Hoofdmenu openen

Toledot Yeshu of Sefer Toledot Yeshu, het "Boek over het Leven van Jezus" is een Joods boek, dat bekend is in wel een dozijn versies. De bekendste is die van Johann Wagenseil uit 1681. Het oudste boek is vermeld door Agobard, de aartsbisschop van Lyon, in 826. De mondeling overgeleverde traditie kan stammen uit de derde eeuw.[1]

Inhoud

VerhaalBewerken

Het verhaal begint met de vermelding van het jaar 3651 (ongeveer 90 v. chr.) tijdens de regering van koning Jannaeus (103 - 76 v. chr.). Yeshu zou de zoon zijn van Miriam, de verloofde van Yohanan en Jozef Pandera, die met Miriam tegen haar wil gemeenschap had, terwijl hij zich voordeed als Yohanan. Yohanan vertrok naar Babylonië of Egypte toen hij er achter kwam en het aan Rabbi Simeon ben Shetah had gemeld. Er waren geen getuigen bij geweest en daarom kon Jozef Pandera niet worden gestraft.

Als jongen ging Yeshu de Joodse traditie leren, maar hij verscheen een keer blootshoofds voor de leraren en dat werd aangemerkt als een gebrek aan respect. Er werd onderzoek gedaan en men kwam er achter, dat hij buiten het huwelijk om was geboren. Yeshu vluchtte naar Boven Galilea. In de tempel van Jeruzalem leerde hij de letters van Gods Onuitsprekelijke Naam, waarmee hij wonderen kon verrichten. Hij verzamelde driehonderdtien man en gaf zich uit als de Messias. Het Sanhedrin liet hem arresteren en bracht Yeshu voor koningin Helene (Salome Alexandra), de vrouw en opvolger van koning Jannaeus. Toen hij een dode tot leven bracht liet de koningin hem gaan. De Wijzen zorgden er toen voor dat Judah Iskarioto ook de letters van Gods naam leerde en Yeshu en Judah hielden een wedstrijd in wonderen. Maar daarbij verloren ze alle twee hun kennis en het gebruik van de geheime naam. Toen werd Yeshu opnieuw gearresteerd, maar zijn volgelingen wisten hem naar Antiochië of Egypte te brengen.

Op een dag ging Yeshu terug naar Jeruzalem om weer het geheim van de naam te leren, maar Judah Iskarioto, nu een van zijn volgelingen, verraadde hem aan de Wijzen. Yeshu werd opgehangen aan de stengel van een koolplant en buiten de stad begraven. Zijn volgelingen rapporteerden aan de koningin, dat de verslagene werkelijk de Messias was, omdat zijn graf nu leeg was en hij naar de hemel was opgestegen. In werkelijkheid had een tuinman het lichaam van Yeshu in het zand begraven, wat hij opbiechtte aan Rabbi Tanhuma. De Wijzen bonden het opgegraven lichaam aan de staart van een paard en brachten het naar de koningin, die hen er voor prees.

Koningin HeleneBewerken

Salome Alexandra was de vrouw en opvolger van koning Alexander Janneüs en regeerde van 76 tot 67 v. chr. De Assyrische koningin Helena van Adibene en Edessa (gestorven 50-56 n. chr.) bekeerde zich tot het Joodse geloof. Ze verhuisde naar Jeruzalem en liet een koninklijk paleis in de stad van David bouwen, dat in het jaar 70 n. chr. door de Romeinen werd verwoest. Helena werd begraven in een piramidale tombe ten noorden van Jeruzalem.

CelsusBewerken

De Griekse filosoof Celsus schreef in de 2e eeuw al over Jezus als zoon van de soldaat Panthera, terwijl zijn moeder Miriam verloofd was met de timmerman Yohanan. Dit is bekend door Origenes' reactie in zijn boek Contra Celsum, waarin hij Celsus' bewering ontkent.

VersiesBewerken

  • Ramón Martí versie, eind 13e eeuw vertaald door een dominicaner monnik
  • Straatsburg Manuscript
  • Huldreich versie, Historia Jeschuae Nazareni van Johann Jacob Huldreich, uitgegeven in Leiden in 1705
  • Krauss Compilatie, 1902