Hoofdmenu openen

Wouter Johannes van Troostwijk

kunstschilder uit de Noordelijke Nederlanden, 1782-1810

Wouter Johannes van Troostwijk (Amsterdam, 28 mei 1782 - aldaar, 20 september 1810) was een Nederlands kunstschilder, tekenaar en etser. Hij maakte voornamelijk landschappen, enkele stadsgezichten en afbeeldingen van mens- en dierfiguren.[1]

Wouter van Troostwijk
Zelfportret, c. 1809
Zelfportret, c. 1809
Persoonsgegevens
Volledige naam Wouter Johannes van Troostwijk
Geboren 28 mei 1782
Overleden 20 september 1810
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep(en) kunstschilder, graveur, concierge van stadhuis
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Inhoud

Jeugd en opleidingBewerken

Wouter van Troostwijk werd geboren uit het tweede huwelijk van zijn vader. Samen met een halfbroer en een halfzuster en twee broers groeide hij op in Amsterdam in een aanzienlijk en intellectueel milieu. Zijn vader was mede-firmant in de lakenhandel van zijn schoonvader, maar droeg de dagelijkse leiding in 1782 over om zich volledig te kunnen wijden aan zijn eigenlijke interesse: de scheikunde. De proefnemingen vonden plaats in zijn huis aan de Nieuwendijk, tot groot plezier van de jonge Wouter die zijn vaders geleerde vrienden met vragen bestookte. Ook de wis-, sterren- en zeevaartkundige Pieter Nieuwland was zo voor de jongen een geduldig onderwijzer. Nieuwland bracht hem de eerste beginselen van het perspectief bij; van zijn vader kreeg hij les in de natuurkunde.[2]

Volgens kunstkenner en letterkundige Jeronimo de Vries (vriend van de familie en toen bestuurder van het Rijksmuseum) gaf Wouter al vroeg blijk van een artistieke aanleg; zijn schoolschriften stonden vol tekeningen, en op zijn tiende maakte hij al stadsgezichtjes van Weesp en Abcoude die 'volmaakt geleken' (De Vries, 239). Op zijn veertiende tekende hij voor zijn grootmoeder uit het blote hoofd de buitenplaats 'Vreugdenhof' aan de Amstel, die zijn vader pas had gekocht. Van dit jeugdwerk is nog een enkel voorbeeld bewaard gebleven, evenals van de tekeningen die hij maakte naar werken van andere kunstenaars.
Zijn eerste tekenlessen kreeg Van Troostwijk aan huis van de tekenaar Anthony Andriessen; van diens broer Jurriaan Andriessen - een bekend behangselschilder en populair docent - leerde hij het schilderen.[2]

LevenBewerken

In 1803 schreef hij zich in bij de Amsterdamse Stadstekenacademie, waar hij zich richtte op het modeltekenen. Hier behaalde hij in die discipline in de jaren 1804 tot 1806 respectievelijk een derde, tweede en eerste prijs. In 1805 sloot hij zich aan bij het Amsterdamse genootschap Felix Meritis, waar hij tweemaal een medaille ontving.

Hij hoefde niet van zijn kunst te leven, en trok zich zelfs terug uit wedstrijden om zijn meer nooddruftige collegae niet voor de voeten te lopen. Op 20-jarige leeftijd werd Van Troostwijk benoemd tot 'concierge' op het stadhuis in Amsterdam;[3] hij was verantwoordelijk voor het goede verloop van de dagelijkse zaken op het stadhuis, waar hij ook zijn woning had en tevens zijn atelier vestigde. Voor en na zijn werktijd wijdde hij zich aan zijn hobby en trok de natuur in om te schetsen en te schilderen. Pas later begon Van Troostwijk met etsen, vanwege de toevallige omstandigheid dat hij een tijdlang thuis moest zitten, vanwege een brandwond aan zijn voet.

Op marktdagen ging hij steevast naar de Amsterdamse ossenmarkt, om het rundvee 'met het uiterste geduld en de meeste nauwkeurigheid' te observeren, wetend dat 'de Natuur zelve de beste meesteresse is' (De Vries, 241). Om deze reden kreeg Van Troostwijk het vee op zijn vaders gekochte buitenplaats onder zijn hoede; daar kon hij de beesten naar believen tekenen. 's Zomers ging hij een of twee keer naar Gooiland, ook wel naar Gelderland of Drenthe, om er het landschap te schetsen.[4]

Hij schilderde en tekende regelmatig in een kunstenaarsgroepje, waar ook zijn kunstvrienden, Brondgeest, Bernard, Hulswit, P.G. van Os en J. van Os, Stokvis, Michaelis, Dasvelt, en Ruytenschilt deel van uitmaakten.[4] Het groepje was een klein tekengenootschap en heette 'Zonder Wet of Spreuk' (c. 1808-1819)[5]

Tijdens de allerlaatste dagen van het Koninkrijk Holland kreeg Van Troostwijk het hoogste officiële blijk van erkenning dat geleerden of kunstenaars zich indertijd konden wensen. Op 9 juli 1810 werd hij – evenals zijn vader twee jaar eerder – benoemd tot lid van het 'Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten'. Hij kreeg hier zitting in de Vierde Klasse, waarbinnen de beeldend kunstenaars en de musici zich verenigden. Het was zonder twijfel een bewijs dat de nog jonge schilder tot de beste kunstenaars werd gerekend.[2]

Zijn passie voor het schilderen en schetsen in de open lucht en zijn streven naar perfectie (het kon altijd beter) werd hem uiteindelijk fataal. In de zomer van 1810 had Van Troostwijk een groot en zonnig landschap met beesten ontworpen. Iedereen was zeer te spreken over de eerste opzet; hijzelf was echter pas tevreden bij zijn derde schets. Om het werk te kunnen voltooien had hij nog een bepaald soort ondergaand zonlicht nodig. Het weer werkte echter niet mee, pas in augustus deden zich een paar geschikte avonden voor; op een koude avond bleef hij te lang doorwerken en kreeg daardoor hoge koorts, waarvan hij niet meer herstelde.[6]

WerkBewerken

schilderenBewerken

Aangezien Van Troostwijk reeds op 28-jarige leeftijd overleed, is de omvang van zijn oeuvre beperkt. Er zijn niet meer dan een achttal schilderijen, waarvan vier in het Rijksmuseum, en een aantal tekeningen, schetsen, studies en etsen. Niettemin werd de schilder al tijdens zijn leven erkend als een groot talent die een nauwe band had met de levende natuur. Hij werd hierbij geïnspireerd door het werk van 17e-eeuwse meesters, maar wist het landschap op een vernieuwende manier te verbeelden, met name door de atmosferische weergave van het licht. Zijn werk zou van invloed zijn op de latere 19e-eeuwse landschapsschilders. Omdat hij tijdens zijn wandelingen vaak zijn tekengereedschap bij zich had en in de open lucht werkte, wordt hij tevens gezien als een voorloper van het schilderen en plein air, zoals dat ook door de latere impressionisten zou worden toegepast. Zijn schilderij Boerderij bij Wolfheze bijvoorbeeld is een vlotte olieverfschets op papier - in de open-lucht geschilderd.[2]

Zelf zei Van Troostwijk over voorgangers en zijn eigen werk:

'Potter, zeide hij, du jardin, van de velde bewonder ik; maar de eenvoudige en schoone Natuur volg ik alleen. Zoo gij mijn werk vergelijken wilt, vergelijk het met dat van mijzelven in vorige dagen; of liever, vergelijk mij met de schoone Natuur.'[4]

Hij bleek zich ook veel bezig te hebben gehouden met figuurstudies. Hij schilderde vaak kinderen, vooral zijn portretten van een zittend en staand meisje (met mand) zijn van een grote schoonheid. Dat hij met de menselijke figuur goed uit de voeten kon, was overigens al bekend, want in 1807 won hij met zijn Staand mannelijk naakt (nu in bezit van het Rijksprentenkabinet) de eerste prijs bij het Amsterdamse kunstenaarsgenootschap Felix Meritis.[3]

In de hooguit vijf jaar dat Van Troostwijk heeft geschilderd, voltooide hij 29 schilderijen, zo blijkt uit de lijst van zijn nagelaten werken. Hierop staan, behalve zes olieverfschetsen, ook dertien onvoltooide schilderijen vermeld. Zij getuigen van een zekere onzekerheid over eigen kunnen, die Van Troostwijk vaak overviel:

'Ik ben nog lang niet waar ik wezen moet; ik voel, ik zie het wel, maar kan het nog niet vinden; al mijn werk is gebrekkig, stukwerk, niet dan studie, niet dan middel, om mij tot meerdere volmaking in de kunst op te leiden. Dat ik nog eens zoo verre kon geraken, dat ik één enkel voortreffelijk stuk leverde!' (De Vries, 240).

Van zijn dierstudies zijn vele voorbeelden bewaard gebleven, van zijn landschapsstudies opmerkelijk genoeg vrijwel geen. Wel overgeleverd zijn een waterverf-tekening uit 1805 'Gezicht van de Oetewalerweg naar Zeeburg', en 'Boerderij bij Wolfheze'; dit laatste landschapje is het enige overgebleven exemplaar van de zes olieverfschetsen die op de lijst van nagelaten schilderijen staan vermeld.[2]

Een citaat van Van Troostwijk verklaart waarom er in verhouding zo veel onafgemaakte schilderijtjes van hem zijn gevonden; zijn vrienden moesten erop aan dringen, dat hij zijn begonnen werken ook af zou maken:

'Ik ben nog lang niet, waar ik wezen moet. ik voel, ik zie het wel, maar kan het nog niet vinden; al mijn werk is gebrekkig, stukwerk, niet dan studie, niet dan middel, om mij tot meerdere volmaking in de kunst op te leiden. Dat ik nog eens zoo verre kon geraken, dat ik één enkel voortreffelijk stuk leverde! maar, hoe meer ik vorder, hoe meer mij dunkt dat ik van het regte punt verwijderd ben.' [4]

etsenBewerken

Omstreeks 1807-1808 begon Van Troostwijk met etsen, eigenlijk door een toevallige omstandigheid, omdat hij een tijdlang thuis moest zitten vanwege een brandwond aan zijn voet. Zijn leermeester was de graveur Anthonie van den Bosch en hij schafte voor zichzelf een ets-pers aan. Zijn vroegst gedateerde etsen zijn van 1808, onder andere een Landschap met drinkende herder en twee slapende honden. De meeste van de in totaal dertig etsen zijn bijzonder zeldzaam, omdat Van Troostwijk de koperplaten heeft vernietigd. Hij deed dit wel vaker, ook al waren de platen nog maar enkele malen gebruikt. Van de twaalf etsen die hij uiteindelijk goedkeurde om als serie te publiceren is de helft gesigneerd en gedateerd: 1810. Het zijn voornamelijk landschappen in uiteenlopende formaten, met figuren, koeien en schapen; de opmerkelijke aandacht voor schaduwwerking hult deze taferelen in een prettige lome zomersfeer.[2]

Late erkenningBewerken

Na zijn vroegtijdige dood raakte Van Troostwijks werk uit het zicht van het publiek. Zijn oeuvre werd binnen de familie bewaard , die daarmee niet naar buiten trad. Wel werd gedurende de eerste decennia van de negentiende eeuw via Amsterdamse veilingen een aantal tekeningen, olieverfstudies en etsen in omloop gebracht. Hierbij waren opmerkelijk vaak zijn vroegere vrienden betrokken; waarschijnlijk ging het om exemplaren die Van Troostwijk zelf aan hen had afgestaan. In de jaren twintig van de negentiende eeuw werden voor het eerst tekeningen van hem aangekocht voor een openbaar museum, en wel het Teylers Genootschap, waar Van Troostwijks vroegere vriend Gerrit Jan Michaëlis conservator was. In 1866 constateerde de grafiekverzamelaar en latere directeur van het Rijksprentenkabinet Johan Philip van der Kellen in zijn boek Le peintre-graveur hollandais et flamand dat Van Troostwijks naam slechts bij enkele liefhebbers bekend was (p. 187).[2]

De eerste aanzet tot een hernieuwde waardering kwam met de veiling op 18 maart 1875 van Van Troostwijks werken in familiebezit - dit op initiatief van een achterneef van de schilder. De veiling kwam echter duidelijk te vroeg. Slechts twee van de zes olieverfschetsen haalden de limietprijzen die de familie voor diens werken had bedongen; voor de onvoltooide schilderijen bestond geen enkele animo. Van de 27 voltooide schilderijen gingen er maar acht naar een nieuwe eigenaar. Belangrijk is echter dat twee openbare collecties het belang van zijn werk inzagen; twee schilderijen kregen een plaats in het Amsterdamse Rijksmuseum, een in Museum Boymans te Rotterdam. In de jaren veertig van de twintigste eeuw kreeg Van Troostwijk voor het eerst een plaats toebedeeld in de kunstgeschiedenis door de kunsthistoricus Jan Knoef, die hem rekende tot de meest vernieuwende kunstenaars van de vroege negentiende eeuw. Die plaats heeft Van Troostwijk sindsdien behouden.[2]

Galerij van werkenBewerken

Externe linksBewerken