Tweede Wereldoorlog

oorlog van 1939 tot 1945 tussen Asmogendheden en geallieerden
(Doorverwezen vanaf Wereldoorlog II)

De Tweede Wereldoorlog was de samensmelting van een aantal aanvankelijk afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945 op wereldschaal werden uitgevochten tussen twee allianties: de asmogendheden en de geallieerden.

Tweede Wereldoorlog
WW2Montage.PNG
Datum 1 september 19392 september 1945
Locatie Europa, Stille Oceaan, Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten, het Middellandse Zeegebied en Afrika
Resultaat Nazi-Duitsland en Japan verslagen, opkomst supermachten VS en Sovjet-Unie, dekolonisatie
Casus belli Azië: Marco Polobrugincident
Europa: Duitse inval in Polen
Strijdende partijen
Geallieerden:
Vlag van het Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Verenigde Staten
Vlag van de Sovjet-Unie van 1936-1955 Sovjet-Unie
Vlag van Republiek China China
en andere
Asmogendheden:
Vlag van nazi-Duitsland Duitsland
Vlag van Japan (1870–1999) Japans Keizerrijk
Vlag van Italië (1861-1946) Italië
(tot 3 september 1943)
en andere
Leiders en commandanten
Vlag van het Verenigd Koninkrijk Winston Churchill
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Franklin Roosevelt (†)
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Harry Truman
Vlag van de Sovjet-Unie van 1936-1955 Jozef Stalin
Vlag van Taiwan Chiang Kai-shek
en anderen
Vlag van nazi-Duitsland Adolf Hitler (†)
Vlag van Japan Hirohito
Vlag van Japan Hideki Tojo
Vlag van Italië (1861-1946) Benito Mussolini (†)
en anderen
Verliezen
Militaire doden:
Meer dan 14.000.000
Burgerdoden
Meer dan 36.000.000
(details)
Militaire doden:
Meer dan 8.000.000
Burgerdoden
Meer dan 4.000.000
(details)
Portaal  Portaalicoon   Tweede Wereldoorlog
Westfront (Tweede Wereldoorlog)

Nederland · België · Frankrijk · Duinkerke · Engeland · Dieppe · Normandië · Cobra · Lüttich · Parijs · Dragoon · Siegfriedlinie · Maastricht · Market Garden · Hürtgenwald · Overloon · Aken · Schelde · Elzas · Ardennen · Colmar · Nutcracker · Blackcock · Grenade · Veritable · Lumberjack · Plunder

Oostfront (Tweede Wereldoorlog)

Polen · Balkan · Barbarossa · Minsk · Raseiniai · Smolensk (1) · Charkov (1) · Finland · Leningrad · Tichvinoffensief · Moskou · Toropets-Cholmoffensief· Rzjev · Charkov (2) · Stalingrad · Charkov (3) · Koersk · Bagration · Warschau · Laplandoorlog · Wisła-Oderoffensief · Oost-Pruisenoffensief· Pommerenoffensief· Neder-Silezische offensief · Operatie Sonnenwende · Berlijn · Praag

In Europa vielen troepen van de Duitse Wehrmacht en de SS op 1 september 1939 Polen binnen. De regeringen van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk die een bondgenootschap vormden met Polen reageerden op 3 september 1939 met een oorlogsverklaring aan Duitsland, als een nakoming van de in maart 1939 afgegeven Brits-Franse bijstandverklaring. De meest dramatische uitbreiding van het conflict vond plaats op 22 juni 1941 met de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. Desondanks kon de oorlog op dat moment nog steeds worden gezien als een Europese oorlog, los van de Japanse expansie in Oost-Azië. Dit veranderde toen op 7 december 1941 Japan de United States Pacific Fleet bij Pearl Harbor bombardeerde en de Verenigde Staten prompt aan Japan de oorlog verklaarden. Hitler verklaarde vier dagen later de Verenigde Staten de oorlog, formeel omdat Duitsland en Japan in 1936 het Anti-Kominternpact hadden gesloten, feitelijk omdat de VS reeds lang materiële steun gaf aan de Britten. In maart 1941 was die steun geformaliseerd in de Leen- en Pachtwet. Er ontwikkelde zich een samenwerking tussen de Sovjet-Unie enerzijds en de Britten en Amerikanen anderzijds, die gekenmerkt werd door veel wederzijdse onwennigheid en wantrouwen, waarop door de Duitsers werd ingespeeld.[a]

De Tweede Wereldoorlog kenmerkte zich door een tot op dat moment in de geschiedenis ongekend massaal en niets ontziend geweld, waarbij over en weer talloze burgerslachtoffers vielen. In vorige oorlogen was over het algemeen een principieel onderscheid gemaakt tussen burgers en militairen, waarbij de burgers zo veel mogelijk ontzien werden of in ieder geval geen primair doel vormden. Dit principe werd in de Tweede Wereldoorlog op grote schaal verlaten; alle partijen beschouwden elkaars burgers nu als valide doelen, met het argument dat ook de burgers bijdroegen aan het oorlogvoerend vermogen van de vijand. De Tweede Wereldoorlog is daarmee tot op heden het meest sprekende voorbeeld van een totale oorlog. Daarnaast waren zowel nazi-Duitsland als de Sovjet-Unie totalitaire regimes, die zich overeind hielden met politieke repressie en indoctrinatie. Ook de oorlog tussen militairen was uitgesproken hard, vooral aan het oostfront. De internationaal overeengekomen regels voor oorlogvoering (vastgelegd in de Conventie van Genève) werden systematisch en op grote schaal overtreden, met name met betrekking tot de behandeling van krijgsgevangenen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vielen er in totaal tussen de 50 en 70 miljoen doden. Ongeveer twee derde van alle slachtoffers was burger, waarvan naar schatting meer dan elf miljoen behoorden tot minderheden die stelselmatig werden vervolgd en vermoord. Het was tevens de eerste − en tot op heden enige − oorlog waarin kernwapens werden ingezet.

Belangrijke, deels op de ervaringen terug te voeren ontwikkelingen na de oorlog waren de oprichting van de Verenigde Naties - die in de plaats kwam van de machteloos gebleken Volkenbond- en de opstelling van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Benaming

Reeds in 1939 na de Brits-Franse oorlogsverklaring aan Duitsland wegens het binnenvallen van Polen werd de term Tweede Wereldoorlog (Second World War) gebezigd door de Britse conservatieve politicus Duff Cooper, die in 1940 door de nieuwe premier Winston Churchill zou worden benoemd tot Minister van Voorlichting (Minister of Information). Pas na 1945 zou deze aanduiding algemeen gangbaar worden, evenals de aanduiding Eerste Wereldoorlog voor de voorheen als Grote Oorlog (Great War) aangeduide gebeurtenissen van 1914-1918, hoewel die reeds in 1918 was gebezigd door Charles à Court Repington.

België en Nederland

  Zie België in de Tweede Wereldoorlog, Nederland in de Tweede Wereldoorlog en Strijd in Zeeland voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

België en Nederland werden op 10 mei 1940 door Duitsland aangevallen. Op 14 mei gaf het Nederlandse leger zich over. De capitulatieovereenkomst werd getekend op 15 mei. De capitulatie gold niet voor de provincie Zeeland, waar nog enkele dagen strijd werd geleverd. België capituleerde na achttien dagen verzet op 28 mei. De daaropvolgende bezetting duurde in België tot 17 september 1944 en in Nederland ten noorden van de grote rivieren tot 6 mei 1945. Japan viel Nederlands-Indië binnen op 10 januari 1942 en capituleerde op 15 augustus 1945. Nederland zou nooit meer volledige controle over het eilandenrijk verkrijgen, dat in 1949 onafhankelijk werd.

Oorzaken van de oorlog in Europa

  Zie Oorzaken van de Tweede Wereldoorlog voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De strijd om de Europese hegemonie 1866 – 1918

  Zie ook Geschiedenis van Duitsland
 
Door het Duitse Rijk afgestane gebieden na de Eerste Wereldoorlog

Na de totstandkoming van het Duitse Keizerrijk in 1871 nam de Duitse militaire en economische macht snel toe, ondersteund door een verder voortschrijdende bevolkingsgroei en industriële ontwikkeling. De Duitse Bond en Noord-Duitse Bond hadden onder Pruisische leiding al de Tweede Duits-Deense Oorlog (1864) en de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog (1866) gewonnen. De snelle nederlaag van Frankrijk in de Frans-Duitse Oorlog in 1870-71, waarna Duitsland het grootste deel van Elzas en Lotharingen annexeerde, maakte duidelijk dat de machtsverhoudingen in Europa sinds de Napoleontische oorlogen grondig gewijzigd waren. De annexatie veroorzaakte een blijvend ernstig territoriaal geschil tussen Duitsland en Frankrijk.

Een onhandige buitenlandse politiek onder Wilhelm II van Duitsland schiep ook spanningen tussen het Duitse Keizerrijk en zowel het Verenigd Koninkrijk als het Russische keizerrijk. Voor de Britten speelde mee dat Duitsland zich steeds meer ontwikkelde tot een maritieme en industriële rivaal. Men vreesde vooral de dumping van Duitse goederen op de Britse markt. Voor de Russen was de steen des aanstoots de Duitse steun aan Oostenrijk-Hongarije in de Balkan, waar de Dubbelmonarchie ook Slavische volkeren overheerste. Britten, Fransen en Russen begonnen een anti-Duits blok te vormen, de Triple Entente. Dat versterkte de gevoelens van achterstelling in Duitsland waar een steeds virulenter nationalisme, militarisme en expansionisme voor het land een hegemonie opeiste die overeenkwam met zijn positie als sterkste landmacht ter wereld.

Toen de oplopende spanningen in 1914 leidden tot de Eerste Wereldoorlog bleek de Duitse militaire superioriteit niet afdoende voor een snelle overwinning. Aan het Westfront ontstond een bloedige patstelling. Een geallieerde blokkade van Duitsland veroorzaakte ernstige tekorten aan grondstoffen voor de industrie en hongersnood. Het voeren van een oorlog op twee fronten was een te grote belasting. De Duitsers waren echter niet bereid vrede te sluiten zonder territoriale winsten. De Duitse geheime dienst zond Lenin naar Rusland. Zijn nieuwe Sovjetregime sloot de Vrede van Brest-Litovsk. Met het Lenteoffensief van 1918 hoopte de Duitse generale staf nu in het westen de overwinning te behalen voordat de te hulp geschoten Amerikanen in 1919 een oppermachtige strijdkracht konden opbouwen. Tegelijkertijd bezette men de Oekraïne om de voedselvoorziening te verbeteren. Deze uiterste krachtsinspanning leidde slechts tot een snelle totale uitputting van het Duitse leger, gevolgd door de Novemberrevolutie. Op 11 november 1918 zag Duitsland zich gedwongen een wapenstilstand te sluiten. Op dat moment liep de frontlijn nog door België en dat zou voer geven aan de dolkstootlegende, dat de fronttroepen verraden zouden zijn door defaitistische politici.

De Vrede van Versailles schiep in 1919 geen stabiele situatie. De Duitse bevolking voelde zich onbillijk behandeld vanwege enorme herstelbetalingen en territoriale verliezen. Ten dele Duitssprekende gebieden vielen toe aan Frankrijk (Elzas en Lotharingen) of het sinds 1793 weer onafhankelijke Polen. Oost-Pruisen raakte geïsoleerd van de rest van Duitsland door de corridor van Danzig. Dit leidde tot revanchisme en irredentisme. De geallieerden kregen geen dwingende garanties om een Duitse wederopstanding te voorkomen. Het Duitse leger werd in omvang en bewapening beperkt maar niet opgeheven. Alleen het Rijnland werd bezet en tegen de wens van Frankrijk niet permanent maar slechts voor vijftien jaar. De Franse maarschalk Ferdinand Foch omschreef het Verdrag van Versailles dan ook als "geen vrede, maar een wapenstilstand van twintig jaar".

Duitse instabiliteit 1918 – 1929

Het politiek instabiele Duitsland viel na de wapenstilstand ten prooi aan chaos en armoede. Links en rechts streden om de macht. Deze strijd zou uiteindelijk worden beslecht in het voordeel van het totalitaire nationaalsocialisme. De essentie van deze fascistische stroming was dat de sterkere het recht heeft de zwakkere te overheersen. Dit verklaart zowel het radicaal nationalistische, antisemitische, militaristische, antidemocratische en anticommunistische karakter van deze beweging als de ideologisch geïnspireerde vernietigingsoorlog die hieruit voortvloeide. Dit proces duurde echter vijftien jaar.

 
De DNVP bracht uiteindelijk Hitler aan de macht

In Duitsland had het oude regime van adel, bureaucratie en leger alle gezag verloren zoals bleek uit het mislukken in 1920 van de royalistische Kapp-Putsch. De sociaaldemocratische, liberale en christendemocratische middenpartijen van de Weimarrepubliek probeerden een democratische rechtsstaat op poten te zetten maar zagen zich meteen geconfronteerd met opstanden. De Russische communistische Oktoberrevolutie van 1917 leidde tot een revolutiegolf in heel Europa. In Beieren riepen de communisten begin 1919 een radenrepubliek uit en in Berlijn was er de Spartacusopstand. Premier Friedrich Ebert zag zich gedwongen met rechts-radicale milities van teruggekeerde frontsoldaten, de vrijkorpsen, de opstanden neer te slaan. Bij deze nationalistische groeperingen ontbrak ieder besef dat Duitsland alle ellende weleens aan zichzelf te wijten zou kunnen hebben, het zij dan dat men de strijd niet met voldoende hardheid gevoerd had. Vermeende "verraders" als de minister van buitenlandse zaken Walther Rathenau en ex-vicekanselier Matthias Erzberger kwamen om door rechtse terreur. Tijdens de algemene verkiezing van juni 1920 wonnen de uiterst linker (Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands) en uiterst rechterflank (Duits-nationalen) ten kosten van het midden. Rechtse groepen van conservatieven en nationalisten wilden echter niet de regeringsverantwoordelijkheid overnemen.

 
Een biljet van honderd biljoen mark

Toen in 1922 de situatie in Duitsland enigszins begon te stabiliseren, werd het land een gigantische herstelbetaling van 136 miljard mark opgelegd die het met geen mogelijkheid kon voldoen. Frankrijk en België bezetten hierop, zonder de steun van Engeland en Amerika, het Ruhrgebied waarvan de productie stilviel. Gecombineerd met monetaire financiering, het drukken van geld zonder dekking, leidde dit tot een hyperinflatie die de spaartegoeden van de middenklasse waardeloos maakte. De nieuwe directeur van de Rijksbank, Hjalmar Schacht, beëindigde de inflatie door twintig miljard oude marken gelijk te stellen met één nieuwe mark. De nieuwe valuta werd waardevast door enorme leningen verstrekt door de Verenigde Staten en Nederland. Hierdoor kon de geldcirculatie weer op gang komen en werd het mogelijk voor Duitsland om de herstelbetalingen te verrichten.

Kort daarna, in 1923, mislukte in Beieren een rechtse poging tot een staatsgreep, de Bierkellerputsch. Indertijd trok die weinig aandacht maar een van de deelnemers was Adolf Hitler van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij. Hitler werd tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld, waarvan hij uiteindelijk een jaar moest uitzitten. Tijdens deze detentie dicteerde hij Mein Kampf, dat later een centrale plaats in de nazipropaganda zou innemen.

In 1924 braken er iets betere tijden aan voor Duitsland. Gustav Stresemann, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken tijdens het presidentschap van Hindenburg (1925 - 1934), zocht toenadering tot de westelijke landen. Charles Dawes stelde als voorzitter van een internationale commissie het Dawesplan op. Premiers Ramsay MacDonald en Édouard Herriot stemden in met het Dawesplan. In 1925 sloot Duitsland het Verdrag van Locarno. De Roertroepen werden teruggetrokken. In 1926 werd het land lid van de Volkenbond.

Op 27 augustus 1928 was minister Streseman namens Duitsland in Parijs naast andere voornaamste mogendheden van die tijd ondertekenaar van het Briand-Kelloggpact. Internationale geschillen moesten niet door middel van oorlog opgelost worden, maar door vreedzame middelen zoals arbitrage. De Weimarrepubliek handelde in deze zaak echter niet geheel te goeder trouw. Het was Duitsland verboden tanks te bezitten maar dat ontdook men door een geheime wapenontwikkeling in Zweden en de Sovjet-Unie.

In 1929 kwam de Amerikaanse diplomaat Owen Daniel Young met het Young-plan. Het verzachtte de betalingen tot 114 miljard te voldoen over 59 jaar, gelijk aan ongeveer 3% van het BNP. De Duitse Nationale Volkspartij stelde het zo voor alsof het Duitse volk nog steeds ondraaglijk belast werd. Een referendum (Volksentscheid) verwierp het plan met grote meerderheid maar was niet bindend. De Duitse regering aanvaarde het plan tijdens de Eerste Haagse Herstelconferentie en de Tweede Haagse Herstelconferentie van 1930.

Grote Depressie

De Beurskrach van 1929 deed de Amerikaanse economie instorten. De Amerikaanse banken eisten hun leningen in Europa op. Alom gingen regeringen over tot protectionisme, het belemmeren van import, waardoor de wereldhandel inzakte. De Grote Depressie was een feit. Duitsland werd zwaar getroffen. De werkloosheid steeg tussen 1929 en 1933 van twee tot zes miljoen, 30% van de beroepsbevolking. In 1932 werd Duitsland in de Conferentie van Lausanne van verdere herstelbetalingen ontheven, wat echter een onbelangrijk punt was geworden in het licht van de fundamentele crisis waarmee men zich geconfronteerd zag. De communisten ageerden voor de invoering van een planeconomie zodat van staatswege de stilliggende fabrieken weer aan het werk gezet konden worden. De middenklasse vreesde echter zo'n bolsjewistische machtsovername. Een alternatief was de NSDAP met een mengsel van socialisme en nationalisme. Het aantal kiezers van de NSDAP groeide tot bijna veertien miljoen, 39,9% van de stemmen, bij de verkiezingen van juli 1932. Met de Sturmabteilung intimideerde men tegenstanders.

President Paul von Hindenburg weigerde echter Hitler als rijkskanselier te benoemen. Bij de verkiezingen van november 1932 verloren de nazi's aan aanhang. Kanselier Franz von Papen begon toen echter al een een zeer autoritair bewind te voeren. In januari 1933 haalden von Papen en Alfred Hugenberg, de leider van de DNVP, Hindenburg over om Hitler rijkskanselier te benoemen in een kabinet, waar zij ook zitting in zouden hebben. Bij de Rijksdagverkiezing van maart 1933 kreeg Hitlers partij 44% van de stemmen en die van Hugenberg 8%. Hitler nam hierop de macht over, verbood alle partijen behalve de NSDAP en liet geen nieuwe verkiezingen meer houden, het land in feite regerend als dictator.

1933 – 1939

Hitlers regime was economisch erg succesvol. In 1939 was de werkloosheid vrijwel uitgebannen en het BNP bijna verdubbeld. De infrastructuur, zoals het wegennet, werd sterk verbeterd. Dat aspect van zijn bewind kreeg ruime steun van de Duitse bevolking. Het succes was echter te danken aan een geleide loonpolitiek. De lonen waren in 1932 ingezakt en mochten daarna niet meer stijgen. Stakingen waren verboden. Hitler dacht dat een koopkrachtstijging en verdere groei afhankelijk zouden zijn van een toegang tot strategische grondstoffen en aardolie waar Duitsland een structureel gebrek aan had. Er was, mede door oplopende begrotingstekorten, steeds een tekort aan buitenlandse deviezen om die op de wereldmarkt te kopen. Het alternatief was die toegang te verzekeren via veroveringsoorlogen. Die optie paste veel beter bij de nazi-ideologie. Oorlog was daarin niet alleen middel maar ook een doel op zich. In de eeuwige strijd tussen de rassen was het de historische bestemming van het superieur geachte Arische Duitse Herrenvolk de Slavische Untermenschen te onderwerpen en overheersen.

 
De Duitse pantsermacht stelde eerst nog niet veel voor[1]

Ondanks intensieve militaristische en racistische indoctrinatie kwam het Duitse volk echter bepaald niet in een oorlogsstemming. De veiligheidsdiensten meldden dat, met de gruwelen van de vorige wereldoorlog nog vers in het geheugen, de animo voor een nieuwe slachting gering was. De Wehrmacht zelf achtte zich pas in 1943 klaar voor een militair conflict. Versailles had de omvang van de Reichswehr beperkt tot honderdduizend man. Tanks en een luchtmacht waren verboden; de marine mocht slechts lichtere schepen hebben. Maart 1935 begon een openlijke herbewapening. Ondanks steeds hogere militaire uitgaven, stijgend tot 18% van het BNP in 1938, was het lastig de achterstanden in te lopen. Het meeste geld ging naar kazernes, training en bunkers. Aan dure en snel verouderende zware wapens kon niet voldoende worden uitgegeven. Midden 1939 beschikte de Wehrmacht over 9000 kanonnen, 2500 tanks, 2300 vliegtuigen, 57 onderzeeërs en 45 oppervlakteschepen. In al die wapentypen liep men achter op potentiële vijanden. De bewapening leidde tot geldgebrek dat alleen door een agressie-oorlog leek te kunnen worden opgelost maar was toch niet voldoende om puur op getalsmatig overwicht daarin een overwinning te kunnen garanderen.[2]

Kort na de oorlog was de theorie populair dat de nazi's voor dit probleem een uitweg vonden in de innovatieve tactiek van de Blitzkrieg. Er zou zelfs een "blitzkriegstrategie" geweest zijn: door te investeren in tanks en die te concentreren in een klein aantal hoogwaardige pantserdivisies kon men op een snelle moderne wijze de vijand verslaan en zo op een uiteindelijk goedkope manier de wereldheerschappij verwerven. Hoewel zulke campagnes in de eerste jaren van de oorlog inderdaad gevoerd zijn, bleek door historisch onderzoek in de jaren vijftig dat zo'n strategie nooit bestaan heeft. Hitler had geen uitgewerkt plan om de wereld te veroveren en was zich slechts vaag bewust van het belang van pantsereenheden. Later werd ook duidelijk dat er zelfs geen blitzkriegdoctrine geweest is.[3] In het Duitse leger waren vrij traditionele en degelijke denkbeelden dominant.[4] Hitler was vooral een opportunist. Met het streven Duitstalige gebieden Heim in Reich te brengen, probeerde hij het Duitse volk warm te maken voor althans een beperkt conflict. Zo'n beroep op het zelfbeschikkingsrecht der volkeren kon ook concessies afdwingen bij de Britten en Fransen. Die waren daarvoor gevoelig omdat ze meenden bedreigd te worden door een veel gevaarlijker tegenstander dan Duitsland.

 
Mussolini en Hitler in 1938

Rond 1928 had Jozef Stalin in de Sovjet-Unie alle macht naar zich toe getrokken. Het land begon een transformatie tot een supermacht. Het Rode Leger groeide uit tot de grootste strijdmacht ter wereld. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk vreesden dat Stalin beoogde een wereldrevolutie te ontketenen. Ze versterkten het cordon sanitaire, een keten van anticommunistische staten. Al begin jaren dertig begonnen ze intensiever moderne wapens te ontwikkelen.[5] In reactie op de Grote Depressie waren ze echter aan het bezuinigen geslagen. Ze waren onwillig hun defensiebegrotingen heel snel te laten stijgen. Ze hoopten dat een conservatieve en militair sterke Duitse staat de Sovjet-Unie in bedwang kon houden. Daarom grepen ze niet in toen Duitsland een herbewapening aankondigde. Januari 1935 beëindigde Frankrijk zijn mandaatbestuur over het Saarland. Het greep maart 1936 niet in toen het Rijnland, in 1930 door de Franse troepen ontruimd op voorwaarde van een blijvende demilitarisering, weer door Duitse troepen bezet werd.

De oude Entente handhaafde de internationale rechtsorde dus niet meer. Ook de VS, met maar een minimale landmacht en een bevolking die sterk voor isolationisme was, hielden zich afzijdig.[6] Agressieve landen zagen nu hun kans schoon. Duitsland verliet in 1933 de Volkenbond. In oktober 1935 viel Italië Abessinië binnen. Juli 1937 viel Japan China binnen. Duitsland verbond zich in 1936 met Japan in het Anti-Kominternpact en met Italië in de as Rome-Berlijn. Deze "As-mogendheden" kregen in mei 1939 een nog nauwere band in het Staalpact. In maart 1938 dwong Duitsland Oostenrijk tot een annexatie in de Anschluss. Het steeds sterkere en radicalere Duitsland begon nu bij het VK en Frankrijk meer angst op te wekken dan de Sovjet-Unie ondanks de proxy war die dit land met de As voerde in de Spaanse Burgeroorlog. Stalin richtte zich op zijn interne problemen en zijn eigen strijdmacht vrezend roeide hij het officierenkorps daarvan grotendeels uit. De Britten en Fransen gingen zich krachtig bewapenen.[5] Omdat ze al een grote militaire infrastructuur, veel nog bruikbare artillerie uit de vorige oorlog en de moderne fortengordel van de Maginotlinie hadden, wisten ze dat ze het op korte termijn tegen Duitsland konden opnemen.[7] Toen Hitler in de herfst van 1938 het Duitstalige Sudetenland opeiste van Tsjecho-Slowakije overwoog men de strijd aan te gaan. Tsjecho-Slowakije was goed bewapend en had een sterke fortengordel; Frankrijk zou het Rijnland kunnen binnenvallen nu de Westwall nog niet klaar was. De Britse premier Neville Chamberlain wilde echter de peace in our time nog een kans geven en stond toe dat het Verdrag van München het Sudetenland bij Duitsland voegde.[8]

Deze appeasementpolitiek zou mislukken. Zij leerde Hitler slechts dat hij beloond werd als hij zijn beloften brak. In maart 1939 dwong Hitler de rompstaat Tsjecho-Slowakije zich te delen in het Duitse Protectoraat Bohemen en Moravië en de Eerste Slowaakse Republiek, een vazalstaat. De omvangrijke Tsjechische uitrusting en wapenindustrie vielen in zijn handen. Voor het VK en Frankrijk was de maat vol en zij gaven militaire garanties aan Polen. De Polen wezen hierop de eis van Hitler af hun Duitstalige gebieden op te geven en ook een vazalstaat te worden. De Duitse militaire top en ook veel nazikopstukken vreesden een oorlog omdat Duitsland daar nog lang niet klaar voor was. Op 24 augustus wist Hitler echter een enorme diplomatieke overwinning te boeken. De Entente had aangenomen dat de Sovjet-Unie zich hoe dan ook tegen haar ideologische vijand nazi-Duitsland zou keren. Hitler bood Stalin echter aan Oost-Europa onderling te verdelen in ruil voor neutraliteit en levering van grondstoffen. Ze sloten het Molotov-Ribbentroppact. Hitler nam nu aan dat de Britten en Fransen opnieuw zouden afzien van een militaire reactie. Op 1 september om 05:00 uur viel Duitsland Polen binnen. Het VK en Frankrijk lieten weten, dat ze hun verplichtingen jegens Polen zouden nakomen.

Op 2 september stelde de Italiaanse minister van buitenlandse zaken Galeazzo Ciano voor om een conferentie te houden van vijf staten in San Remo, na een wapenstilstand. Het VK stelde als voorwaarde dat Duitsland eerst zijn troepen terug zou trekken uit Polen; toen dit uitbleef, verklaarden het VK al in de avond en Frankrijk in de nacht van 3 september de oorlog aan Duitsland en was de Tweede Wereldoorlog onherroepelijk een feit.

De oorlog in Europa

De Inval in Polen

  Zie ook Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog en Aanvang van de Tweede Wereldoorlog
 
Polen, 1939

Het plan Fall Weiss volgend viel Duitsland op 1 september 1939 Polen binnen. De Fransen hadden de Polen beloofd met zestig divisies een westelijk front in Duitsland te openen maar beperkten zich in feite tot het zwakke Saaroffensief met negen divisies.[9] Dat stond de Duitsers toe van Silezië uit een sterke hoofdaanval richting Warschau uit te voeren. De Polen waren daar verzwakt doordat ze hun leger nog niet volledig gemobiliseerd hadden om Hitler niet te provoceren en belangrijke krachten geconcentreerd hadden rond Poznań voor een verrassingsaanval richting Berlijn. Na enkele dagen zware strijd brak het Poolse front tegenover Silezië. De oprukkende Duitse hoofdmacht werd toen echter op de linkerflank overvallen door het Poolse leger in Posen. Dat wist men af te schudden en te vernietigen waarna men het beleg legde voor Warschau. Intussen hadden Duitse pantsertroepen de corridor van Danzig doorsneden om via Oost-Pruisen Warschau van de oostzijde aan te vallen. Pogingen om de stad stormenderhand te nemen mislukten maar na een bombardement capituleerde de hoofdstad op 28 september. De Duitsers begonnen meteen systematisch alle Poolse intellectuelen te vermoorden.

 
De deling van Polen

De Sovjet-Unie viel op 17 september 1939 Oost-Polen binnen onder het voorwendsel Wit-Russische en Oekraïense minderheden te beschermen. Officieel bleef het land neutraal. De gevechten in Polen werden beëindigd op 6 oktober 1939, maar een fors deel van het Poolse leger en de regering weken via Roemenië uit naar Frankrijk waar ze weer gevechtseenheden oprichten die in 1940 opnieuw moesten vluchten, naar Engeland.

Schemeroorlog

Na oktober beëindigden de Fransen hun offensief. Daarna waren er nauwelijks nog gevechtscontacten aan de Frans-Duitse grens. Beide partijen onthielden zich van strategische bombardementen.[9] Deze schemeroorlog, die tot april 1940 zou voortduren, heette in het Engels de phoney war en in het Frans de drôle de guerre; in het Duits de Sitzkrieg.

De rust aan de fronten verhulde echter een enorme activiteit in het voorbereiden van toekomstige campagnes. Duitsland bood vrede aan maar de geallieerden weigerden de bezetting van Polen te accepteren. Ze hoopten hun vijand uit te putten door een economische blokkade, net als in de Eerste Wereldoorlog.[10] De sovjetleveranties zouden dat echter moeilijk maken. Daarom gingen ze over tot een echte oorlogseconomie om een overmacht aan manschappen en materieel op te bouwen en Duitsland daarmee te verslaan. In het VK was al in april 1939 de dienstplicht ingevoerd,[11] en Frankrijk, dat door lage geboortecijfers weinig rekruten had, importeerde die en masse uit Noord-Afrika. Voor de tienduizenden tanks en vliegtuigen die men nodig had, wilde men het grootste industrieland ter wereld inschakelen, de Verenigde Staten van Amerika. Amerikaanse neutraliteitswetgeving verbood het leveren van oorlogsmaterieel aan een strijdende partij maar op 5 november 1939 voerde president Franklin Delano Roosevelt het systeem van Cash and carry in: oorlogvoerenden mochten wapens aanschaffen als ze die meteen konden betalen en zelf vervoeren. Dat bevoordeelde de Entente enorm want Duitsland kon geen van beide.[12] Overigens had men geen haast. Men verwachte op zijn vroegst in de zomer van 1941 klaar te zijn voor een aanval op Duitsland en vermoedelijk pas in 1942, wanneer het VK vijfenvijftig divisies in het veld hoopte te brengen, alle gemotoriseerd, de modernste strijdmacht ter wereld.[13]

Voor de Duitse militaire top was het een somber vooruitzicht.[14] Die voorzag dat Duitsland het bewapeningstempo niet zou kunnen bijbenen.[15] Aan geld en strategische grondstoffen zou een nijpend tekort gaan ontstaan.[16] In maart 1940 was de Duitse import met 80% gekrompen.[17] Het beste waarop men zou mogen hopen was weer een patstelling maar zo'n slepende oorlog zou het land nog verder uitputten. Toen Hitler daarom al voor oktober een aanval op het Westen beval, werd hij erop gewezen dat de munitie voorlopig op was.[18] Toch zou op korte termijn de machtsbalans iets in het voordeel van Duitsland verschuiven.[19] De aanval op Polen was mogelijk gemaakt door een dertigtal zeer professionele divisies van het staande leger, zo'n zeshonderdduizend man. Haastig was men daarna 1,1 miljoen rekruten en 1,7 miljoen veteranen van de Eerste Wereldoorlog gaan trainen.[20] Als dat voltooid was in het voorjaar van 1940, had Duitsland een grote strijdmacht verworven waarmee al manoeuvrerend wellicht de positie verbeterd kon worden voordat de geallieerde opbouw hun front onaantastbaar zou hebben gemaakt. Duitslands beste tacticus, Heinz Guderian, en strateeg, Erich von Manstein, stelden daartoe in de herfst van 1939 samen een gewaagd plan op. Het leger moest dwars door de Ardennen oprukken, de Maas overschrijden en dan met tanks een diepe strategische penetratie uitvoeren naar het Kanaal.[21] Dit soort aanvallen, waaraan later de naam Blitzkrieg verbonden zou gaan worden, was voor de oorlog veel in boeken besproken maar in 1939 door geen enkel leger als methode aanvaard. Het plan werd onder de aandacht van Hitler gebracht en dat dwong chef-staf Franz Halder althans het element van de Ardennen over te nemen, hoewel het slechte wegennet zo'n opmars zeer riskant zou maken. Er was volgens echter geen alternatief: zonder zo'n gok zou men toch al verliezen.[22]

De Sovjetexpansie

 
De geplande en de feitelijke verdeling van Oost-Europa

De Sovjet-Unie dwong Estland, Letland en Litouwen in 1939 garnizoenen te accepteren van het Rode Leger. Eigenlijk was in augustus 1939 afgesproken dat Litouwen binnen de Duitse invloedssfeer zou vallen — maart 1939 had men al het Memelland moeten afstaan — maar het land werd geruild voor een strook Pools grondgebied dat toegevoegd werd aan het Generaal-Gouvernement, het Poolse hartland dat niet door Groot-Duitsland geannexeerd werd. Litouwen kreeg ook een strook Pools gebied, met de stad Vilnius.

Stalin wilde van Finland de Karelische Landengte annexeren, vlak bij Leningrad, de tweede stad van de USSR, in ruil voor een strook Finstalig gebied in Oost-Karelië. De Finse regering weigerde omdat op de isthmus de Mannerheimlinie lag, die essentieel was voor de Finse verdediging. Op 30 november 1939 begon het Rode Leger een offensief om Finland te veroveren. In deze Winteroorlog liep men echter vast op de Mannerheimlinie terwijl noordelijker over ijzige woudpaden oprukkende pantserdivisies door de Finnen in de pan gehakt werden. Men verloor tweeduizend tanks en tweehonderdduizend man tegenover de Finnen vijfentwintigduizend. Het Franse kabinet overwoog nu ook de Sovjet-Unie de oorlog te verklaren en het dappere landje te hulp te schieten.[23] Tegelijkertijd herleefden in Duitsland oude pro-Finse sentimenten. Stalin liet daarop met een grote overmacht aan troepen de Mannerheimlinie alsnog forceren en nam bij de wapenstilstand van 13 maart 1940 genoegen met de landengte en Oost-Karelië. Het gebeuren tastte het prestige van het Rode Leger ernstig aan en droeg in hoge mate bij aan de Duitse onderschatting van zijn militaire kracht.

De Sovjet-Unie annexeerde in 1940, na de Val van Frankrijk, de Baltische Staten en van Roemenië Bessarabië en Noord-Boekovina. Honderdduizenden inwoners van deze gebieden werden naar het oosten gedeporteerd.

Denemarken en Noorwegen

Noorwegen was voor de Duitse oorlogvoering belangrijk als aanvoerroute van Zweeds ijzererts, goed voor de helft van de Duitse staalproductie, en potentiële vlootbasis voor de Kriegsmarine. De Duitsers maakten daarom vanaf eind 1939 plannen voor een inval maar ook de Britten, mede in het kader van mogelijke hulp aan Finland.[24]

Op initiatief van Hitler werd Operatie Weserübung voorbereid, de bezetting van Noorwegen. Eind februari werd daar een inval in Denemarken aan toegevoegd. Op 3 april 1940 voer de Duitse vloot uit richting Noorwegen. Op 8 april legden de Britten zeemijnen in de Vestfjord voor Narvik. Op 9 april overschreden Duitse troepen de Deense grens en overviel men Kopenhagen. Na twee uur strijd gaf de Deense regering zich over nog voor men de tijd had Duitsland de oorlog te verklaren. Officieel bleef Denemarken zo een onbezet neutraal land met een klein Duits garnizoen maar ook met een eigen koning, kabinet, parlement en strijdmacht. Op 12 april bezetten de Britten de Faeröer en op 10 mei IJsland dat in 1941 onder Amerikaans bestuur geplaatst werd. Groenland stelde zich later in 1941 op eigen initiatief ook onder Amerikaanse bestuur, nog voor de VS een oorlogspartij werden. Augustus 1943 werd Denemarken alsnog onder Duits militair bestuur geplaatst. IJsland verklaarde zich in 1944 onafhankelijk.

De Duitsers landden op 9 april in Oslo, Bergen, Trondheim en Narvik. De landing in Oslo mislukte gedeeltelijk. Fort Oscarsborg bracht eerst de zware kruiser Blücher tot zinken en beschadigde daarna het vestzakslagschip Lützow zwaar.[25] Op 15 april voerden de Britten landingen uit in Midden-Noorwegen bij Namsos en Åndalsnes. Hun expeditietroepen werden echter verslagen door de Duitsers.[26] Meer succes hadden tegenaanvallen bij Narvik, de belangrijkste doorvoerhaven voor ijzererts. Op 9 en 13 april werden tien Duitse torpedobootjagers gekelderd.[27] Franse en Britse troepen heroverden daarop de haven. Toen Frankrijk bedreigd werd, evacueerde men de expeditiemacht.[28] Daarbij werd het vliegkampschip Glorious tot zinken gebracht door de Scharnhorst.[29] Het Noorse leger capituleerde op 9 juni 1940. Koning en regering weken uit naar Engeland.[30] De Duitse oppervlaktevloot raakte door de verliezen blijvend ernstig verzwakt.[31]

De Westelijke Veldtocht 1940

  Zie ook Duitse aanval op Nederland, Strijd in Zeeland, Duitse aanval op België en Slag om Frankrijk
 
Rotterdam na het bombardement in 1940

Op 10 mei 1940 begon de Duitse Wehrmacht Fall Gelb uit te voeren, het plan om Nederland, België en Luxemburg te bezetten teneinde van daaruit bombardementen te kunnen uitvoeren op Engeland. Ook blokkeerde men dan een mogelijke opmarsroute voor de verwachte offensieven van de Entente. Omdat de geallieerden een numerieke overmacht aan manschappen, tanks en artillerie bezaten,[32] wilde men via een slimme strategie toch een overwinning boeken. Men hoopte met een afleidingsaanval door Legergroep B de beste Britse en Franse troepen naar het noorden te lokken om ze daarna via de Ardennen af te snijden. De Nederlandse verdediging werd op het verkeerde been gezet door uitgebreide Duitse luchtlandingen. Een aanval op Den Haag mislukte weliswaar maar via de veroverde bruggen bij de Moerdijk en Dordrecht drong 9. Panzerdivision de Vesting Holland binnen. Heinkel He 111s voerden op 14 mei het Bombardement op Rotterdam uit en dreigden Utrecht te vernietigen, waarna opperbevelhebber generaal Winkelman zijn troepen in Nederland in de late middag overgaf, met uitzondering van Zeeland. Op woensdagochtend 15 mei 1940 werd de militaire capitulatieovereenkomst getekend. Regering, koningin Wilhelmina en de marine weken uit naar Engeland.

 
De Duitse doorbraak naar het Kanaal

Het Britse Expeditieleger en het Franse 7e en 1e Leger verenigden zich met het Belgische leger in Midden-België. Intussen trok Legergroep A door de Ardennen. Op 13 mei braken continue en massale bombardementen het Franse hoofdfront bij Sedan en Duitse gemotoriseerde infanterie overschreed de Maas.[33] In strijd met het plan van Halder verlieten de Duitse pantsergeneraals als Guderian en Erwin Rommel nu zonder op versterkingen te wachten de bruggehoofden[34] en voerden, in de stijl van een Blitzkrieg, een strategische penetratie uit naar het Kanaal dat op 20 mei bereikt werd. Een "haltbevel" van de door het succes overrompelde Hitler voorkwam echter dat Duinkerken meteen genomen werd en via die haven wisten tot 2 juni 330.000 Britse en Franse troepen in de Evacuatie van Duinkerken aan de omsingeling te ontsnappen, met achterlating van hun zware materieel. Het Belgische leger capituleerde echter op 28 mei, zijn Achttiendaagse Veldtocht beëindigend. Leopold III van België bleef in het land achter maar de regering week uit.

Het Duitse succes was groter geweest dan men had durven hopen en men besloot dit uit te buiten door meteen Frankrijk als geheel te verslaan volgens het plan Fall Rot. Op 5 juni begon een aanval aan de Somme, op 9 juni gevolgd door een hoofdoffensief dat het centrum van het Franse front openscheurde. De tactiek van de strategische penetratie was nu door het Duitse opperbevel omhelsd. Op 14 juni werd Parijs tot een open stad verklaard en op 17 juni bereikten de Duitse tanks de Zwitserse grens, de Maginotlinie omsingelend. Italië verklaarde op 10 juni de oorlog,[35] zich beperkend tot zwakke grensgevechten.

Duitsland had eenvoudig heel Frankrijk kunnen veroveren maar Hitler wilde graag met een Franse regering tot een vergelijk komen om te verhinderen dat men de oorlog uit de koloniën zou voortzetten en om ook de Britten tot vrede te verlokken. Op 22 juni 1940 ondertekende Frankrijk een wapenstilstand waarin het Elzas-Lotharingen afstond en het land verdeeld werd in een noordelijke bezettingszone en een zuidoostelijke marionettenstaat Vichy-Frankrijk, met de conservatief-nationalistische maarschalk Philippe Pétain als staatshoofd. Generaal Charles de Gaulle had echter op 18 juni al aangekondigd dat hij de strijd zou voortzetten als leider van de Vrije Fransen; die hadden voorlopig maar een minimale aanhang. Op 24 juni stond Frankrijk in Rome aan Italië een zone van 800 km² af. Op 3 juli brachten de Britten een deel van de Franse vloot tot zinken in de Aanval op Mers-el-Kébir, uit vrees dat die in Duitse handen zou vallen.

De Slag om Engeland

  Zie Slag om Engeland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
 
Bombardementen op Londen leidden maar tot beperkte schade

Na de Franse nederlaag wachtte Hitler vergeefs op een Brits vredesaanbod. De nieuwe premier Winston Churchill, op 10 mei 1940 Neville Chamberlain opgevolgd, wilde de oorlog voortzetten. Weliswaar was de Britse landmacht voorlopig zwak maar het overwicht van de Royal Navy, de grootste vloot ter wereld, maakte een Duitse invasie praktisch onmogelijk. Hitler en de Duitse marine zagen dat ook in. Hopend de Britten te intimideren gaf hij desalniettemin op 16 juli 1940 opdracht Operatie Seelöwe voor te bereiden, een landing. Planning en landingsvaartuigen ontbraken in eerste instantie. Om een schijn van kans te maken, poogde de Luftwaffe, het best uitgeruste Duitse krijgsmachtonderdeel, gedurende bijna twee maanden het luchtoverwicht te verwerven door de vliegvelden van de Royal Air Force in het zuiden van Engeland uit te schakelen. Door de snel stijgende Britse vliegtuigproductie en een geheim netwerk van radarinstallaties, ging dat erg moeizaam. Beide partijen raakten uitgeput.

Het op 24 augustus 1940 per ongeluk bombarderen van een woonwijk in Londen, leidde tot een Britse vergeldingsaanval op Berlijn. Hitler beval een massaal bombardement op Londen. Vanaf 7 september 1940 werd getracht de Britse oorlogswil te breken door stelselmatige terreurbombardementen op de burgerbevolking, maar dit bleek een fatale vergissing. De duizenden slachtoffers en de schade aangericht in Londen en andere steden braken het moreel niet. Duitsland had geen strategische bommenwerpermacht en was fysiek niet in staat Engeland te verwoesten. De RAF herstelde haar vliegvelden en bracht de Duitsers steeds zwaardere verliezen toe. Seelöwe werd uitgesteld en uiteindelijk afgeblazen. De Luftwaffe was meer dan 1500 vliegtuigen kwijtgeraakt.

Voor Churchill was het succes een grote opsteker. Het bewees dat de Duitsers verslagen konden worden en overtuigde de Britse bevolking van de noodzaak en uitvoerbaarheid van een verdere strijd. Het heldhaftige verzet kreeg volle sympathie van de Amerikaanse bevolking en maakte het Roosevelt eenvoudiger een pro-Britse politiek te voeren.

Duitse en Amerikaanse strategie

 
Hitler dacht in 1941 dat hij de hele wereld aankon en was voor het einde van dat jaar met zowel de USSR als de VS in oorlog

De Val van Frankrijk kwam voor de hele wereld als een schok. Het hield een omwenteling in de geostrategische situatie in. Frankrijk had de reputatie gehad de sterkste landmacht ter wereld te zijn. Die status viel nu toe aan Duitsland dat de hegemonie op het Europese continent verwierf. De nazi's zagen het als de vestiging van een Nieuwe Orde. De "decadente" liberale democratieën hadden afgedaan. De vier grote totalitaire dictaturen konden de wereld, vooral het Britse Imperium, onderling verdelen: aan Italië zou Afrika toevallen, aan de Sovjet-Unie India en aan Japan Zuid-Oost-Azië. Het zou echter niet komen tot een vreedzaam samenwerkingsverband. De overwinning voedde Hitlers grootheidswaan. Hij maakte zichzelf wijs dat zij te danken was aan zijn genie als veldheer. Hij begon te geloven in de eigen propaganda dat de Wehrmacht een "onoverwinnelijke oorlogsmachine" was. Niet van zins afhankelijk te blijven van leveranties door Stalin, beval hij al in juni 1940 de onderwerping van de Sovjet-Unie voor te bereiden. Als het VK vrede gesloten had, was hij in september tot een aanval in het oosten overgegaan.

 
Roosevelt ondertekent de Lend-Lease Bill

De Duitse bevolking was door de snelle overwinning, met maar een fractie van het aantal gesneuvelden in de Eerste Wereldoorlog, erg opgelucht. Hitler bereikte het toppunt van zijn populariteit. Men verwachtte daarvan ook de economische vruchten te kunnen plukken in de zin van een hogere levensstandaard. Uit Frankrijk en de Lage Landen geroofde luxegoederen als koffie en cacao kwamen voor korte tijd beschikbaar. Verdere welvaartsgroei zat er echter niet in. Integendeel, door de overgang naar een oorlogseconomie daalde de productie van consumptiegoederen. De voedselopbrengsten daalden doordat kunstmestfabrieken overschakelden op de fabricage van explosieven. Hitler poogde de pijn te verzachten door het beslag van de militaire uitgaven op het BNP te beperken tot 38%, vergeleken met de 60% waartoe het VK al in 1940 overging. Dit dwong tot het maken van duidelijke keuzen in de inzet van de beperkte productiecapaciteit. Een duur en onzeker plan voor de ontwikkeling van een atoombom werd al in een vroeg stadium afgewezen. In een tweefrontenoorlog wilde Hitler gelijktijdig het VK en de USSR verslaan. Het eerste hoopte hij te doen door honderden onderzeeërs te bouwen. Dat zou echter de productie van tienduizenden tanks verhinderen die nodig waren voor een langdurige oorlog in het oosten. Dit probleem werd opgelost door aan te nemen dat de tactiek van de Blitzkrieg een snelle overwinning op het Rode Leger garandeerde.

Ook de Amerikanen waren geschokt. De bevolking begon Nazi-Duitsland voor het eerst als een serieuze bedreiging te zien. Roosevelt kwam tot de overtuiging dat een deelneming van de VS aan de oorlog aan de zijde van het VK onvermijdelijk was. Hij moest echter voorzichtig handelen omdat het isolationisme nog zeer sterk was. Begin juni 1940 zond hij op presidentieel bevel oude voorraden geweren en munitie naar de Britten. Op 2 september kwam hij met Churchill de Destroyers-for-bases deal overeen: in ruil voor vijftig oude torpedobootjagers, zeer nuttig voor de konvooidienst, werden aan de Amerikanen Britse bases op het westelijk halfrond geleased. Toen Roosevelt in november voor de tweede keer herkozen werd, kon hij openlijker in het voordeel van de Britten handelen. Op 29 december noemde hij de VS in een radiopraatje het "Arsenaal van de Democratie" en kondigde een gigantisch wapenproductieprogramma aan. Aanbevolen als middel om de Britten te laten vechten in plaats van Amerikanen werd het in feite voornamelijk gebruikt om de grootste economie van de wereld ook in een militaire supermacht te veranderen. Op 11 maart 1941 werd de Leen- en Pachtwet van kracht. Die stond het de Amerikaanse regering toe om gedurende de oorlog voor vijftig miljard dollar aan oorlogsmaterieel kosteloos aan andere geallieerden te leasen. Op 14 augustus 1941 sloten het VK en de VS het Atlantisch Handvest waarin ze hun visie over de situatie na de oorlog vastlegden. De tweede helft van 1941 begeleidden Amerikaanse oppervlakteschepen konvooien op de westelijke Atlantische Oceaan en vielen er Duitse onderzeeërs aan.

De Slag om de Atlantische Oceaan

  Zie Slag om de Atlantische Oceaan voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
  Zie ook Enigma en de U-bootoorlog

Duitse onderzeeërs hadden al in 1939 het Britse vliegkampschip Courageous en slagschip Royal Oak tot zinken gebracht.[36] De achilleshiel van het VK was het feit dat 70% van het voedsel geïmporteerd moest worden.[37] Een effectieve blokkade kon Groot-Brittannië dus uithongeren. Van 1940 af poogde de Kriegsmarine, gebruikmakend van Franse havens en een groeiend aantal onderzeeërs, meer Britse koopvaarders tot zinken te brengen dan er gebouwd konden worden. Al in 1941 was men die race aan het verliezen door het effectieve systeem van het varen in begeleide konvooien. Na de oorlogsverklaring aan de VS werd het doel helemaal onmogelijk ondanks Operatie Paukenschlag om de Amerikaanse kustvaart te treffen.

In mei 1943 bereikte het aantal Duitse operationele onderzeeërs een piek van 240. De geallieerde verliezen waren groot maar namen toen snel af door de introductie van sonar en radarsystemen om onderzeeërs op te sporen, luchtpatrouilles op de lange afstand en het kraken van de Enigmacodes voor de versleuteling van de Duitse militaire communicatie. Hoewel uiteindelijk 3500 geallieerde koopvaarders tot zinken werden gebracht, verloren de Duitsers 783 onderzeeërs. Hun enorme investering in het duikbootwapen had voor hen geen merkbare positieve invloed op het oorlogsverloop.

Luchtoorlog

Anders dan Duitsland had het Verenigd Koninkrijk wel viermotorige strategische bommenwerpers met een groot vliegbereik in massaproductie genomen. Vanaf september 1940 probeerde het daarmee Duitse bevolkingscentra en industrieën te treffen. Tot ver in 1944 was dit de enige mogelijkheid Duitsland direct aan te vallen. De bombardementen hadden eerst weinig effect, onder andere door de noodzaak om voor de veiligheid alleen 's nachts te opereren. In 1942 voegden de VS zich in de luchtoorlog. De zwaarbewapende B-17 Flying Fortress stond de Amerikanen toe ook overdag te vliegen. In 1943 waren de geallieerden zo sterk geworden dat men systematisch alle Duitse steden kon gaan verwoesten. Dit dwong de Duitsers te investeren in een brede gordel van radarinstallaties, vliegvelden en luchtafweergeschut, in zowel Frankrijk, de Lage Landen als Duitsland zelf. Dat verminderde de wapenleveranties aan de fronten.[38] In 1944 had 20% van de Duitse munitieproductie en 30% van de gefabriceerde direct-vuur-wapens de luchtafweer als bestemming.[38] Begin 1944 kwam de Amerikaanse P-51 Mustang beschikbaar, een langeafstandsjager die de bommenwerpers tot in Duitsland kon begeleiden. Midden 1944 veroverden de geallieerden Frankrijk, wat een gat sloeg in de Duitse luchtafweer en ze in staat stelde bases vlak bij Duitsland te gebruiken. De effectiviteit van de tapijtbombardementen was beperkt. Het moreel van de burgerbevolking werd er niet door gebroken en de productie van de Duitse oorlogsindustrie bleef ieder jaar verder stijgen. Pas in de tweede helft van 1944 daalde de Duitse industriële productie scherp.[39]

De luchtoorlog vergde aan beide zijden een grote inzet van manschappen en materieel. De geallieerden gebruikten Groot-Brittannië in 1944/1945 als aanvalsbasis voor een luchtvloot van dertigduizend bommenwerpers en jagers,[40] het vijftienvoudige van wat de Luftwaffe op dat moment in het westen beschikbaar had. De geallieerde verliezen waren met veertigduizend vliegtuigen hoog, maar hun grote productiecapaciteit compenseerde dat. De Duitsers verloren in totaal vijftigduizend vliegtuigen in deze strijd. De geallieerden wierpen anderhalf miljoen ton bommen op Duitsland, waarbij een half miljoen Duitse burgerdoden vielen.

Afrika en de Middellandse Zee

  Zie Noord-Afrikaanse Veldtocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
 
Britse Crusadertank passeert een brandende Duitse Panzerkampfwagen IV bij Tobroek, november 1941

Italië, met een zwak leger en beperkte industriële capaciteit,[41] ging een reeks militaire avonturen aan waarin alleen Duitse hulp een snelle nederlaag voorkwam. Augustus 1940 bezette het Brits Somaliland. Een Britse tegenoffensief tot november 1941 veroorzaakte het verlies van Italiaans Somaliland, Eritrea en Abessynië. Tweehonderdduizend man vielen op 13 september 1940 van Libië uit het door de Britten beheerste Koninkrijk Egypte binnen, het Suezkanaal en de olievelden van Irak en Perzië bedreigend. De Britten veroverden hierop het oosten van Libië. De Italiaanse vloot werd grotendeels uitgeschakeld. Het Duitse Afrikakorps onder Erwin Rommel heroverde begin 1941 de Cyrenaica weer.

Nadat het gebied eind 1941 voor hem weer verloren ging, rukte Rommel in 1942 eerst op naar Gazala en toen tot El Alamein, slechts 106 kilometer ten westen van Alexandrië. Het lukte hem niet meer door de Britse stelling daar heen te breken.

De Balkan

Albanië was reeds in april 1939 door de Italianen bezet. Mussolini, jaloers op de Duitse successen, begon op 28 oktober 1940 de Grieks-Italiaanse Oorlog. Het Italiaanse offensief liep vast en een Grieks tegenoffensief wierp na 14 november 1940 de Italianen tot ver over de Albanese grens. In eerste instantie weigerden de Grieken Britse steun, om Hitler niet te provoceren.

Duitsland begon territoriale veranderingen door te voeren op de Balkan. Voornaamste slachtoffer was Roemenië dat Zevenburgen moest afstaan aan Hongarije, Bessarabië aan de Sovjet-Unie en het zuiden van de Dobroedzja aan Bulgarije. Hongarije, Roemenië, en Bulgarije werden gedwongen zich bij de As aan te sluiten. De Grieken stonden nu toe dat er Britse troepen landden op Kreta en hun vasteland. De Britten waren nu in staat de voor Duitsland essentiële Roemeense olievelden te bombarderen.

 
Europa in april 1941

Joegoslavië sloot zich ook aan bij de As maar op 27 maart 1941 vond er in reactie een staatsgreep plaats. In de Invasie van Joegoslavië overweldigden Duitse, Italiaanse, Hongaarse en Bulgaarse troepen daarom vanaf 6 april 1941 de versnipperde verdediging van de Joegoslaven. Tegelijkertijd vielen Duitse strijdkrachten Griekenland vanuit Bulgarije binnen. De Grieken lieten na de Metaxaslinie voldoende te versterken en de Grieks-Britse strijdmacht begaf het onder de Duitse overmacht. Op 27 april 1941 viel Athene. Op 20 mei voerden Duitse parachutisten een landing op Kreta uit, dat zij na tien dagen van zware gevechten op de Britten wisten te veroveren. Joegoslavië en Griekenland werden verdeeld. De campagne leidde tot een vertraging in de Duitse voorbereidingen voor de invasie van de Sovjet-Unie.

De asmogendheden hadden de Balkan schijnbaar onder controle, maar zouden in Joegoslavië, Albanië en Griekenland te maken krijgen met een felle partizanenstrijd, die door de westelijke geallieerden met wapenleveranties gesteund werd en vele divisies bond. De nationalistische en communistische verzetsbewegingen vochten ook onderling wat leidde tot de Griekse Burgeroorlog die tot 1949 zou duren. In Joegoslavië en Albanië waren de communisten sterk genoeg om de Duitsers min of meer op eigen kracht uit grote gebieden te verdrijven, zodat zij in het naoorlogse communistische blok buitenbeentjes konden blijven. Uit Griekenland trokken de Duitsers zich eind 1944 uit eigen beweging terug, toen het oprukkende Rode Leger ze dreigde af te snijden.

  Zie ook Joegoslavische campagne en De Balkan tijdens de Tweede Wereldoorlog

Het oostfront

 
Duits plan voor Operatie Barbarossa
 
Warschau 1944
  Zie Oostfront (Tweede Wereldoorlog) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De strijd aan het oostfront was tussen 1941 en 1945 het kernconflict in Europa, waarin de twee grootste Europese mogendheden de afloop van de oorlog grotendeels bepaalden. Het nationaalsocialisme wilde Lebensraum verwerven door in het oosten de Joden uit te roeien, het communisme te vernietigen en een uitgedunde Slavische bevolking blijvend te onderwerpen aan een bovenlaag van Germaanse kolonisatoren. Meer dan een imperialistisch streven naar grondgebied of grondstoffen was het voor beide staten een existentiële worsteling op leven en dood. Aan het oostfront vielen de meeste slachtoffers, onder burgers en soldaten. Van de 3 251 868 gesneuvelden en vermisten in het Duitse veldleger tot 30 november 1944, waarna er geen exacte gegevens meer zijn, vielen 2 416 784 aan het oostfront.[42] Dat weerspiegelt de relatieve inzet van manschappen, voorraden en materieel. Op het oostfront is Duitsland verslagen. Omdat het verloop op andere fronten veel minder was, bevond zich op ieder gegeven moment overigens maar een minderheid van de Duitse totale sterkte in het oosten. Hoewel de mankracht van de Wehrmacht in 1943 tot boven de twaalf miljoen steeg, viel de sterkte aan het oostfront onder de drie miljoen, mede omdat de meesten er alles aan deden om elders ingezet te worden. Het Rode Leger registreerde het sneuvelen van 6 329 000 soldaten.[43]

Operatie Barbarossa

  Zie Operatie Barbarossa voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Op 22 juni 1941 bevond het Duitse leger zich op het toppunt van zijn slagkracht doordat een massa divisies op volle sterkte en compleet bevoorraad paraat stond voor de invasie van de Sovjet-Unie. Meer dan drie miljoen Duitse soldaten, uitgerust met 3580 tanks, 7184 kanonnen en 2740 vliegtuigen begonnen Operatie Barbarossa, ondersteund door het Roemeense en Finse leger. Het veel grotere Rode leger van bijna zes miljoen soldaten, 25 700 tanks en 18 700 vliegtuigen was de mindere in ervaring, competentie, training, slagvaardigheid en logistieke ondersteuning. In de eerste fase maakten de Sovjets de fout de Duitse moderne bewegingsoorlog te willen imiteren in plaats van zich in te graven of in de diepte op te stellen. Als gevolg werden hun grenslegers en gemechaniseerde korpsen binnen vijf weken omsingeld en vernietigd.

Eind juli leek Duitsland de oorlog tegen de Sovjet-Unie te hebben gewonnen — en daarmee de hele Tweede Wereldoorlog. Wapenbestellingen werden vast verminderd. De Duitse Legergroep Noord moest nu naar Leningrad oprukken, Legergroep Zuid de olievelden in de Kaukasus bereiken en Legergroep Midden Moskou veroveren. Voor oktober moest al het gebied ten westen van de Wolga worden bezet voordat de herfstmodder het onverharde wegennet onbegaanbaar maakte. Weerstand van betekenis werd niet meer verwacht. In feite vormden zich weer grote Sovjetlegers op de lijn Loega - Smolensk - Kiev. Men had de mobilisatiecapaciteit van het Rode Leger ernstig onderschat: het zou tot het einde van de oorlog bijna dertig miljoen reservisten en rekruten oproepen. De tegenslag leidde tot een crisis in de Duitse bevelsvoering. Het besef begon door te dringen dat de strijd niet enkele maanden maar vele jaren zou duren terwijl het land niet voorbereid was op een slepende oorlog. Het Duitse leger gebruikte de maand augustus om zich te bevoorraden en een nieuwe strategie vast te stellen. Hierbij deed zich voor de Duitsers een tweede dreigende ontwikkeling voor: Hitler, hoewel een totale amateur, begon zich in toenemende mate met het operationeel bevel te bemoeien. Hij beval Legergroep Midden naar het zuiden af te buigen om samen met Legergroep Zuid het Sovjetleger bij Kiev te vernietigen. Toen de troepen weer terug in positie waren, liep het offensief tegen Moskou in oktober vast in de modder. Tijdens de vroege vorst bereikte men weliswaar de lijn Leningrad - Moskou - Rostov, maar toen werden de slecht bevoorrade troepen getroffen door de Russische koude, zonder dat men winteruitrusting had. Het eerste echte tegenoffensief van de Sovjet-Unie in december en januari 1942 wierp legergroep Midden bijna tweehonderd kilometer terug.

Op 11 december verklaarde Hitler de Verenigde Staten van Amerika de oorlog. Binnen vier maanden was Duitsland van een schijnbaar gewonnen positie in een geostrategisch rampzalige situatie beland.

Stalingrad

  Zie Slag om Stalingrad voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Duitse leger aan het oostfront raakte in de winter van 1941/1942 blijvend verzwakt. De Duitse wapenproductie nam slechts geleidelijk toe en de tanksterkte zou de drieduizend nooit meer bereiken. De veel grotere wapenindustrie van de Sovjet-Unie echter was uit Leningrad en Charkov naar de Oeral geëvacueerd en zou in 1942 twintigduizend tanks fabriceren, van de superieure typen T-34 en KV-1. De nieuwe Sovjetlegers werden voornamelijk voor Moskou geposteerd. Hierdoor bleef de zuidelijke sector slechter bezet. Hitler beval daardoorheen te breken met een vijftigtal divisies die men nog wel op sterkte had weten te brengen. Zo hoopte hij de olievelden in de Kaukasus te veroveren en daarmee zowel brandstof als tijd te winnen voor een opbouw van de Duitse oorlogsindustrie. De Duitse pantsereenheden bereikten in de zomer van 1942 de Don en bogen toen af naar het zuiden voor een verre tocht richting Bakoe, dat echter nooit bereikt zou worden. Hun rol als pantserreserve konden ze niet meer vervullen terwijl de lange flanken van hun opmars alleen gedekt konden worden door de inzet van inferieure Italiaanse, Hongaarse en Roemeense legers.

De situatie werd nog riskanter doordat Hitler beval aan de Wolga Stalingrad te veroveren, een belangrijk centrum voor de wapenindustrie. Het Zesde Leger onder Friedrich Paulus liet zich, in een zinloze prestigestrijd, verwikkelen in bloedige stadsgevechten. Een tangbeweging, dwars door flankerende Roemeense legers, omsingelde in Operatie Uranus november 1942 een kwart miljoen man van het Zesde Leger. Een poging tot ontzet door de haastig uit de Kaukasus teruggeroepen pantsertroepen mislukte en op 2 februari 1943 capituleerden de restanten. Nog nooit eerder was een heel Duits leger verloren gegaan. Opvolgende Sovjetoffensieven vernietigden ook de Hongaarse en Italiaanse troepen waarna bijna het hele gebied boven de Kaukasus door de Duitsers ontruimd moest worden en pantserspitsen honderden kilometers naar het westen oprukten.

Het prestigeverlies voor Duitsland was groot. Joseph Goebbels riep de "totale oorlog" uit, dus met nog zwaardere lasten voor de Duitse bevolking. Het was echter duidelijk dat de kwaliteit van het Rode Leger langzaam verbeterde.

El Alamein, Torch en Italië

  Zie ook Italiaanse Veldtocht

Tegelijk met de Slag om Stalingrad bracht Bernard Montgomery, aanzienlijk versterkt met Amerikaans materieel, in de Tweede slag bij El Alamein Rommel in november 1942 een vernietigende nederlaag toe. Dezelfde maand landden Britten en Amerikanen in Algerije en Marokko in Operatie Torch. Rommel rukte naar het westen op tot in Tunesië maar het leger van de Asmogendheden werd daar in mei 1943 vernietigd zodat ze geheel uit Afrika verdreven waren.

De geallieerden landden op 10 juli 1943 op Sicilië, wat op 25 juli leidde tot de val en arrestatie van Benito Mussolini, waarna de regering van Pietro Badoglio heimelijk over vrede ging onderhandelen. Op 3 september 1943 werd de Straat van Messina overgestoken. Italië sloot op 8 september een wapenstilstand en koos de geallieerde zijde. De Duitsers waren al van begin augustus af bezig Italië te bezetten volgens Fall Achse en ondervonden weinig Italiaans verzet. Duitse pantsereenheden die op 9 september Operatie Avalanche weerstonden, de landing bij Salerno, trokken zich terug en vormden met de versterkingen een sterk hoofdfront ten zuiden van Rome. Pogingen er in de Slag om Monte Cassino doorheen te breken mislukten. In januari 1944 probeerden de geallieerden de linie in de rug aan te vallen via de Landing bij Anzio maar ook dat bleef een geïsoleerd bruggehoofd. Pas in mei 1944 werd de linie gebroken en op 4 juni 1944 Rome bevrijd. Daarna blokkeerden de Duitsers noordelijker een opmars in de Gotenstellung die pas in april 1945 viel waarna de Duitsers in Italië op 30 april capituleerden.

Het Italiaanse front legde beslag op een veertigtal Duitse divisies en veroorzaakte zo een ernstige verzwakking van het oostfront. Op 12 september 1943 werd Mussolini door een Duitse commandoactie bevrijd en leidde daarna de Italiaanse Sociale Republiek, een rompstaat zonder het zuiden en Zuid-Tirol dat bij Duitsland gevoegd werd. De ISR leverde maar een geringe oorlogsinspanning. Op 28 april 1945 werd Mussolini door partizanen geëxecuteerd.

De conferenties van Casablanca en Teheran

 
Churchill en Roosevelt in Casablanca

De grote coalitie die zich in 1941 gevormd had tussen het Verenigd Koninkrijk, de USSR en de Verenigde Staten, had moeite tot een gezamenlijke strategie te komen. Er was steeds de dreiging dat de westelijke geallieerden of de Sovjet-Unie een aparte vrede met Duitsland zouden sluiten. Een vrede in het westen zou de grote geallieerde wapenleveranties aan het Rode Leger beëindigen, Hitler toegang verschaffen tot olie en grondstoffen en miljoenen soldaten vrijmaken voor een wellicht succesvolle strijd aan het oostfront. Omgekeerd zouden zonder zo'n oostfront succesvolle landingen in Europa uiterst problematisch worden en de bevrijding van West-Europa twijfelachtig.

 
In Teheran hield Stalin een diner in de Sovjetambassade

Tussen het VK en de VS bestonden ook onderling twistpunten. Ze hadden al afgesproken voorrang te verlenen aan de strijd in Europa boven die tegen Japan. In 1942 boekte Japan echter grote overwinningen en Roosevelt wenste een grotere Britse bijdrage aan de oorlog in Azië en hoopte de eindoverwinning tegen Hitler zo snel mogelijk af te handelen zodat Amerikaanse krachten zouden vrijkomen voor de gevechten in de Stille Oceaan. Hij zette in op het openen van een Tweede Front in 1943, iets waar ook Stalin sterk op aandrong. De Britten achtten dit echter niet realistisch. Churchill wenste dat de "zachte onderbuik" van Europa werd aangevallen, eerst door een landing in Italië en dan door een landing in de Balkan. Hij was altijd al een fervent anticommunist geweest en hoopte zo een overheersing van Oost-Europa door de Sovjet-Unie te voorkomen. Churchill was niet afkerig van een aparte vrede met Duitsland, mits Hitler ten val werd gebracht.

In januari 1943 werden tijdens de Conferentie van Casablanca de meningsverschillen tussen de westelijke geallieerden ten dele opgelost. Eerst zou men Tunesië veroveren en in Italië landen maar daarna in Frankrijk en niet in de Balkan. Men probeerde de Gaulle's Vrije Fransen en de Franse autoriteiten in Noord-Afrika te verzoenen zodat heel geleidelijk Frankrijk weer de rol van volwaardige partner in de oorlog zou herwinnen, iets wat vergemakkelijkt werd doordat Duitsland na Torch Vichy-Frankrijk bezet had. Roosevelt liet in de Verklaring van Casablanca de eis van een "onvoorwaardelijke overgave" van de Asmogendheden opnemen, wat een aparte vrede vrijwel uitsloot.

Stalin was in Casablanca niet aanwezig geweest. In november 1943 ontmoette hij Churchill en Roosevelt bij de Conferentie van Teheran. Churchill stemde daar in met een landing in Frankrijk in mei 1944, het einde voor zijn plannen in de Balkan. Stalin beloofde voor dat jaar een groot zomeroffensief. Churchill en Stalin bereikten een overeenkomst over de nieuwe grenzen van Polen. Ook werd afgesproken om Duitsland te verdelen. Roosevelt opperde de vorming van een Verenigde Naties. Daarmee maakte hij Stalin warm voor het idee na de oorlog de wereld in twee machtsblokken te verdelen, die vreedzaam naast elkaar konden bestaan.

Koersk en de Oekraïne

De ineenstorting van het Duitse front in de Oekraïne deed Hitler inzien dat hij het operationeel bevel aan het oostfront in de handen van een professional moest leggen. In een briljante campagne vernietigde Von Manstein gedurende februari en maart 1943 de pantserspitsen van het Rode Leger en stabiliseerde de situatie waarbij Charkov heroverd werd. Het zou de laatste grote Duitse overwinning in de oorlog blijven. Gedurende 1943 steeg de Duitse tankproductie. Guderian drong er bij Hitler op aan daarmee een grote pantserreserve in het oosten te vormen van zo'n tweeduizend tanks. Als een gelijk aantal in het westen verzameld kon worden, was er goede hoop iedere geallieerde aanval af te slaan. Dat hing samen met de oprichting van uitgebalanceerde pantsergrenadierdivisies, waarin infanterie, uitgerust met half-tracks, nauw samenwerkte met tanks en duikbommenwerpers.

Hitler gaf echter prioriteit aan zijn politieke doelstellingen. Bang voor een staatsgreep door de generaals, liet hij de Waffen-SS uitgroeien tot een parallel leger. De daaraan bestede mankracht had veel efficiënter gebruikt kunnen worden door de structureel onderbezette reguliere divisies op sterkte te brengen. De SS beklemtoonde de vermeende waarde van een fanatieke nationaalsocialistische "wil tot overwinnen" boven professionaliteit. Die wil moest ook Hitlers bevel rechtvaardigen steeds stand te houden, ook als een terugtocht de enig zinnige optie was. Hitler wilde na Stalingrad de indruk wegnemen dat Duitsland de oorlog al verloren had. Daarvoor was het nodig om net als in 1941 en 1942 een groot zomeroffensief uit te voeren. Als begin van die operatie werd de frontboog bij Koersk uitgekozen. Duitsland had in reactie op de T-34 een nieuwe generatie tanks ontwikkeld: de Tiger I en de Panther. Die typen bleken duur om te produceren en Hitler stelde de aanval uit tot er wat meer van beschikbaar kwamen. Dat stelde het Rode Leger in staat bij Koersk brede afweergordels van antitankgeschut aan te leggen.

In de Slag om Koersk van juli 1943 liep deze laatste grote aanval van de Duitsers vast. Ze verloren voorgoed het strategisch initiatief maar ook de kans op een effectieve verdediging. Hun aantal operationele tanks daalde naar de duizend, onvoldoende om hun zwakke linies, bezet door onderbemande infanteriedivisies die nog van paardentransport afhankelijk waren, na een doorbraak van vijandelijke tanklegers te sluiten. In september vluchtte het Duitse leger naar de Dnjepr. Het hoopte aan de brede stroom een Ostwall aan te leggen waarachter men zich kon herstellen. Het Sovjetbevel besefte dat dit koste wat kost voorkomen moet worden. Het Rode Leger overschreed de rivier en voerde tot april 1944 een reeks offensieven uit waarin met een massale inzet van manschappen en tanks de Duitsers uit de westelijke Oekraïne gedreven werden. Hitler verbood pantserdivisies uit Frankrijk aan te voeren uit vrees dat dit deel was van een plan om hem ten val te brengen. Zijn enige hoop was nog de "invasie" te doen mislukken. Zijn verbod terug te trekken leidde tot onnodig zware Duitse verliezen.

Landing in Normandië

 
Aanvalsroutes 6 juni 1944
  Zie ook Slag om Normandië

Tot de zomer van 1944 waren de grote legers en materieelreserves die de westelijke geallieerden hadden opgebouwd, nog nauwelijks ingezet. Ze konden pas een beslissende factor worden na een invasie van West-Europa. Voor een geslaagde verdediging van Duitsland was het essentieel dat zo'n landing zou mislukken. Door de verliezen aan het oostfront had Hitler in Frankrijk echter maar de helft van de benodigde panterreserves verzameld, ondanks een gestegen tankproductie. Het geallieerde luchtoverwicht zou het moeilijk maken die reserves te verplaatsen. Rommel hoopte de landingstroepen al in de eerste 24 uur in de zee te drijven want de verdedigingslinie aan de westkust, de Atlantikwall, had weinig diepte. Men durfde echter niet te gokken waar de landingen precies zouden plaatsvinden en de reserves werden verspreid.

 
Omaha Beach in Normandië, juni 1944

Op 6 juni 1944, D-Day, begon Operatie Overlord, de grootste gecombineerde amfibische en luchtlandingsoperatie in de geschiedenis met meer dan zesduizend vaartuigen, ondersteund door twaalfduizend vliegtuigen, landend in vijf bruggehoofden op de kust van Normandië. De geallieerden wonnen wegens hun materieelvoorraden de uitputtingsslag met de langzaam aankomende Duitse reserves. Eind juli 1944 braken de Amerikanen uit in Operatie Cobra, van het westen uit het Duitse hoofdfront omvattend. Hitler verbood een terugtocht en de Duitse strijdkrachten in Normandië werden grotendeels vernietigd. Op 15 augustus landden de geallieerden in Zuid-Frankrijk, in Operatie Dragoon, en rukten snel op naar het noorden. Parijs werd door de Vrije Fransen bevrijd op 25 augustus 1944. Het Duitse leger vluchtte naar het noordoosten. Al begin september waren Frankrijk en België grotendeels bevrijd.

Operatie Bagration

Na D-Day werd een belangrijk deel van de Duitse pantserdivisies uit het oosten naar Frankrijk overgebracht. Het Duitse oostfront was nu erg kwetsbaar. Door het verlies van de westelijke Oekraïne was de frontlijn tot zo'n vierduizend kilometer uitgerekt. Wat er nog aan pantserreserves resteerde, moest in het zuiden van Polen geplaatst worden om te voorkomen dat het Rode Leger in één keer naar de Oostzee zou doorstoten. Legergroep Midden, die nog zeventig tanks overhad, werd op 22 juni 1944 aangevallen in Operatie Bagration en binnen een maand praktisch vernietigd. Wit-Rusland werd bevrijd en de opmars isoleerde uiteindelijk Legergroep Noord in Koerland.

Finland beëindigde op 5 september alle oorlogshandelingen tegen de Sovjet-Unie. Op 20 augustus opende het Rode Leger een groot offensief tegen Roemenië. Twee Duitse legers werden er omsingeld en vernietigd waarna het land de geallieerde zijde koos. Dit beroofde Duitsland van de enige grotere bron van aardolie. Op 5 september verklaarde de Sovjet-Unie de oorlog aan Bulgarije dat onmiddellijk alle verzet staakte. Het Rode Leger overschreed de Karpaten en rukte op tot voor Boedapest.

Vertraging in de geallieerde opmars

De catastrofes in de zomer van 1944 hadden de Wehrmacht onherstelbare schade toegebracht. In Normandië en aan het oostfront waren 130 divisies vernietigd of geïsoleerd geraakt. Men kon de fronten alleen nog sluiten door er nauwelijks getrainde rekruten in te zetten, wat de kwaliteit van de gevechtseenheden ernstig verminderde. Dit was des te erger omdat de legers van de westelijke geallieerden uit elitedivisies bestonden: volledig gemotoriseerd en ruim voorzien van pantservoertuigen. Toch leidde dit niet tot de ogenblikkelijke ineenstorting van van Nazi-Duitsland. De geallieerde opmars stokte en kwam pas begin 1945 weer op gang. Ten dele kwam dit door wanhopige noodmaatregelen die het regime nam. Na de aanslag op Hitler heerste er een paranoïde sfeer van terreur en ieder vermeend teken van verzet of onwil kon met de dood bestraft worden. Aan vrouwen werd een verruimde arbeidsplicht opgelegd en elke man of jongen die een wapen kon dragen werd opgeroepen in de Volkssturm. De belangrijkste reden voor de vertraging lag echter in grote logistieke problemen: na de intense gevechten moesten de geallieerde troepen weer bevoorraad worden en wegens de grote terreinwinst over langere aanvoerlijnen, in het westen helemaal uit Normandië.

Op 17 september deden de Britten en Amerikanen in Operatie Market Garden toch een poging om de Duitse zwakte snel uit te buiten. Luchtlandingen moesten de bruggen over de Nederlandse grote rivieren nemen om via de Rijnbrug bij Arnhem de Westwall te omtrekken en door te stoten naar het Ruhrgebied. Dit mislukte en pas de bloedige Slag om de Schelde kon in de herfst de zeeweg vrijmaken naar de essentiële haven van Antwerpen. In december 1944 vergokte Hitler zijn laatste pantserreserve aan het Ardennenoffensief om Antwerpen te heroveren; dit vertraagde de hernieuwde geallieerde aanval slechts zes weken. Duitse propaganda over Wunderwaffen suggereerde dat een laatste krachtsinspanning tijd kon winnen voor de inzet van atoomwapens, maar in feite konden de V1, een "vliegende bom", en de ballistische raket V2 slechts met conventionele koppen uitgerust worden die enkele duizenden burgerslachtoffers in vooral Londen en Antwerpen maakten.

1945

Januari 1945 opende het Rode Leger het Wisła-Oderoffensief met de grootste concentratie van manschappen en materieel uit de oorlog. Omdat Hitler zijn pantserreserve verspild had aan het Ardennenoffensief, kon de aanval niet meer opgevangen worden en het Duitse leger in Polen werd verpletterd, waarbij de Sovjets tot vlak voor Berlijn oprukten. De strijd werd gerekt doordat ze, bang voor flankaanvallen, in maart eerst Silezië, Oost-Pruisen en Pommeren zuiverden. Hitler liet onderwijl nog wat vruchteloze aanvallen uitvoeren in Hongarije. Die leidden slechts tot een uitputting van zijn troepen. Wenen werd snel ingenomen en politici daar riepen opnieuw een onafhankelijk Oostenrijk uit. In april 1945 omsingelde een tangbeweging in de Slag om Berlijn de Duitse hoofdstad.

Februari 1945 veroverden de Britten en Amerikanen het Rijnland. De Rijn bleek daarna geen onoverkomelijk obstakel. Op 7 maart 1945 viel de Amerikanen de Ludendorffbrug bij Remagen in handen en op 24 maart staken geallieerde troepen bij Wesel de Rijn over in Operatie Plunder, de laatste grote luchtlanding van de oorlog. De Duitse verdediging in het westen stortte hierop in elkaar. De Wehrmacht maakte bekend op deze wijze zoveel mogelijk burgers te willen sparen voor de wraak van het Rode Leger. In Nederland bleven Nederlandse SS'ers echter Holland en Utrecht verdedigen, wat de hongerwinter verergerde. Hitler vaardigde de "Nerodecreten" uit om het land te verwoesten teneinde het inferieur gebleken Duitse volk na de oorlog iedere bestaansmogelijkheid te ontzeggen, maar die konden niet op grote schaal worden uitgevoerd. Amerikanen en Russen schudden elkaar op 25 april 1945 de hand in Torgau aan de Elbe. Hitler, beseffend dat alles verloren was, pleegde op 30 april 1945 in zijn omsingelde Berlijnse bunker zelfmoord. Op 1 mei 1945 maakte de Duitse radio bekend dat de Führer aan het hoofd van zijn troepen bij de verdediging van Berlijn was gesneuveld. Met deze laatste leugen ging Nazi-Duitsland ten onder. De troepen in Nederland gaven zich op 5 mei over. De algehele overgave werd door vertegenwoordigers van de regering van Karl Dönitz op 7/9 mei 1945 getekend.

  Zie ook Einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa

Economische vergelijking

 
Op het hoogtepunt in 1944 rolde er elke 63 minuten een B-24 van de lijn van Ford in Willow Run. Er waren 1300 bedden voor piloten en bemanning die op hun vliegtuig wachtten

Het verloop van bovenstaande gebeurtenissen valt beter te begrijpen als de oorlogseconomieën tegen elkaar afgezet worden qua omvang. De Amerikaanse vloot in de Grote Oceaan was weliswaar grotendeels uitgeschakeld met de aanval op Pearl Harbor, maar dit voorval betrok wel de Verenigde Staten bij de oorlog. Dit land bouwde in 1942 een militair-industrieel complex dat tweemaal meer produceerde dan de asmogendheden bij elkaar. Ford alleen produceerde al meer dan geheel Italië. Voor elk Japans oorlogsschip werden er in de Verenigde Staten zestien gebouwd. De Sovjet-Unie had veel ervaring met planeconomie en was gewend om te improviseren. Ze was in staat om vanuit het niets in een week een fabriek op te zetten en produceerde elk jaar meer dan Duitsland, waarbij vrouwen een belangrijk aandeel hadden. Hoewel de Duitsers en Japanners enkele jaren voorsprong hadden met de opbouw van hun legers, konden zij hier niet tegenop, ook omdat zij vast bleven houden aan hun voorkeur voor hoge kwaliteit boven massaproductie. Nadat de geallieerden de eerste klappen te boven waren gekomen, werden hun kansen dan ook met de dag beter.

Als bijvoorbeeld de vliegtuigproducties met elkaar worden vergeleken, blijkt dat hoewel de technische kwaliteit van de Duitse vliegtuigen, tanks, kanonnen, vrachtwagens en schepen vaak superieur was aan die van de geallieerden, de steeds grotere productiecapaciteit van deze laatsten uiteindelijk de doorslag gaven. Bovendien werd ook het geallieerde oorlogsmateriaal technisch gezien steeds beter van kwaliteit.

Vliegtuigproductie
Jaar 1939 1940 1941 1942 1943 1944
Duitsland 8.300 10.800 11.400 15.300 25.100 39.300
Sovjet-Unie 10.400 10.600 15.700 25.400 34.800 40.250

Deze productieverschillen betekenden slecht nieuws voor het Derde Rijk, maar het wordt pas echt hopeloos als de totale vliegtuigproductie van de asmogendheden wordt vergeleken met de totale vliegtuigproductie van de geallieerden.

Vliegtuigproductie
Jaar 1940 1941 1942 1943 1944
Asmogendheden 18.900 20.000 27.000 42.500 67.500
Geallieerden 38.400 62.100 96.900 147.000 163.000

De oorlog in Azië

  Zie Azië in de Tweede Wereldoorlog voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Japan in de eerste helft van de 20e eeuw

Japan moderniseerde radicaal tijdens de Meijiperiode in de tweede helft van de 19e eeuw. Deze nieuwe industriële grootmacht ontbrak het echter aan natuurlijke hulpbronnen, hetgeen leidde tot de decennia durende Japanse imperialistische politiek tot verovering en beheersing van buurlanden om de aanvoer van grondstoffen en voedsel veilig te stellen. De Eerste Chinees-Japanse Oorlog (1894-1895) en de Russisch-Japanse Oorlog (1904-1905) leidden tot de Japanse beheersing van Taiwan in het zuiden, Korea en Mantsjoerije in het westen en Zuid-Sachalin in het noorden. De Japanse imperialistische drang werd nieuw leven ingeblazen door de mondiale economische crisis die ontstond na 1929.

De tweede Chinees-Japanse oorlog

 
Japanse Imperium 1870-1942
  Zie Tweede Chinees-Japanse oorlog voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de jaren 1920 fragmenteerde het centrale gezag in China onder een aantal krijgsheren. Japan was hierdoor in staat invloed te verwerven en ongelijke verdragen af te sluiten met wat er aan centraal gezag restte. Deze situatie was inherent instabiel: wanneer China verder uiteenviel, kon het de verdragen niet meer nakomen; wanneer het centrale gezag sterker werd, had ze geen belang meer bij deze verdragen. In 1927 leidde Chiang Kai-shek en de Kwomintang de Noordelijke Expeditie. Chiang was in staat de krijgsheren in Zuid- en Midden-China zijn gezag te laten erkennen, en was bezig de krijgsheren in Noord-China formeel aan zijn gezag te binden. Uit vrees dat Zhang Xueliang (de krijgsheer die Mantsjoerije controleerde) zijn trouw aan Chiang zou verklaren, intervenieerden de Japanners en plaatsten in 1931 een marionettenregering in hun satellietstaat Mantsjoekwo met aan het hoofd ervan de laatste Chinese keizer Pu Yi. Dit was echter geheel in strijd met de beginselen van de nog betrekkelijk nieuwe Volkenbond. Japan trok zich daarop terug uit de Volkenbond. Er ontstond een patstelling toen Chiang zijn inspanningen ging richten op het uitschakelen van de communisten. Chiang beschouwde de communisten als een groter gevaar dan de Japanners. Deze houding werd binnen China door het sterke nationalisme in alle lagen van de bevolking steeds meer als onhoudbaar gezien. In 1937 werd Chiang ontvoerd door Zhang Xue-liang tijdens het zogenaamde Xi'an Incident. Als voorwaarde voor zijn vrijlating beloofde Chiang samen met de communisten tegen de Japanners te vechten. Als antwoord hierop zetten officieren van het Kwantung-leger zonder overleg met het Japanse opperbevel het Marco Polobrugincident in elkaar, waardoor de tweede Chinees-Japanse oorlog formeel een feit werd. Deze oorlog ging gepaard met ongekende wreedheden, zoals het beruchte bloedbad van Nanking waar de Japanners naar schatting 300.000 Chinezen hebben vermoord.

De weg naar Pearl Harbor

 
Admiraal Yamamoto

In 1938 raakte Japan slaags met Mongolië en de Sovjet-Unie, maar deze landen behaalden onder generaal Zjoekov een overwinning op de Japanners in de Slag bij Halhin Gol, waardoor Japanse uitbreiding naar het noorden verhinderd werd en beide partijen zich achter de vooroorlogse grenzen terugtrokken. Door deze slag werd het accent van de Noordelijke Aanvalsgroep, die het Japanse Leger voorstond, verplaatst naar de Zuidelijke Aanvalsgroep, die de Japanse Marine, de eeuwige rivaal van het leger, prefereerde. In 1940 tekende Japan met Duitsland en Italië het Driemogendhedenpact, dat wederzijdse hulp beloofde bij een eventuele aanval. Vichy-Frankrijk werd door Japan en Duitsland gedwongen Indochina af te staan. Om de Japanse oorlogsinspanning te belemmeren stelden de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en de Nederlandse regering in ballingschap, die nog steeds de oliebronnen in Nederlands-Indië controleerde, een olie- en staalboycot tegen Japan in. Japan zag dit als een daad van agressie omdat het deze stoffen voor zijn oorlogvoering nodig had. Dit leidde tot het plan van Japanse militairen onder leiding van admiraal Isoroku Yamamoto om de Verenigde Staten uit de Grote Oceaan te verdrijven. Aangezien de koloniale mogendheden Nederland en Engeland in Europa hun handen vol hadden, zouden de Japanners daarna de regionale heerschappij kunnen opeisen.

Volgens veel historici was de oorlog voor Japan echter al verloren op het moment dat zij de Verenigde Staten aanvielen. Japan had wel een behoorlijk ontwikkelde industrie, maar zeer weinig grondstoffen (zo importeerde Japan 90% van zijn olie), terwijl de VS een bijna twee keer zo grote bevolking hadden en de grootste economie ter wereld waren, met een sterk ontwikkelde industrie en met veel vitale grondstoffen. Japan zou een uitputtingsoorlog ongetwijfeld verliezen. De reden waarom de Japanners toch voor de aanval kozen was gebaseerd op een wanhopige afweging: Japan zou door de grondstoffen- en olieboycot van de VS en de andere geallieerden alleen maar verzwakken en dus na verloop van tijd vanzelf economisch en militair ineenstorten. Om dit te voorkomen wilde men de olievelden in Zuidoost-Azië, waaronder Nederlands-Indië, veroveren en de VS door een vernietigende aanval bij Pearl Harbour demotiveren en uit de oorlog houden (hoewel dit laatste onwaarschijnlijk was). Hoewel een oorlog tegen de VS een minimale kans van slagen had, was deze kans altijd nog groter dan wanneer Japan passief zou afwachten tot men door grondstoffentekort en diplomatieke druk zijn hele imperium zou moeten opgeven.[44]

Het Japanse offensief

 
Singapore 1942

Met de bovengenoemde afweging in het achterhoofd, viel Japan op 7 december 1941 Siam, Maleisië (Malakka), de Filipijnen en de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor (zie Aanval op Pearl Harbor) in Hawaï aan. Vier dagen later verklaarde Duitsland de oorlog aan de Verenigde Staten; enerzijds omdat Japan nu eenmaal een As-mogendheid was en Duitsland daar door het Driemogendhedenpact toe verplicht was, anderzijds omdat Hitler daarmee de mogelijkheid kreeg om de Amerikaanse bevoorrading van de Britten en de Russen tegen te gaan. Tot dat moment hadden de Verenigde Staten zich officieel buiten de oorlog in Europa gehouden, hoewel het binnen het kader van de voorzichtige anti-Duitse politiek van Franklin Delano Roosevelt wel materiële militaire steun verleende aan het Verenigd Koninkrijk en de Sovjet-Unie door het Leen en Pachtprogramma.

De geallieerde strijdkrachten in Azië bleken aanvankelijk niet opgewassen tegen de Japanse, en leden een duizelingwekkende serie nederlagen. Het Britse slagschip Prince of Wales en de slagkruiser Repulse werden op 10 december voor de kust van Maleisië tot zinken gebracht. Hongkong viel op 25 december en de Britse marinebasis in de Slag om Singapore op 15 februari 1942, waar zo'n 130.000 Britse, Indiase en Australische troepen zich overgaven. De Britse rol in Oost-Azië leek daarmee uitgespeeld. Ook de Amerikaanse bases op de eilandjes Guam en Wake gingen verloren. In januari volgden de Japanse invasies in Birma, de Salomonseilanden, Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea. Manilla, Kuala Lumpur en Rabaul werden door Japan veroverd. De Japanse veroveringsmachine draaide in snel tempo verder: Bali en Timor vielen in februari 1942; Rangoon en Java in maart. Mandalay volgde begin mei. De Japanse luchtmacht vernietigde de Britse en Amerikaanse luchtstrijdkrachten in Zuidoost-Azië en voerde bombardementen uit op Noord-Australië. De Britse vloot werd (tijdelijk) uit Ceylon verdreven.

Het tij keert

De geallieerde weerstand nam een half jaar na de aanval op Pearl Harbor serieus toe. De Doolittle Raid in april 1942 (een aanval van een handjevol bommenwerpers op het Japanse vasteland) was al een symbolische maar moreel belangrijke luchtaanval op Japan. Belangrijker was dat een amfibische aanval op Port Moresby, in het oosten van Nieuw-Guinea, werd voorkomen door de Slag in de Koraalzee in mei 1942, al was dit een tactische nederlaag voor de Amerikanen.

 
Brandende Hiryu 4 juni 1942

De Slag bij Midway was het keerpunt in de oorlog in Azië. Bij deze atol in de Stille Oceaan behaalden de Amerikanen een overtuigende overwinning waarvan de Japanse marine zich niet zou herstellen. Drie Amerikaanse vliegdekschepen, de USS Yorktown, de USS Enterprise en de USS Hornet troffen vier Japanse, de Kaga, de Akagi, de Soryu en de Hiryu. De Japanners hadden bovendien nog eens 150 ondersteunende schepen tegen 50 Amerikaanse. Doordat op Midway zelf echter 127 gevechtsvliegtuigen waren gestationeerd, beschikten de Amerikanen over meer dan 350 vliegtuigen terwijl de Japanners 248 toestellen hadden. Toen op 7 juni 1942 na vier dagen strijd de balans werd opgemaakt waren de vier Japanse vliegdekschepen samen met al hun vliegtuigen vernietigd, tegen het relatief geringe verlies van de USS Yorktown en ongeveer 100 vliegtuigen aan Amerikaanse zijde. Het is niet moeilijk dit verlies in perspectief te plaatsen: het zou Japan bijna drie jaar kosten deze vier schepen te vervangen. In dezelfde periode produceerde de Amerikaanse industrie meer dan 24 vliegdekschepen.

 
Salomonseilanden

Te land vertraagde de terugtocht van de Brits/Indiase strijdkrachten in Birma. Australische eenheden in Nieuw-Guinea verdedigden met succes Port Moresby langs de Kokoda Track, toen de Japanners trachtten vanaf de noordkust op te marcheren. In augustus 1942 mislukte voor het eerst een Japanse landing, bij de (mini)slag om de baai van Milne. Terzelfder tijd probeerden zowel Amerikaanse als Japanse soldaten het eiland Guadalcanal, een van de Salomonseilanden, te bezetten. In deze zes maanden durende uitputtingsslag, waarin meer dan 40.000 mensen het leven lieten en die deel uitmaakte van de veel grotere slag om de Salomonseilanden, behaalden de Verenigde Staten uiteindelijk de overwinning. Hierna werd Japan definitief in het defensief gedrongen. De constante noodzaak om versterkingen naar Guadalcanal te zenden verzwakte de Japanse inspanningen op andere plaatsen. Dit leidde tot de herovering van de bruggenhoofden Buna en Gona op Nieuw-Guinea door Australische en Amerikaanse strijdkrachten in 1943 en bereidde de weg voor zowel MacArthur's landroute door Nieuw-Guinea en Nimitz's island hopping of leapfrogging campagne over de Stille Oceaan.

Het einde

 
USS Bunker Hill geraakt door kamikazes 11 mei 1945

De geallieerden dreven de Japanners vanaf 1943 steeds verder terug. De Japanners vochten met een voor de Amerikanen verbijsterend fanatisme in elke slag vrijwel tot de laatste man, maar het Amerikaanse materiële overwicht gaf steeds de doorslag. In de Slag om de Marianen verloren de Japanners in de zomer van 1944 honderden jachtvliegtuigen en, erger nog, ervaren jachtpiloten, waarvan het verlies nooit meer goedgemaakt kon worden. Vanaf augustus 1944, na de verovering van het Marianen-eiland Guam, kwamen de hoofdeilanden van Japan binnen het bereik van de Amerikaanse B-29 Superfortress bommenwerpers voor de lange afstand. Omdat spioneren in Japan moeilijk was, hadden de Amerikanen onvoldoende gedetailleerde inlichtingen over militair relevante doelwitten; al gauw gingen ze over op het massaal bombarderen van tientallen Japanse steden. Op 10 maart 1945 vond het ergste conventionele bombardement op Tokio plaats: bijna 84.000 doden en een onbekend aantal gewonden, dus veel erger dan dat op enige Duitse stad in de Tweede Wereldoorlog. In totaal vielen door zulke bombardementen zo'n half miljoen doden en raakten vijf miljoen Japanners dakloos. Dit leidde aan de vooravond van de grootste zeeslag in de geschiedenis tot nu toe, de Slag in de Golf van Leyte rond de Filipijnen, op 19 oktober 1944 tot oprichting van Japanse zelfmoordeenheden: de Kamikazes. Piloten met weinig training (en die daar ook weinig van nodig hadden), moesten hun met explosieven volgepropte kleine vliegtuigen in vijandelijke schepen boren en zo de vijand vernietigen. Op deze manier zouden uiteindelijk rond de 2.800 zelfmoordpiloten ongeveer 1 op de 7 keer een doel treffen en ongeveer 40 schepen tot zinken brengen. Japanse infanteristen voerden om hun eer te redden trouwens ook wel Banzai-aanvallen uit, waarbij de kans op sneuvelen vrijwel 100% was. Waar het om ging was de Amerikanen zo veel mogelijk verliezen toe te brengen, zodat ze het zouden opgeven.

 
Landingsvaartuigen naderen Iwo Jima, 19 februari 1945

Begin 1945 veroverden de Amerikanen eilanden Iwo Jima (februari-maart) en Okinawa (april-juni), die door de Japanners als heilig eigen grondgebied werden beschouwd en dus zo mogelijk nog fanatieker verdedigd werden dan de recent veroverde buitengebieden. De aantallen slachtoffers waren dan ook huiveringwekkend, vooral naar Amerikaanse begrippen: meer dan 20.000 Amerikaanse doden en meer dan 130.000 Japanse. Op Iwo Jima was geen burgerbevolking, maar op Okinawa werden heel wat burgers door de militairen gedwongen of overreed zelfmoord te plegen om de schande van gevangenneming, of anders wel de gevreesde mishandeling en verkrachting door de Amerikanen, te voorkomen. De aantallen gewonden waren nog groter.

 
Nagasaki 1945

Op 27 maart 1945 begon operation Starvation, die inhield dat er door B-29 bommenwerpers zo'n 12.135 zeemijnen werden gelegd in de Japanse kustwateren, waardoor in totaal 1,125 miljoen ton aan Japanse schepen tot zinken werd gebracht en de bevoorrading van Japanse troepen in de resterende bezette gebieden vrijwel onmogelijk werd.

Op 12 april 1945 overleed president Roosevelt, maar dat had geen enkel effect op de Amerikaanse oorlogsinspanning. De Japanse militaire strategische situatie was in juli 1945 hopeloos. Hun infrastructuur werd stelselmatig vernietigd door de niet aflatende Amerikaanse bombardementen en werd de bevoorrading van overzee effectief onmogelijk gemaakt door Amerikaanse en Britse zeemijnen onderzeeboten. Sinds het verlies van de Filipijnen had Japan trouwens alleen nog maar Mantsjoerije en het door guerrilla's geteisterde China over om grondstoffen te halen. De strijdkrachten leden dan ook aan een acuut brandstoftekort. Amerikaanse en Britse slagschepen, zoals de USS Missouri en de King George V, konden in juli en augustus in kustgebieden ongehinderd nog nauwkeuriger dan bommenwerpers verwoestingen aanrichten in de Japanse kolen- en staalindustrie. Hun aanwezigheid voor de Japanse kust maakte bovendien aan de Japanse bevolking duidelijk dat de oorlog voor Japan verloren was.

Desondanks wekte het Japanse militaire opperbevel niet de indruk dat het spoedig wilde capituleren. Het speculeerde nog steeds op de Amerikaanse onwil om al te zware verliezen te lijden, zodat Japan de vernedering van een verovering van het eigen grondgebied bespaard zou blijven. Hierop besloot de pas aangetreden president Harry Truman tot inzet van het nog geheime atoomwapen dat op 16 juli 1945 voor het eerst succesvol getest was. Amerikaanse B-29 bommenwerpers vernietigden op 6 augustus 1945 Hiroshima en drie dagen later Nagasaki. De vernietigingskracht van de twee atoombommen was zo groot dat daarbij in totaal ongeveer 165.000 mensen stierven en in de weken erna nog eens rond de 145.000.

Het Russische leger viel vervolgens op 9 augustus 1945 Mantsjoerije binnen waar tot 2 september zou worden doorgevochten en veroverde Zuid-Sachalin en de Koerilen (Operatie Augustusstorm).[b]

Deze nieuwe escalatie van de oorlog droeg bij aan het besluit van keizer Hirohito op 15 augustus tot capitulatie aan de westerse geallieerden, die werd getekend op 2 september 1945 op het slagschip USS Missouri. In de hierop volgende periode vestigde generaal MacArthur bases in Japan, waarna de Amerikanen de naoorlogse ontwikkeling van Japan vorm gingen geven. President Truman verklaarde officieel op 31 december 1946 de beëindiging van de vijandelijkheden.

Algemeen

Vervolging en vernietiging

  Zie ook de artikels Holocaust en Niet-Joodse slachtoffers van het naziregime
 
Zwaar ondervoede Joodse gevangenen in Buchenwald, bij hun bevrijding op 16 april 1945

Er zijn naar schatting elf miljoen mensen systematisch vermoord, het grootste gedeelte in de concentratie- en vernietigingskampen, die als een grootschalige en efficiënte industrie gerund werden. De ongelukkigen die in de ogen van de nazi's inferieur en parasitair waren moesten letterlijk worden uitgeroeid. Tijdens de Holocaust werden tussen de vijf en zes miljoen Joden vermoord, evenals ongeveer vijf miljoenen zigeuners, krijgsgevangenen, Slaven, gehandicapten, verzetsstrijders, Jehova's getuigen, homoseksuelen en dissidenten. Er werden door de Duitsers diverse methoden toegepast om de Untermenschen te vermoorden, waarvan de gaskamers de bekendste zijn.

De burgerbevolking en de bombardementen

 
Hamburg 1945
  Zie ook Lijst van bombardementen uit de Tweede Wereldoorlog
 
Slachtoffers Tweede Wereldoorlog

De strijdende partijen bombardeerden de civiele bevolking bewust. De Japanners voerden terreuraanvallen uit op onder andere Shanghai, Wuhan, Nanking en Kanton. In Europa werden door de Duitsers onder andere Warschau, Rotterdam, Londen en Coventry bestookt. Het bombarderen zou echter vooral door de geallieerden worden gebruikt als middel om de tegenstander op de knieën te krijgen. De voortdurende bommenregen op Duitsland en Japan had twee strategische doelen: vernietiging van de oorlogsindustrie en aantasting van het moreel. De techniek om bommen te richten was echter nog dermate primitief dat de oorlogsindustrie alleen kon worden aangetast als enorme oppervlakten werden bestookt, waarbij veel burgerslachtoffers vielen. Bovendien wisten de Duitsers een belangrijk deel van de oorlogsindustrie onder te brengen in ondergrondse fabrieken: tot op het laatst van de strijd konden de nazi's zodoende nog een verbazingwekkende productiecapaciteit aan oorlogsmaterieel handhaven. In Duitsland werden grote steden als Hamburg, Keulen, Berlijn en Dresden zwaar beschadigd met in totaal 1,5 miljoen doden en gewonden als gevolg. In Japan werden 67 steden met overwegend houten huizen vrijwel weggevaagd door brandbommen. Dit resulteerde in 500.000 doden en 5 miljoen daklozen.

In de frontzone van de Sovjet-Unie hadden de burgers het erg zwaar. De nazileer had weinig respect voor het leven van het veroverde Slavische volk, dat als een verzameling Untermenschen werd beschouwd; de regering beschouwde hun overleven als secundair aan het behalen van de overwinning. Als gevolg hiervan kwamen er in totaal ongeveer 11,9 miljoen Sovjet-burgers om het leven als gevolg van oorlogsgeweld, terreur, honger, ziekte, en andere ontberingen. Maar ook de Sovjet-Unie spaarde eigen burgers niet: iedereen die verdacht werd van collaboratie of onvoldoende steun aan het verzet werd gedeporteerd of geëxecuteerd.

Ook de Franse burgers leden tijdens de oorlog grote verliezen. In totaal kwamen in Frankrijk 70.000 burgers om het leven door geallieerde acties, grotendeels bombardementen. Een groot deel van hen, 19.890 doden en een veel groter aantal gewonden, werd slachtoffer tijdens de bevrijding van Normandië.[45] Dat aantal komt boven op de 15.000 Franse doden en 19.000 gewonden tijdens de bombardementen die dienden als voorbereiding op Operatie Overlord in de eerste vijf maanden van 1944.[45] In totaal kwamen meer Franse burgers door geallieerde acties om het leven, dan dat er Britse burgers door de Duitse bombardementen werden gedood.

In augustus 1945 werden ten slotte ook nucleaire wapens tegen de Japanse burgerbevolking ingezet. Hierbij vielen circa 250.000 directe slachtoffers.

Historische betekenis en balans

Mens en materieel

Grote delen van Europa en Japan lagen in puin, meer dan vijftig miljoen mensen waren dood. De Verenigde Staten hadden, afgezien van Hawaii, geen oorlogsgeweld op eigen grondgebied gehad en hadden relatief lichte verliezen geleden. Zij steunden de niet-communistische landen in Europa en Azië, zowel bevriende landen als de voormalige vijanden Duitsland en Japan, met tientallen miljarden dollars (Marshallplan) en mede hierdoor wisten zowel de Japanners als de West-Europeanen zich economisch snel uit het moeras te werken. In de door de Sovjet-Unie gedomineerde landen in Oost-Europa liep het anders: zij kregen in plaats van kredieten een door Stalin opgelegd communistisch economisch model, waardoor tot op heden de West-Europeanen rijker zijn dan de Oost-Europeanen.

Geopolitieke gevolgen

 
Geallieerde oorlogsleiders in Jalta 1945
  • De wereld van 1939 kende zes grote regionale machten: de als nieuwe supermacht opkomende Verenigde Staten, de communistische Sovjet-Unie, het nationaalsocialistische Duitsland, het keizerlijke Japan en het koloniale Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Deze wereld was weg. De naoorlogse periode werd tot 1989 bij de val van de Berlijnse Muur, gekenmerkt door de rivaliteit tussen twee resterende super- of grootmachten: de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.
  • De opkomst van de twee grootmachten ging hand in hand met de ingekrompen macht en positie van de drie andere landen. Japan en Duitsland hadden de oorlog verloren en daarom was hun politieke en militaire mondiale rol voorlopig uitgespeeld. Duitsland werd in 1949 opgedeeld in een westelijk en in een kleiner oostelijk stuk, die tot de NAVO, respectievelijk het Pact van Warschau gingen behoren. Dit zou tot 1990 zo blijven (zie ook Bondsrepubliek Duitsland, Duitse Democratische Republiek en Duitse hereniging). Japan bleef ongedeeld en mocht zelfs de keizer behouden, al moest die afstand doen van zijn goddelijke status. Als beschermeling van de VS kon Japan zich concentreren op economische wederopbouw, wat het ook heel succesvol deed. Al behoorde het Britse Imperium tot de winnaars, het verval als grote mogendheid zette al snel in. Het Franse en het Nederlandse koloniale rijk bleken ook hun langste tijd gehad te hebben. De Japanners hadden de nationalistische sentimenten in het Verre Oosten flink opgezweept om steun te krijgen bij hun strijd tegen de Westelijke mogendheden. Deze geest was uit de fles en zou niet meer terug kruipen. Bovendien hadden de Engelsen het grootste deel van hun financiële reserves uitgeput om wapens en voorraden te kopen in de Verenigde Staten, die zij met schuldpapier betaald hadden dat hun nog decennia zou kosten om af te lossen. De koloniale rijken brokkelden in sneltreinvaart af, en na de Suezcrisis van 1956 moesten Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk leren leven met de status van middelgrote mogendheid.
  • De staat Israël werd gesticht in het Mandaatgebied Palestina. Hiermee was de kiem gelegd voor het Arabisch-Israëlisch conflict, waardoor er in dit deel van het Midden-Oosten tot op heden geregeld gewapende conflicten oplaaien.
  • De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog hebben met name op het Europese continent geleid tot geïntensiveerde internationale samenwerking. De Verenigde Naties, en mede door de Koude Oorlog de Europese Unie, kwamen hierdoor tot stand. Het succes van de Europese Unie met haar supranationale wetgeving, gemeenschappelijke munt en democratische waarden maakt in de huidige tijd een Europees conflict moeilijk denkbaar.

Technische en wetenschappelijke gevolgen

  Zie ook Nederlandsche Kultuurkamer en Nationale Dodenherdenking

Zie ook

Lijsten

Artikelen

Media

 
Premier Neville Chamberlain van het Verenigd Koninkrijk verklaart de oorlog aan Duitsland tijdens een speech van 3 september 1939 (download·info)