Hoofdmenu openen

Alvermannekes, alvermannetjes of aardmannetjes (Limburgs: auvermennekes of oavermännekes) waren, volgens overlevering, een soort goedaardig kaboutervolk of elfenvolk dat 's nachts (maar in de Westhoek ook uitzonderlijk overdag) de arme mensen en boeren kwam helpen in hun dagelijks werk.

OverleveringBewerken

Ze maakten vaak het werk af dat deze mensen overdag niet klaar hadden gekregen. Wanneer het donker was, kwamen de alvermannekes uit de berg gekropen waarin ze zich overdag verstopt hielden. Ze maakten dan stilletjes het huis schoon, molken de koeien, schoren de schapen, wasten de kleren, schilderden de muren of haalden de tarwe van het veld. Hiervoor moesten ze door die mensen wel worden voorzien van eten en in sommige gevallen kleding (in de Westhoek neemt de alverman/vrouw de gift van kleren als een belediging op daar dit zou betekenen dat ze deze zelf niet kunnen maken).

Alvermannekes wilden om een of andere onbekende reden niet dat ze door iemand werden begluurd tijdens hun werk. Wie dat toch deed en daarbij werd betrapt, werd "het licht uitgeblazen" (hiermee bedoelt men het licht uit de ogen,waardoor de gluurder blind werd), of werd meegenomen naar hun berg. Dat laatste overkwam volgens die overleveringen altijd jonge en mooie vrouwen. Die werden dan na veel gedoe en drukte levend ergens in een duister gat teruggevonden, maar de alvermannekes waren verdwenen.

Vroeger werden door de mensen vaak verhaaltjes bij kaarslicht of olielamp verteld die over spoken, heksen en dwergen gingen maar ook wel over alvermannetjes.

DuidingBewerken

Ton Lemaire schrijft in zijn werk "Filosofie van een landschap" dat alle plaatsen buiten de oude bewoonde centra, waar volksverhalen alvermannetjes situeren, plaatsen zijn waar mogelijk prehistorische begraafplaatsen te vinden zijn.[1]

Lemaire maakt een onderscheid tussen huiskabouters, zoals ze hierboven zijn beschreven en alvermannetjes die ver van de bewoonde wereld woonden.

  • De eerste groep is verwant aan de Romeinse lares: kuba-walda, wat zoveel als huisbewaarder betekent.
  • De tweede groep kleine mannetjes zouden een archetype zijn voor de ziel.

In veel verhalen wordt melding gemaakt dat de alvermannetjes wegtrekken; soms kunnen ze het rumoer van de stad niet verdragen, soms storen ze zich aan de luidende klokken en soms vinden ze de mensen gewoon te onbeschoft.

TriviaBewerken

  • Het eerste deel van de naam is afgeleid van alf ofwel 'geest', zie ook elfen.
  • In Maastricht heten deze wezens evermenkes, in Voeren auwelkes en op de Blieberg (Plombières) oavermensjere.
  • In Stolberg bij Aken kwamen deze mannetjes ook voor, maar daar werden ze 'Quärresmännche. Quärres is afgeleid van het oud-Duitse woord Querge, dat staat voor dwerg.
  • Bij Sittard was vroeger op de plek waar nu de wijk Limbrichterveld ligt de Auveleberg, ook wel Auvermännskerberg genoemd. Dit waren vermoedelijk de overblijfselen van een Romeinse grafheuvel die in de jaren 1960 werd afgegraven om de bouw van de nieuwe wijk mogelijk te maken. Volgens een legende zouden in deze berg in ondergrondse gangen aardmannetjes leven.
  • Volgens een legende over auvelmannetjes uit Geulle, leefden deze in de Blomberg bij Moorveld. Zij maakten 's nachts de ketels en pannen van de mensen van Geulle blinkend schoon. Toen op een keer het Angelusklokje van de kerk in Geulle begon te luiden, stortte het voorste deel van de Blomberg in. Hierbij is een beek ontstaan die de Heiligebeek werd genoemd. Toen zijn de auvelmannetjes uit de Blomberg naar België gevlucht en ze zijn nooit meer in Geulle teruggezien.
  • Bij Valkenburg, onder aan de Schaasberg, in de buurt van de pachthoeve Euverhem, bevindt zich een verlaten mergelgroeve, een kalkoven, met de naam Auverbergske.
  • In Zutendaal verschuilde zij zich in de Hesselsberg in hun Alvermannekeskuil.
  • Het Vrijbos zou een woonplaats zijn van het Alvervolk.
  • In Friesland en Groningen worden aardmannetjes wel in verband gebracht met soldaatjes of ruitertjes. Bezitters van een toverboek kunnen aardmannetjes uit een haardkuil of asgat tevoorschijn laten komen. T.R. Dijkstra beschreef de ierdmantsjes als kleine kereltjes met rode kieltjes, groene broekjes, grijze kousen en schoenen met zilveren gespren.
  • In Lubbeek zijn er volksverhalen terug te vinden over h(alver)mannekes die het werk kwamen voortzetten tijdens de nacht.

Zie ookBewerken