Hoofdmenu openen

De bevolking van China bestaat uit 1382 miljoen personen (2017). De bevolking bestaat voor circa 92% uit Han-Chinezen en minderheden vertegenwoordigen de overige 8% van het totaal. De Volksrepubliek China is de natie met de grootste bevolking van de wereld en met een oppervlakte van 9.596.961 km² is het land derde qua oppervlakte (na Rusland en Canada[1]).

GroeiBewerken

 
Bevolking naar geslacht en leeftijd per 30 juni 1953
 
Piramide per 1 november 2010

De totale bevolking is sinds 1950 ruimschoots verdubbeld. Sinds 1979 voert het land een eenkindpolitiek om de bevolkingsgroei af te remmen. Dit beleid houdt in dat ieder koppel slechts één kind mag krijgen; het krijgen van een tweede kind is strafbaar. Op deze algemene regel bestaan uitzonderingen, zo mogen boeren meer kinderen krijgen. Het beleid heeft effect gehad. Het geboortecijfer lag in 1978 op 18,25 promille en dit was gedaald naar 17 in 1996 en in 2013 lag het op 12 per 1000.[2] Het sterftecijfer in de periode 1978 en 2014 lag tussen de 6 en 7 promille waarmee het geboorteoverschot is gedaald van 12 promille naar 5 promille in 2013.[2]

Door de groeivertraging die is opgetreden is de bevolkingspiramide sterk veranderd in de laatste decennia. In 1953 duidt de brede basis op een groot aantal kinderen, maar versmalt snel doordat dat veel mensen in latere leeftijdsklasse sterven. In 2010 is de vorm duidelijk gewijzigd, de smalle basis wijst op relatief weinig kinderen en jonge mensen, en weinig verandering in de bevolkingsgrootte tussen opeenvolgende leeftijdsgroepen. Er is weinig sterfte in de latere leeftijdsklassen.

Verder is in de piramide van 2010 is een opvallende terugval in het aantal inwoners te zien rond de leeftijd van 50 jaar. Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts (1958-1961) werden veel mensen en middelen uit de landbouw naar de industrie gedirigeerd. De landbouwproductie daalde fors met een grote hongersnood en een hoge sterfte tot gevolg. De schattingen van het aantal Chinezen dat is omgekomen ligt tussen de 14 en 45 miljoen.

Opvallend is de relatief stabiele verhouding tussen jongens en meisjes, deze ligt in beide jaren, en in de tussenliggende periode ronde de 51,5% voor jongens en 48,5% voor meisjes. In het laatste decennium is wel een verschuiving zichtbaar. Volgens de Verenigde Naties werden in China 120 jongens per 100 meisjes geboren in de periode 2005–2010.[3] Het wereldgemiddelde ligt op 107 en China wijkt hierop duidelijk af.[3] Er bestond al een voorkeur voor mannelijke nakomelingen, maar het eenkindpolitiek heeft de voorkeur versterkt.[3] Verder is er een verbeterde toegang tot medische mogelijkheden om vroegtijdig het geslacht te bepalen.[3] Uit onderzoek in 2008 bleek dat driekwart van de Chinezen voorstander zijn van het eenkindbeleid. Ze zijn voorstander omdat een snelle bevolkingsgroei kan leiden tot voedseltekorten en andere spanningen.[4]

Volgens gegevens van China’s National Health and Family Planning Commission worden er per jaar zo’n 13 miljoen abortussen gepleegd.[5] Met 1 abortus per 100 inwoners ligt dit ver boven het wereldgemiddelde, in de Verenigde Staten ligt deze ratio op 1 op 500.[5] De Chinese cijfers kunnen nog te laag zijn omdat alleen ingrepen in officiële instellingen zijn meegenomen en niet abortussen in illegale klinieken die vooral op het platteland nog voorkomen.[5] De grote schaal waarop abortussen voorkomen hangt samen met de eenkindpolitiek en een gebrek aan informatie over anticonceptie.[5] De helft van de ingrepen vond plaats bij meisjes onder de 25 jaar, waarvan weer de meerderheid op universiteiten studeerden.[5]

UrbanisatieBewerken

In 1950 leefde het overgrote deel van de bevolking op het platteland en slechts 11% woonde in steden ofwel zo’n 60 miljoen mensen.[6] In 1958 werd het registratiesysteem Hukou geïntroduceerd met het doel de trek naar de steden af te remmen. Onder deze regeling worden de mensen bij geboorte geregistreerd in de geboorteplaats. Hiermee wordt het recht op scholing, gezondheidszorg en eventuele subsidies vastgelegd. De burger kan hierop alleen aanspraak maken in de plaats waar hij geregistreerd staat. Bij verhuizing, zonder medewerking van de autoriteiten, naar een andere plaats dan is hij verstoten van deze rechten. Tussen 1965 en 1975 stagneerde de urbanisatie. Tijdens de Culturele Revolutie werd een deel van de sterk gegroeide stedelijk bevolking gedwongen naar het platteland te verhuizen. In 1995 bereikte het aantal plattelandsbewoners in aantallen een hoogtepunt, bijna 860 miljoen mensen leefden buiten de steden. Na 1995 zijn de steden gegroeid mede ten koste van het platteland. In 2011 is de urbanisatiegraad boven de 50% uitgekomen.[6]

in miljoenen personen, per jaareinde
Jaar[6] Totaal Bevolking in steden Urbanisatiegraad Plattelandsbevolking Aandeel plattelands-
bevolking
1950 552,0 61,7 11,2% 490,3 88,8%
1955 614,7 82,9 13,5% 531,8 86,5%
1960 662,1 130,7 19,7% 531,3 80,3%
1965 725,4 130,5 18,0% 594,9 82,0%
1970 829,9 144,2 17,4% 685,7 82,6%
1975 924,2 160,3 17,3% 763,9 82,7%
1980 987,1 191,4 19,4% 795,7 80,6%
1985 1058,5 250,9 23,7% 807,6 76,3%
1990 1143,3 302,0 26,4% 841,4 73,6%
1995 1211,2 351,7 29,0% 859,5 71,0%
2000 1267,4 459,1 36,2% 808,4 63,8%
2005 1307,6 562,1 43,0% 745,4 57,0%
2010 1340,9 669,8 49,9% 671,1 50,1%
2011 1347,4 690,8 51,3% 656,6 48,7%
2012 1354,0 711,8 52,6% 642,2 47,4%
2013 1360,7 731,1 53,7% 629,6 46,3%
2014 1367,8 749,2 54,8% 618,7 45,2%
2015 1374,6 771,2 56,1% 603,5 43,9%

MinderhedenBewerken

  Zie Officiële etnische groepen van de Volksrepubliek China voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De grootste minderheden zijn:

BevolkingsdichtheidBewerken

 
De bevolkingsdichtheid is het hoogst aan de oostkust

De bevolkingsdichtheid is zo’n 140 personen per vierkante kilometer. De verdeling over het land is onevenwichtig, de meeste mensen wonen aan de oostkust en grote delen in het westen van het land zijn nauwelijks bevolkt. De Chinese provincie Guangdong in het zuidoosten heeft met 108 miljoen inwoners het hoogste inwoneraantal (2015). Qinghai in het westen telt het minste aantal bewoners.

LevensverwachtingBewerken

De levensverwachting van de gemiddelde Chinees is ruimschoots verdubbeld sinds 1960. In 1960 lag deze verwachting nog op zo'n 36 jaar, maar vooral in het eerste decennium is een enorme verbetering opgetreden en kon in 1970 een gemiddelde leeftijd van ruim 60 jaar worden verwacht. Nadien is een verdere, maar meer gestage, stijging van de levensverwachting gerealiseerd en ligt een gemiddelde leeftijd van 75 jaar onder handbereik.

in jaren
Jaar[7] Man Vrouw Beiden
1960 35,1 37,6 36,3
1970 61,0 62,5 61,7
1980 64,4 66,7 65,5
1990 66,9 69,7 68,3
2000 69,9 73,0 71,4
2011 74,1 77,2 75,6