Hoofdmenu openen

Verwildering is de benaming voor het verschijnsel dat niet-inheemse, gecultiveerde planten zich in het wild in een bepaald gebied vestigen buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied. Dergelijke planten worden daar dan verwilderde planten (ergasiofygofyten) genoemd.

Bekende voorbeelden zijn stinsenplanten, die vanuit tuinen van oude landgoederen zijn verwilderd.

Verwilderde planten, die uitgroeien tot een plaag, worden dan invasief genoemd. Voorbeelden hiervan zijn waterpestsoorten afkomstig uit aquaria, Amerikaanse vogelkers en de tot hooikoorts aanleiding gevende ambrosia.

Op grond van de wijze van vestiging kan men verschillende typen onderscheiden.[1] Naast de idiochorofyten, de oorspronkelijk inheemse planten zijn er:

  1. akolutofyten: planten die zich spontaan, op eigen kracht in door de mens beïnvloede vegetatie hebben gevestigd.
    Voorbeelden: madeliefje (Bellis perennis), brave hendrik (Chenopodium bonus-henricus), sofiekruid (Descurainia sophia), tuinwolfsmelk (Euphorbia peplus), Senecio vernalis, muurvaren (Asplenium ruta-muraria), steenbreekvaren (A. trichomanis).
  2. xenofyten, adventieve planten: onopzettelijk ingevoerde planten.
    Voorbeelden: bolderik (Agrostemma githago), wilde haver (Avena fatua), gewone duivenkervel (Fumaria officinalis), grote ereprijs (Veronica persica).
  3. cultuurplanten (ergasiofyten): voor menselijk gebruik geteeld en uit wilde planten veredeld.
  4. ergasiofygofyten: opzettelijk ingevoerde, en daarna verwilderde planten.
    Voorbeelden: kalmoes (Acorus calamus), tamme kastanje (Castanea sativa), brede waterpest (Elodea canadensis), zonnebloem (Helianthus annuus), klein springzaad (Impatiens parviflora), middelste teunisbloem (Oenothera biennis), tomaat (Solanum lycopersicum), Canadese guldenroede (Solidago canadensis).