Hoofdmenu openen
Levieten vervangen het toonbrood in de tabernakel.
De tafel met de toonbroden afgebeeld op de Boog van Titus (rechts)

Het toonbrood (Hebreeuws: לחם הפנים, lechem haPānīm, "brood van (de) tegenwoordigheid"[1]) of stapelbrood[2] waren in het jodendom platte broden of koeken die altijd op een speciale tafel in de tabernakel en later de Joodse tempel lagen als een offer voor God. De instructies voor het gebruik van de toonbroden staan opgetekend in de Hebreeuwse Bijbel, met name in Exodus en Leviticus. Het toonbrood wordt ook vermeld in Matteüs 12:4 (τοὺς ἄρτους τῆς προθέσεως).

Inhoud

Vermelding in de BijbelBewerken

In Exodus wordt voor de eerste maal melding gemaakt van de toonbroden in de instructies aan Mozes voor het vervaardigen van de tabernakel, de tafel voor de toonbroden en de attributen voor het plengoffer. De tafel voor de toonbroden stond in het Heilige, het voorste gedeelte van de tabernakel, voor het gordijn dat het Heilige der Heiligen afschermde.[3] De tafel voor de toonbroden was gemaakt van met goud beslagen acaciahout, net als de draagbomen.[4]

De Kehatieten waren verantwoordelijk voor het toonbrood en het vervoeren van de tafel.[5] Deze priesters vervingen op elke sabbat het toonbrood op de tafel door twaalf verse ringvormige broden, die zij bakten van meelbloem.[6] De vervangen toonbroden waren volgens de voorschriften heilig en mochten derhalve alleen door de hogepriester Aäron en zijn nakomelingen worden gegeten.[7]

Ook in relatie tot de de aanbidding van de Joden in de Tempel van Salomo werd het toonbrood genoemd.[8]

David eet van het toonbroodBewerken

 
David ontvangt het toonbrood van Achimelech.(Josef A. Winterhalder (1734), Hradiskoklooster (Olomouc, Tsjechië))

In 1 Samuël staat het verhaal over David die op de vlucht was voor koning Saul. Toen hij met zijn mannen in de tabernakel te Nob kwam, vroeg hij de hogepriester Achimelech om voedsel. Omdat er niets anders voorhanden was, kregen ze het vervangen toonbrood te eten, nadat ze Achimelech verzekerd hadden rein te zijn volgens de Joodse wetten.[9] Jezus Christus verwees later naar dit verhaal in een discussie met de Farizeeën.[10]

Historische achtergrondBewerken

Hoewel sommige commentatoren stellen dat de toonbroden alleen in de priestercodex voorkomen (en bronnen voor die codex), bewijst de vermelding ervan in Samuel[9] dat het gebruik al heel oud was en mogelijk al bestond voor het ontstaan van de priestercodex.[11] In dit verhaal vraagt Achimelech naar de bevestiging dat David en zijn mannen ritueel rein waren, namelijk dat ze geen seksuele betrekkingen hadden gehad met vrouwen. Om die reden vermoeden bijbelonderzoekers dat het toonbrood oorspronkelijk een rituele maaltijd aanduidde die werd beschouwd als eten met de goden,[12] waarbij de deelnemer ritueel rein moest zijn[13] en het brood niet werd verbrand maar gegeten.

Dit gebruik schijnt wijdverbreid te zijn geweest in de regio,[14] zoals het Babylonische gebruik waarbij verschillende akalu (koeken of broden) werden geofferd aan hun goden. De Hebreeuwse term voor toonbrood is verwant aan de Assyrische term pגnu, akal die op zijn beurt is ontleend aan de Babylonische term. Net als bij de Bijbelse toonbroden, legden de Babyloniërs en Assyriërs meestal twaalf koeken of broden (of een exact meervoud daarvan) op tafels voor de afbeeldingen van hun godheden.[15]

In het geval van de Israëlieten verbindt een aantal bijbelonderzoekers het gebruik van de toonbroden aan de cultus rondom de Ark van het verbond; de Ark werd beschouwd als de woonplaats van de godheid en het brood van een voedseloffer dat klaar voor consumptie was waar de godheid dan ook verkoos te verschijnen.[16]

Buitenbijbelse vermeldingenBewerken

Volgens Flavius Josephus werd er bij de bereiding van het toonbrood geen zuurdesem aan het meel gevoegd.[17]

De tafel voor de toonbrodenBewerken

Na de verovering van Jeruzalem in 70 n.Chr. brachten de Romeinen de tafel waarop de toonbroden lagen als trofee naar Rome. Dit is afgebeeld op de Titusboog, waar acht man de tafel dragen. Volgens Flavius Josephus liet keizer Vespasianus de tafel bewaren in de nieuwe Vredestempel.[18]

De Visigothen plunderden Rome in 410 en namen de tafel mee. Ze belandde eerst in Carcassonne en dan in Toledo. Toen de Visigothische koning Roderik in 711 moest vluchten voor Tariq ibn Zijad, zou hij de tafel achtergelaten hebben in Medinaceli.[19]

Volgens moslimkronieken stuurde Tariq de trofee naar de Omajjadenkalief in Damascus, Al-Walid I. Een Mekkaanse kroniek vertelt dat Walid de "tafel van Salomo" liet omsmelten en het goud ter waarde van 36.000 dinar naar Mekka zond om de deuren van de kaäba te bekleden.[20] Rond de tafel bestonden tal van Spaanse en Arabische legenden.[21]