Hoofdmenu openen

Tractatus de intellectus emendatione

werk van Spinoza

De Tractatus de intellectus emendatione[1] (Nederlands: Verhandeling over de verbetering van het verstand) is een werk van de Joods-Nederlandse filosoof Benedictus de Spinoza. Hoewel het een van zijn vroegste werken is, werkte hij er zijn hele leven aan en werd het nooit afgerond. Sommige commentatoren beweren dat het doel van het werk door Spinoza voltooid werd met het schrijven van de Ethica.

In de verhandeling zet Spinoza een methode uiteen, die het bewustzijn van de eenheid van de ziel met de gehele Natuur moet realiseren door heldere en duidelijke voorstellingen van onheldere en onduidelijke voorstellingen te onderscheiden en op de juiste wijze met elkaar te verbinden.

Aanhalingsteken openen

Ik kom nu tot uw vraag, die als volgt luidt: Bestaat er een of andere methode, of kan er een methode bestaan zodanig, dat wij daarmee bij het overdenken van de meest verheven dingen, zonder te struikelen en zonder tegenzin, steeds verder kunnen gaan? Of is het zo dat onze geest, evenals ons lichaam, onderworpen is aan toevalligheden, en dat onze gedachten meer door geluk dan door wijsheid worden bestuurd? Ik denk dat mijn antwoord op deze vragen bevredigend zal zijn, als ik zal aantonen dat er noodzakelijkerwijs een methode moet bestaan, volgens welke wij onze heldere en duidelijke voorstellingen kunnen besturen en met elkaar verbinden, en dat het verstand niet, zoals het lichaam, aan toevalligheden is onderworpen.

Aanhalingsteken sluiten
— Spinoza aan Johannes Bouwmeester (1666)[2]

Inhoud

InhoudBewerken

 
De omslag van de Tractatus de intellectus emendatione.

De tekst, voor zover deze compleet is, bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt aangetoond dat het tot de natuur van het denken behoort ware voorstellingen te vormen en wordt uiteengezet hoe ware voorstellingen van de overige voorstellingen onderscheiden kunnen worden. In het tweede deel, dat voor de voltooiing afgebroken wordt, wordt onderzocht wat de krachten en het vermogen van het Verstand zijn. Spinoza onderscheidt twee fundamentele vermogens: het Verstand en de Verbeelding. Het Geheugen wordt ook kort behandeld.

InleidingBewerken

Het eerste deel van de verhandeling zet het doel en de voorwaarden van de te ontwerpen methode uiteen en heeft een autobiografisch karakter. Spinoza's doel is het hoogste geluk te realiseren en hiertoe vraagt hij zich af welke zaak dit hoogste geluk vervult. De gangbare opvattingen hierover wijst hij af: de liefde tot tijdelijke zaken zoals rijkdom, eer en zingenot leiden slechts tot tijdelijk geluk en brengen evenveel nadeel. Daarom wil hij zijn liefde richten op een eeuwig en oneindig goed: het verwerven van de volmaakte denking van de eeuwige orde en de vaste natuurwetten, ofwel het bewustzijn van de eenheid van de ziel met de hele Natuur, ofwel: de hoogste menselijke volmaaktheid. Dit bewustzijn wil hij voor een ethische gemeenschap realiseren, die alle wetenschappen moeten aanwenden om het hoogste goed te verwerkelijken. De realisatie van dit project is echter aan enkele voorwaarden gebonden. Diegenen die participeren in Spinoza's project zullen evenals hijzelf zo min mogelijk naar eer, zingenot en rijkdom moeten streven en zo veel mogelijk naar het bevattingsvermogen van de menigte moeten spreken.

De methodeBewerken

Spinoza begint de uiteenzetting van zijn methode met de categorisering van alle wijzen van voorstellen en begripsvorming door vier soorten kennis te onderscheiden:

  1. Berustend op ‘horen-zeggen’
  2. Berustend op ‘blote ervaring’
  3. Waarbij het wezen van een zaak uit iets anders wordt afgeleid, hoewel niet adequaat
  4. Die waarbij een ding alleen uit zijn wezen wordt begrepen, ofwel uit de kennis van zijn naaste oorzaak

De eerste twee soorten kennis zijn inadequaat voor de verwerving van ware kennis: de eerste soort is volstrekt onbetrouwbaar en leert ons niets over het wezen van een zaak kennen en de tweede soort is onzeker en leert ons slechts bijkomstigheden. Een voorbeeld van de derde soort is het afleiden van het gegeven dat de zon groter is dan hij schijnt uit de kennis van de aard van het gezichtsvermogen of het afleiden van een regelmatigheid uit een gegeven axioma. De derde soort is weliswaar zeker en bruikbaar, maar niet het middel tot de gewenste vervolmaking. Hoewel de vierde soort de hoogste en gezochte vorm van kennis is, zegt Spinoza hierover dat er slechts zeer weinig dingen zijn die hij op deze wijze heeft kunnen begrijpen.

Spinoza stelt het doel vast waarop wij al onze gedachten zouden moeten richten, namelijk uitgaande van een gegeven volmaakte voorstelling en een gegeven ware voorstelling volgens bepaalde regels verder zoeken.

Het eerste deel van de Methode: fictieve, valse en twijfelachtige voorstellingenBewerken

Het eerste deel van de Methode bestaat eruit ware voorstellingen af te zonderen en de geest te beletten deze te verwarren met de overige voorstellingen. Hiertoe gaat Spinoza over tot de beschrijving van het karakter deze overige voorstellingen, namelijk fictieve, valse en twijfelachtige voorstellingen, ofwel inbeeldingen.

Fictieve voorstellingen hebben betrekkingen op mogelijkheden, niet op noodzakelijkheden of onmogelijkheden. Als wij eenmaal de oorzaak kennen van een ding, dan zal het bestaan van het ding ofwel onmogelijk ofwel noodzakelijk zijn (als de oorzaak bestaat, dan bestaat het gevolg noodzakelijkerwijs ook). Wanneer wij deze zekerheid verworven hebben, dan kunnen wij ons hieromtrent ook niets meer inbeelden. Daarom kunnen we ons volgens Spinoza niets inbeelden over zaken die hun eigen oorzaak zijn, zoals God. Het bestaan van God is volgens hem een eerste en eeuwige waarheid (merk hierbij wel op dat Spinoza pantheïst was: voor hem betekent God hetzelfde als Natuur).

Valse voorstellingen zijn het gevolg van het gelijktijdig en ongerechtvaardigd richten van de aandacht op verschillende verwarde voorstellingen. Men kan zich een volstrekt eenvoudige zaak niet inbeelden, maar slechts begrijpen. Zijn de zaken eenmaal begrepen en op juiste wijze gerelateerd, dan zal ook de voorstelling van de daaruit samengestelde zaak helder en waar zijn. Voorstellingen die klaar en duidelijk zijn kunnen nooit valse voorstellingen zijn. Over de valse voorstellingen delibereert Spinoza relatief kort, omdat dit type verwant is aan de overige onware voorstellingen, zoals de fictieve voorstellingen die al behandeld zijn. In tegenstelling tot fictieve voorstellingen zijn valse voorstellingen altijd vaag en onhelder.

Twijfelachtige voorstellingen ontstaan niet door de voorstelling van de zaak zelf waaraan wordt getwijfeld, maar door een andere voorstelling, die niet klaar en duidelijk is. Iemand die bijvoorbeeld nog nooit heeft nagedacht over de bedrieglijkheid van zijn zintuigen zal pas gaan twijfelen aan de werkelijke grootte van de zon, wanneer de voorstelling van de bedrieglijkheid van de zintuigen zijn verbeelding aandoet. Het hernieuwde inzicht, dat afgeleid kan worden, heft de twijfel weer op. De twijfel is uiteindelijk niets meer dan een zweven van de geest tussen bevestigen en ontkennen en ontstaat altijd doordat men de dingen niet systematisch genoeg heeft onderzocht.

Ten leste behandelt Spinoza nog het geheugen, de vergetelheid en de taal. Het Geheugen is niets anders dan een gewaarwording van indrukken op de hersenen, gepaard aan het besef dat deze gewaarwording een bepaalde duur heeft. Deze gewaarwordingen noemen wij herinneringen. Het geheugen kan versterkt worden op twee wijzen, namelijk met het Verstand en met de Verbeelding. Wat betreft het eerste: hoe begrijpelijker een zaak is, hoe gemakkelijker men haar kan onthouden. Wat betreft de tweede wijze: hoe intenser onze verbeelding of ons zogenaamde gezond verstand door een of ander bijzonder stoffelijk lichaam wordt getroffen, hoe gemakkelijker men haar kan onthouden. Ook woorden maken deel uit van onze Verbeelding en kunnen de oorzaak zijn van vele en grove dwalingen. Woorden worden immers gevormd ten gerieve en naar het bevattingsvermogen van de menigte, zodat zij eigenlijk niets anders zijn dan tekens voor de dingen zoals deze in de Verbeelding bestaan, maar niet zoals zij bestaan in het Verstand.

Het tweede deel van de methode: klare en duidelijke voorstellingenBewerken

Het doel van het Tweede Deel van de methode is het verkrijgen van klare en duidelijke voorstellingen, ofwel voorstellingen die in het Verstand ontstaan en niet hun oorsprong in toevallige lichamelijke aandoeningen (Verbeelding) vinden en hen door verbinding en rangschikking tot één enkele te herleiden, zodat onze geest, voor zover dit mogelijk is, het werkelijke wezen van de Natuur weergeeft. Het vinden van de voorwaarden voor goede definities en de wijze waarop we deze kunnen vinden is daarom het onderwerp van het Tweede Deel.

Een volmaakte definitie verklaart het innerlijke wezen van de zaak en niet slechts enkele eigenschappen. Een definitie van een zaak die niet haar eigen oorzaak is, moet:

  1. De naaste oorzaak bevatten
  2. Alle eigenschappen moeten eruit afgeleid kunnen worden

Een definitie van een ongeschapen zaak moet:

  1. Elke oorzaak uitsluiten
  2. Existentie insluiten
  3. Geen abstracte termen bevatten
  4. Alle eigenschappen moeten eruit afgeleid kunnen worden

De krachten en het vermogen van het Verstand moeten uit de definitie van het Verstand zelf te worden afgeleid. We hebben echter nog geen regels om definities op te kunnen stellen en wij kunnen deze regels ook niet vinden alvorens het Verstand gedefinieerd is. Spinoza wordt hier geconfronteerd met een systematisch probleem en breekt kort hierna zijn werk af. Hij benoemt nog enkele eigenschappen van het Verstand, die hij intuïtief heeft begrepen en vermeldt dat ook zaken als Liefde en Blijdschap tot het Denken behoren, maar niets met het onderhavige onderwerp te maken hebben.