Achter-Pommeren

Achter-Pommeren

Achter-Pommeren (Duits: Hinterpommern; Pools: Pomorze Zaodrzańskie) is het gedeelte van het historische hertogdom Pommeren en de latere Pruisische en na 1870 Duitse provincie Pommeren dat ten oosten ligt van de rivier de Oder. Het behoort in zijn geheel tot het Poolse woiwodschap West-Pommeren. Het westelijke deel van Pommeren heet Voor-Pommeren en is na 1945 grotendeels bij Duitsland gebleven, want toen moest de, in Voor-Pommeren gelegen, hoofdstad Stettin aan Polen worden afstaan. Ten oosten van Achter-Pommeren ligt de landstreek Pommerellen, die tot 1919 als Pruisische provincie West-Pruisen heette.

GeschiedenisBewerken

In 1648 werd, na het uitsterven van het inheemse hertogengeslacht aan het eind van de Dertigjarige Oorlog door het Vrede van Westfalen bepaald dat Achter-Pommeren door het hertogdom Brandenburg-Pruisen ingelijfd zou worden. Voor-Pommeren kwam grotendeels onder Zweden. In 1720 veroverde Brandenburg-Pruisen de oostelijke helft van Voor-Pommeren dat nu aansloot op Achter-Pommeren. Het Congres van Wenen wees in 1815 het Zweedse restant ook toe aan Pruisen, waarbinnen beide delen voortaan tezamen de provincie Pommeren vormden en na 1870 in het Duitse Rijk één provincie bleven. De bevolking bestond in de 13de eeuw uit Slavische stammen maar werd door de kolonisatie van boeren uit het Duitse Rijk in taal verduitst hoewel zich tot ver in de 19de eeuw in de meest oostelijke randgebieden nog enkele slavischsprekende dorpen lagen. In 1945 werd de bevolking van Achter-Pommeren en van Stettin verdreven en vervangen door een nieuwe bevolking van Polen (Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog).