heer van Helmond opvolgde.

JeugdBewerken

Carel Frederiks vader was van Duitse komaf en protestant. Hij was een der grootgrondbezitters op de Veluwe. Carels moeder was de dochter van een kolenbrander te Klarenbeek[1]. Deze begon in 1732 een kopermolen, alwaar Carel ook geboren is. De ouders van Carel Frederik waren dus welgesteld.

Op 16-jarige leeftijd ging hij naar Amsterdam om opgeleid te worden tot essayeur[1]. Op 26 maart 1767 ontving hij het diploma en op 7 februari 1777 werd hij beëdigd als muntmeester van de Rijksmunt te Utrecht.[1]

Wesselman verdiende echter ook geld met de slavenhandel. Zijn schepen vervoerden slaven van West-Afrika naar Amerika. Ook had hij een plantage in Suriname waar 147 slaven werkten.

In 1777 werd de Oeconomische Tak van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen opgericht,[1] een beweging van patriottisch gezinde burgers die de nijverheid wensten te stimuleren om aldus de armoede te bestrijden. Wesselman raakte hierbij nauw betrokken. Een van de middelen daartoe werd gezocht in een verbeterd landbouwbeleid, waarvoor ook allerlei woeste gronden rendabel konden worden gemaakt. Dat bracht Wesselman mede ertoe om in 1781 de heerlijkheid Helmond van de familie Van Arberg te kopen, en in 1783 ging hij er wonen met zijn gezin[1] .

Heer van HelmondBewerken

Carel Wesselman wilde de heerlijke rechten die bij dit bezit hoorden, waaronder het jacht- en visrecht, weer in alle strengheid herstellen. Ze waren de afgelopen decennia min of meer in vergetelheid geraakt. Hij stelde ter handhaving daarvan, een aantal jagers aan. Dit alles leidde op 26 mei 1785 zelfs tot een vuurgevecht met een drietal "illegale" vissers in de Aa, waarbij één van dezen gewond raakte. Deze persoon, Diederik Huygens, wist niettemin zijn belagers te verjagen. Nu was hij een volksheld en hij hitste het volk op zodat men op 29 juni in groten getale naar de Ameide trok en daar netten uitwierp. De opgetrommelde sterke arm werd met stenen verdreven.

Daarna diende men een verzoekschrift in bij de Hoge Raad in Den Haag, waarin Wesselman een schrikbewind en de protestantse schepenen onbekwaamheid werd verweten. Bij wijze van compromis stelde Wesselman toen drie katholieke schepenen aan. Maar na de patriottische nederlaag in 1787 en het vernietigend oordeel van het gerecht aangaande het verzoekschrift in 1789, werden dezen weer door protestanten vervangen.

OndernemerBewerken

In 1794 kwamen de Fransen en werd het Ancien Régime, en daarmee de heerlijke rechten, afgeschaft. Carel Wesselman ging zich nu op de verbetering van de gronden richten en stortte zich ook op het industriële ondernemerschap: hij stichtte een weverij voor wollen stoffen op zijn terrein. In 1811 werd namelijk de firma Wesselman, Bogaers en Sanders opgericht, die later als firma Bogaers bekend zou staan. Voorts ijverde hij actief voor het bevaarbaar maken van de Aa, hetgeen uiteindelijk leidde tot de aanleg van de Zuid-Willemsvaart. Door Wesselmans bemoeienis kwam de Zuid-Willemsvaart vlak langs het kasteel te lopen. In 1823 kwam het gedeelte van 's-Hertogenbosch tot Helmond gereed.

Stephanus Hanewinkel kenschetste hem als volgt: Hij is met roem bekend als een liefhebber en een uitmuntend verbeteraar van den landbouw; niemand in de Meierij overtreft hem hierin. Zijn plannen bestonden uit het van voor naar achter weg graven van de turf in de Peel. De turfschuiten zouden als retourvracht de uitwerpselen uit de Hollandse steden aan moeten voeren.[1] Die konden dan als meststof dienen om het ontveende gebied voor landbouw geschikt te maken. Wesselman stelde daartoe een Peelplan op dat echter niet is uitgevoerd vanwege de politieke situatie, het gebied werd in 1810 bij Frankrijk ingelijfd. Vanaf 1805 tot zijn dood had hij zitting in de Commis­sie van Landbouw voor het Departement Brabant.[1]