Hoofdmenu openen
Karel V door Titiaan (1548)

De Transactie of het Verdrag van Augsburg van 26 juni 1548 is een staatsrechtelijke regeling van het Heilige Roomse Rijk waarbij de Habsburgse Nederlanden of Zeventien Provinciën tot een staatkundig geheel werden gemaakt en feitelijke onafhankelijkheid verkregen.

Het Verdrag van Augsburg was een overeenkomst van keizer Karel V met de Rijksdag en was in de praktijk grotendeels voorbereid en uitgewerkt door één van Karels belangrijkste adviseurs, de Friese jurist Viglius van Aytta. Deze regeling was een belangrijke stap in de vorming van een Nederlandse staat, die Karel in navolging van zijn Bourgondische voorouders nastreefde.

Politiek gezien was de Transactie van Augsburg mogelijk geworden nadat Karel V in de Schmalkaldische oorlog van 1546-1547 de opstandige protestantse rijksvorsten had weten te verslaan en daarmee op het toppunt van zijn macht was gekomen. Aanvankelijk wilde Karel toen een rijksbond met loyale vorsten afsluiten, maar dit stuitte op tegenstand van zijn zuster Maria van Hongarije, die als landvoogdes van de Nederlanden bang was dat zo'n bond voornamelijk het Duitse koningschap ten goede zou komen.

Maria van Hongarije stuurde toen in 1547 Viglius van Aytta naar de rijksdag om de Nederlandse belangen te verdedigen. Nadat de Rijksstanden het bondsplan hadden afgewezen, koos Karel V begin 1548 voor de regeling zoals die vanuit de Nederlanden was voorgesteld en die vooral een versterking van de dynastieke positie van het huis Habsburg betekende. De Habsburgse Nederlanden waren immers erfelijk bezit van de Habsburgers, terwijl het Duitse koning- en keizerschap dat niet was en daarom ook aan een ander vorstenhuis kon toevallen.

De Nederlanden tussen 1548 en 1585, omvattende de Habsburgs-Spaanse territoria of Zeventien Provinciën (oranje), en de niet-Habsburgse territoria: het prinsbisdom Luik (paars) en het Abdijvorstendom Stavelot-Malmedy (roze)

Na lange en moeizame onderhandelingen wist Viglius de Rijksdag zover te krijgen dat zij instemden met een verdrag waarin het volgende bepaald werd:

  • Karels landsheerlijkheden Gelre, het Neder- en Oversticht en Groningen werden uit de Nederrijns-Westfaalse Kreits losgemaakt en bij de Bourgondische Kreits gevoegd, waartoe de overige Bourgondische erflanden van Karel V reeds behoorden.
  • Vervolgens werd dit nieuwe territoriale geheel onttrokken aan de jurisdictie van het Rijkskamergerecht en de wetgeving van het Heilige Roomse Rijk.
  • Als tegenprestatie hiervoor zou de Bourgondische Kreits hetzelfde bedrag als dat van twee keurvorsten in de rijkslasten bijdragen.
  • Alleen de leenbanden van de afzonderlijke gebieden met de keizer bleven intact, maar deze waren in de praktijk van weinig betekenis meer.

Na de ondertekening van het Verdrag op 26 juni 1548 waren de Habsburgse Nederlanden nagenoeg geheel losgemaakt uit het Rooms-Duitse Rijksverband, precies zoals Maria van Hongarije en Viglius voor ogen had gestaan.

Opdat al deze afzonderlijke landsheerlijkheden ook voortaan één en dezelfde landsheer zouden houden, paste Karel V een jaar later de erfopvolgingsregelingen van de afzonderlijke gewesten dienovereenkomstig aan middels de Pragmatieke Sanctie van 4 november 1549.

De Habsburgse Nederlanden (paars, in het noorden) met hertogdom en vrijgraafschap Bourgondië (eveneens paars, maar zuidelijk) binnen het keizerrijk van Karel V