Hoofdmenu openen

Titels van de Nederlandse koninklijke familie

De titels van de Nederlandse koninklijke familie betreft de diverse adellijke en heerlijke titels die in de Nederlandse koninklijke familie gevoerd worden. Er zijn titels die verbonden zijn aan de functie van "Koning der Nederlanden", titels die verbonden zijn aan het lidmaatschap van het Koninklijk Huis en ook diverse andere, al dan niet persoonlijke, titels.

Noot: In de betreffende Nederlandse wetten wordt het staatshoofd, de koning der Nederlanden, altijd in mannelijke vorm beschreven. In dit artikel worden derhalve ook alle titels in mannelijke vorm beschreven, tenzij het gaat om persoonlijke titels.

Inhoud

Titels van leden van het Koninklijk HuisBewerken

Prins der NederlandenBewerken

  Zie Prins der Nederlanden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De titel prins der Nederlanden is volgens de Wet lidmaatschap koninklijk huis gereserveerd voor de leden van het Koninklijk Huis, zoals echtgenoten en kinderen van de koning. Bij verlies van lidmaatschap van het Koninklijk Huis (bijvoorbeeld door het aangaan van een huwelijk zonder daarvoor toestemming aan de Staten Generaal te vragen) vervalt ook de titel prins der Nederlanden.

Titels van de Koning der NederlandenBewerken

 
Wapenbord in de Nieuwe Kerk met daarop alle wapens van de koninklijke heerlijkheden.

De koning der Nederlanden voert een aantal erfelijke adellijke en heerlijke titels. Op de titels "koning der Nederlanden" en "prins van Oranje-Nassau" na, voert men in het normale gebruik deze zogenoemde "grote titulatuur" niet, ze worden in de preambule vervangen door "enz. enz. enz.".

Ondanks dat de titels doorgaans niet meer gevoerd worden, bestaan ze – in naam – nog steeds. Het gaat hier om de volgende titels:

Voor de meeste bovenstaande titels geldt dat het landbezit, waaraan de betreffende titel verbonden was, door de Fransen in 1795 na de inval in de Nederlanden verbeurd werd verklaard. De Oranje-Nassaus bleven de titels echter wel voeren. De hiervan afwijkende gevallen worden bij de betreffende titel besproken.

Bij de behandeling van de Wet Lidmaatschap Koninklijk Huis 2002 liet de regering in antwoord op vragen weten dat de regeling over de titels die verbonden zijn aan het lidmaatschap van het koninklijk huis, geen uitputtende regeling bevat van de titels van de Koning. De noodzaak tot een dergelijke verfijning ontbreekt omdat volgens de regering buiten twijfel staat dat deze titels in het intitulé functioneel verbonden zijn aan het koningschap en niet kunnen overgaan op personen die geen lid zijn van het koninklijk huis. De regering benadrukt dat de titels niet zijn 'uitgestorven' bij het overlijden van prinses Wilhelmina in 1962, maar bij de troonswisseling in 1948 overgegaan zijn op koningin Juliana. Bij de troonsbestijging van prinses Beatrix gingen ze op haar over. Daarmee zijn deze titels volgens de Nederlandse wetgeving rechtsgeldig.[bron?]

Koning der NederlandenBewerken

  Zie Koning der Nederlanden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Ingevoerd bij de oprichting van het toenmalige Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op 16 maart 1815.

Hertog van LimburgBewerken

Ingevoerd bij de oprichting van het hertogdom Limburg (nieuwe stijl) in 1839 dat de Oranje-Nassaus werd aangeboden als compensatie voor het verlies van het Waalse deel van Luxemburg. Koning Willem I koos voor toedeling aan het publieke domein in plaats van aan zijn privébezit (zoals Luxemburg). In 1866 stapte Limburg uit de Duitse Bond en verloor de status van afzonderlijk hertogdom. Hierna werd het als provincie weer volledig onderdeel van Nederland. De titel bleef echter nog bestaan als een adellijke, welke definitief verdween met het overlijden van de laatste hertogin van Limburg, koningin Wilhelmina. Met de troonsbestijging van koningin Juliana in 1948 was de titel reeds verdwenen uit de preambule.

Markies van Veere en VlissingenBewerken

Veere en Vlissingen werden op 21 oktober 1555 door keizer Karel V uitgeroepen tot markizaat en geschonken aan zijn neef Maximiliaan van Bourgondië voor diens jarenlange trouwe dienst. Nadat deze kinderloos kwam te overlijden in 1558, kwam het markizaat in handen van Maximiliaan de Henin, de minderjarige zoon van zijn zuster Anna van Bourgondië en Johan de Henin, graaf van Borsu. Het markizaat was echter door de overleden Maximiliaan met grote schulden belast, waarop Johan besloot het te verkopen. Het markizaat ging vervolgens verschillende malen in andere handen over, zonder dat de schulden werden voldaan. Uiteindelijk besloten de crediteuren het dan maar te veilen. Ook dat mislukte eerst, maar in 1581 kwam het in handen van Willem van Oranje, die er 24.500 carolusguldens voor betaalde. Deze kocht het omdat hij in zijn huwelijkscontract met Anna van Saksen voor een zoon uit dit huwelijk een dergelijke titel had beloofd. Het markizaat gaf hem twee van de stemmen in de Staten van Zeeland. Het markizaat werd in 1732, tijdens het Tweede Stadhouderloze Tijdperk, door de Staten van Zeeland opgeheven om de politieke invloed van de Oranje-Nassaus in Zeeland in te dammen. In 1748 werd het markizaat hersteld, ten gunste van Willem IV, de zoon van Johan Willem Friso.

Volgens P. Scherft (Het sterfhuis van Willem van Oranje, Leiden 1966) is het markizaat vooral aangeschaft om de zoon (Maurits) uit het tweede huwelijk (met Anna van Saksen) op verlangen van haar voogden zo een zekere status te bezorgen. Inderdaad staat op een jeugdportret van Maurits uit de burcht Siegen, thans in het koninklijk paleis te Amsterdam, deze titel geschreven.

Graaf van Buren en LeerdamBewerken

 
Anna Egmond van Buren

Buren en Leerdam kwamen in handen van de Oranje-Nassaus toen Willem van Oranje in 1551 huwde met Anna van Egmond van Buren, gravin van Buren en Leerdam. Anna was enig kind. Toen zij in 1558 overleed, gingen haar bezittingen naar haar oudste zoon, Filips Willem, die daarmee Graaf van Buren en Leerdam was geworden.

Graaf van CulemborgBewerken

De Staten van het Kwartier van Nijmegen schonken Culemborg in 1748 aan Willem IV ter gelegenheid van zijn aanstelling tot Stadhouder in 1747.

Graaf van DietzBewerken

 
Het grafelijke slot in Diez, bij de Lahn

Door het huwelijk van Adolf van Nassau-Dillenburg met Judith, erfdochter van het graafschap Diez in 1348 kwam het graafschap Diez (in het Nederlands: Dietz) in handen van de Nassaus. Adolf van Nassau-Dillenburg was de oudere broer van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg waar de Nederlandse Nassaus van afstammen. Adolf en Judith hadden slechts één dochter: Judith van Nassau. Toen zij vervolgens trouwde hield zij de helft van het graafschap, de andere helft ging naar haar oom Engelbrecht. Uiteindelijk kwam in 1564 het hele graafschap in handen Jan van Nassau, de jongere broer van Willem van Oranje. Na zijn dood ontving zijn zoon Ernst Casimir het graafschap, waarmee de tak Nassau-Dietz ontstond en Ernst Casimir zich derhalve Van Nassau-Dietz ging noemen.

De achterkleinzoon van Ernst Casimir, Johan Willem Friso van Nassau-Dietz, werd in 1702 erfgenaam van zijn kinderloos overleden verre neef Koning-Stadhouder Willem III waarmee de bezittingen van de takken Nassau-Dietz en Oranje-Nassau bij elkaar kwamen. Johan Willem Friso werd hiermee ook prins van Oranje en nam de naam Oranje-Nassau over.

De Oranje-Nassaus verloren in 1806 het graafschap Dietz aan Napoleon, die het toevoegde aan het nieuwe hertogdom Nassau waar een andere, Fransgezinde, tak van het huis Nassau (het huis Nassau-Weilburg) aan de macht kwam. De Oranje-Nassaus bleven zich echter graaf van Dietz noemen.

Graaf van KatzenelnbogenBewerken

 
De burcht in Katzenelnbogen

Het graafschap Katzenelnbogen werd in 1320 gekocht door Johan van Nassau, een zoon van Otto I van Nassau. Hij schonk het graafschap in 1327 aan zijn neef Gerlach I van Nassau, een kleinzoon van Walram II van Nassau.

De titel kwam, na een lang slepende erfeniskwestie, in 1559 in handen van Willem de Rijke, de vader van Willem van Oranje. Het land ging echter naar de landgraaf van Hessen. Wel kreeg Willem de Rijke nog een geldsom.

Graaf van SpiegelbergBewerken

Stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz erfde in 1642 het graafschap Spiegelberg van zijn moeder, Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbüttel, die het op haar beurt in 1631 van haar broer Frederik Ulrich van Brunswijk-Wolfenbüttel als geschenk had gekregen. Koning Willem I verkocht het gebied van het graafschap in 1819 aan Hannover en bedong daarbij dat de titel wel in zijn bezit bleef.

Graaf van ViandenBewerken

Het graafschap Vianden kwam in 1417, samen met de heerlijkheden Bütgenbach en Sint Vith (zie verderop) door een erfenis in handen van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg. De grootvader van Engelbert, Otto II van Nassau-Dillenburg, huwde met Adelheid van Vianden, dochter van graaf Filips II van Vianden. Adelheids broer Hendrik II van Vianden overleed in 1337 en liet alleen een jonge dochter na, Maria van Vianden die later trouwde met Simon III van Spanheim. Van de kinderen van Maria van Vianden en Simon van Spanheim bleef alleen een dochter in leven, Elisabeth van Spanheim. Elisabeth huwde tweemaal, haar beide echtgenoten overleden echter zonder kinderen te verwekken. Na het overlijden van Elisabeth in 1417 liet zij haar bezittingen na aan Engelbrecht I van Nassau, de kleinzoon van haar oom Otto II van Nassau-Dillenburg.

In 1566, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, werd het graafschap door de Spaanse koning Filips II ingenomen. Echter, de Nassaus kregen het later weer terug. In 1786 vielen de Fransen Luxemburg binnen, waarmee er een einde kwam aan de heerschappij van de Oranje-Nassaus. De Fransen hieven in 1794 het graafschap definitief op als bestuurseenheid. De Oranje-Nassaus bleven zich echter Graaf van Vianden noemen, de titel werd als persoonlijke titel gevoerd door de koning. De toewijzing in 1815 door het Congres van Wenen van het groothertogdom Luxemburg aan het Huis van Oranje-Nassau was mede gebaseerd op het graafschap Vianden.

In 1867, toen de Duitse Bond werd opgeheven en het hertogdom Nassau werd ingelijfd bij Pruisen, werd het Nassaus familieverdrag van 1783 herzien. Het graafschap Vianden zou met het groothertogdom Luxemburg overgaan op de Walramse tak als in de Ottoonse tak een mannelijke erfgenaam zou ontbreken. Na 1815 bestond het graafschap Vianden niet meer; de titel ging in 1890 over op het groothertogelijk huis van Luxemburg. Niettemin voert de Nederlandse monarch nog steeds de titel.

Burggraaf van AntwerpenBewerken

Het burggraafschap Antwerpen kwam in 1499 in bezit van Engelbrecht II van Nassau, door ruil van gebieden met hertog Willelm IV van Gulik. Engelbrecht kreeg Antwerpen, Diest, Seelhem en Sichem, Willem kreeg in ruil daarvoor Millen, Gangelt en Vucht, gebieden die al in het land van de hertog lagen maar nog niet in zijn bezit waren. De door Engelbrecht geruilde gebieden had hij op zijn beurt weer verkregen uit de erfenis van zijn moeder Maria van Loon-Heinsberg.

Baron van BeilsteinBewerken

 
De burcht in Beilstein

De baronie van Beilstein maakt deel uit van het oorspronkelijke bezit van de graven van Nassau. De plaatselijke heren van Beilstein worden al in 1129 genoemd, maar om onbekende reden kwam het gebied later in het bezit van de landgraven van Thüringen, die het gebied Herborn, met daarin Beilstein, in de twaalfde eeuw overdroegen aan de Nassaus.

Vervolgens ging het gebied verschillende keren binnen het huis Nassau in andere handen over. De tak Nassau-Beilstein ontstond in 1341, toen de Nassause tak Nassau-Dillenburg werd opgesplitst in Nassau-Dillenburg en Nassau-Beilstein. In 1561 ging de tak weer op in Nassau-Dillenburg. In 1606 ontstond er een nieuwe tak Nassau-Beilstein: na het overlijden van Jan van Nassau (1535–1606) werden zijn Nassause bezittingen in Duitsland verdeeld over zijn zonen. Zijn zoon Georg (1562–1623) erfde Nassau Beilstein. Toen Georgs oudere broer Willem Lodewijk in 1620 overleed, ging zijn titel Nassau-Dillenburg en zijn bezit over naar Georg. Vanaf dan noemde Georg zich Nassau-Dillenburg. Uiteindelijk stierf ook die tak uit en kwamen de bezittingen in handen van de tak Nassau-Dietz, die zich later Oranje-Nassau ging noemen.

In 1825 stond koning Willem I in ruil voor het groothertogdom Luxemburg het gebied af aan een andere tak van het Huis Nassau, maar kwam overeen dat hij wel de titel van Beilstein mocht blijven voeren.

Baron van BredaBewerken

De heerlijkheid Breda was oorspronkelijk een heerlijkheid van het hertogdom Brabant. Breda werd in 1350 van de hertog gekocht door Jan II van Polanen uit het geslacht Wassenaar.

Op 1 augustus 1403 trouwde Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg met Johanna van Polanen, vrouwe van Breda en de Lek, achterkleindochter van Jan I van Polanen. Aangezien Johanna het enige kind was van Jan III van Polanen, kwamen diens titels, via Johanna, terecht bij Johan IV van Nassau, de zoon van Engelbrecht en Johanna.

Het bezit van de Polanens omvatte nog vele andere gebieden (zie verderop), die in hun handen waren gekomen door een erfenis van Willem van Duivenvoorde. Hij was een bastaardzoon van Filips III van Duivenvoorde en een halfbroer van Jan I van Polanen. Na zijn dood liet hij zijn bezittingen na aan Jan II van Polanen, Johanna's grootvader. Willem van Duivenvoorde was een financieel genie, een steeds toenemende rijkdom had hem in staat gesteld zijn vele bezittingen te financieren.

Baron van het land van Cuijk en de stad GraveBewerken

Het land van Cuijk, met daarin de stad Grave, werd in 1559 door Filips II van Spanje verpand aan Willem van Oranje.

Baron van DiestBewerken

De baronie van Diest kwam in 1499 in bezit van Engelbrecht II van Nassau, door ruil van gebieden met hertog Willem IV van Gulik.

Baron van Cranendonck, IJsselstein en EindhovenBewerken

De heerlijkheden Cranendonck, IJsselstein en Eindhoven kwamen in handen van de Oranje-Nassaus toen Willem van Oranje in 1551 huwde met Anna van Egmond van Buren, gravin van Buren en Leerdam.

Cranendonk en Eindhoven vormden feitelijk een eenheid. Deze baronie, waartoe ook de dorpen Budel, Maarheeze, Sterksel, Gastel en Soerendonk behoorden, werd in 1482 door Anna's overgrootvader Frederik van Egmond gekocht van de graaf van Horne.

Anna was enig kind. Toen zij in 1588 overleed, gingen haar bezittingen naar haar oudste zoon, Filips Willem, die daarmee baron van Grave, Cranendonck en IJsselstein was geworden.

Baron van LiesveldBewerken

De baronie van Liesveld werd in 1636 door Willem Frederik van Nassau-Dietz gekocht.

Baron van WaastenBewerken

Waasten wordt al in de 13e eeuw als heerlijkheid genoemd. De baronie van Waasten kwam via het Huis Luxemburg in het bezit van de Nassaus. De moeder van Louise Francisca van Savoye, de eerste echtgenote van Hendrik III van Nassau-Breda was Maria van Luxemburg Ligny uit het Huis Luxemburg.

Baron van Arlay en NozeroyBewerken

 
René van Chalon

Hendrik III van Nassau-Breda was in 1515 getrouwd met Claudia van Chalon, de dochter van de Franse graaf Jan IV van Chalon-d'Arlay. Het bezit van het geslacht Chalon omvatte onder meer de heerlijkheden Arlay en Nozeroy. Claudia's broer, Philibert van Chalon, erfde zijn vaders titels maar overleed kinderloos. Hij liet zijn bezittingen na aan de zoon van zijn zuster, Renatus van Nassau, oftewel René van Chalon. René overleed kinderloos in 1544 en liet zijn bezittingen na aan Willem van Oranje, die daarmee zijn titels erfde.

Baron van HerstalBewerken

De baronie van Herstal was een van de bezittingen van Polanens die in de handen kwam van de Nassaus door het huwelijk van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg met Johanna van Polanen in 1403. Zie hierboven onder Baron van Breda.

Vrijheer van AmelandBewerken

De vrije heerlijkheid Ameland was een heerlijkheid van het Heilige Roomse Rijk die tussen 1424 en 1681 werd bestuurd door het geslacht Cammigha. Nadat de laatste heer uit dat geslacht, Frans Duco van Cammingha, overleed ging de heerlijkheid over naar de familie Thoe Schwarzenberg Hohenlandsberg, die het vervolgens in 1704 voor 170.000 florijnen verkocht aan Amalia van Anhalt-Dessau, de weduwe van Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz, die het kocht voor haar zoon Johan Willem Friso.

Deze vrije heerlijkheid kende hoge en lage jurisdisctie en een aantal voorrechten, zoals het strand- en zeevondrecht.

Heer van Baarn, Ter Eem en SoestBewerken

De "hofstede aan de Zoestdijck" (tegenwoordig: Paleis Soestdijk) werd in 1674 door Willem III van Oranje-Nassau gekocht van de Amsterdamse regentenfamilie De Graeff. De Staten van Utrecht verhieven Baarn, Ter Eem, Soest en Eemnes tot hoge heerlijkheid en droegen deze op aan Willem. Zo ontstonden heerlijkheid Baarn, heerlijkheid Ter Eem, heerlijkheid Soest en heerlijkheid Eemnes. Om onbekende reden wordt Eemnes alleen nooit apart genoemd. Nadat Willem III kinderloos overleed erfde Johan Willem Friso de hofstede en de bijbehorende heerlijkheden. Hij overleed echter al in 1711. Zijn weduwe Maria Louise van Hessen-Kassel bracht er nog dikwijls de zomers door, hun zoon Willem IV van Oranje-Nassau erfde het goed later.

Heer van BesançonBewerken

De heerlijkheid Besançon was, met het burggraafschap, een van de bezittingen van de Chalons die in de handen kwam van de Oranje-Nassaus door de erfenis van René van Chalon, zie hierboven onder baron van Arlay en Nozeroy.

Heer van BorculoBewerken

De stad en heerlijkheid Borculo werden in 1777 door Prins Willem V gekocht van de Poolse prins Adam Kazimierz Czartoryski.

Heer van BredevoortBewerken

 
Beatrix vrouwe van Bredevoort, op de achterkant Borculo en Lichtenvoorde.

Prins Maurits nam tijdens de Tachtigjarige Oorlog in 1597 het stadje Bredevoort in, wat pand was van de Spaansgezinde Jacob van Bronckhorst-Batenburg. Hij nam diens pand, het stadje Bredevoort en het bijbehorende kasteel, voor 50.000 goudguldens over van de Staten van Gelre. In 1697 schonken de Staten van Gelderland de heerlijkheid Bredevoort definitief aan stadhouder Willem III.

Heer van BütgenbachBewerken

De heerlijkheid Bütgenbach kwam in 1417 door een erfenis in handen van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg. Zie ook: graafschap Vianden hierboven.

Heer van DaasburgBewerken

De heerlijkheid Daasburg was door vererving in handen gekomen van de graven van Vianden en ging met de erfenis van Elisabeth van Spanheim over in handen van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg, zie verder hierboven onder "graaf van Vianden".

Heer van GeertruidenbergBewerken

De heerlijkheid Geertruidenberg was een van de bezittingen van Polanens die in de handen kwam van de Nassaus door het huwelijk van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg met Johanna van Polanen in 1403. Zie hierboven onder baron van Breda.

Heer van Hooge en Lage ZwaluweBewerken

In 1518 kocht Hendrik III van Nassau-Breda de heerlijkheid Hooge en Lage Zwaluwe. Hij liet het na aan zijn zoon René van Chalon, die het weer naliet aan Willem van Oranje.

Heer van de NiervaartBewerken

De heerlijkheid de Niervaart was een van de bezittingen van Polanens die in de handen kwam van de Nassaus door het huwelijk van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg met Johanna van Polanen in 1403. Niervaart was feitelijk de oude naam van Klundert, het gaat hier om hetzelfde gebied. Zie hierboven onder baron van Breda.

Heer van de KlundertBewerken

De heerlijkheid de Klundert was een van de bezittingen van Polanens die in de handen kwam van de Nassaus door het huwelijk van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg met Johanna van Polanen in 1403. Niervaart was feitelijk de oude naam van Klundert, het gaat hier om hetzelfde gebied. Zie hierboven onder baron van Breda.

Heer van LichtenvoordeBewerken

De stad en heerlijkheid Lichtenvoorde werden in 1777 door Prins Willem V gekocht van de Poolse prins Adam Kazimierz Czartoryski.

Heer van Het LooBewerken

 
Het paleis Het Loo op een schilderij van Andreas Schelfhout uit 1838

De havezate Het Loo, met daarbij de nodige jachtrechten, werd in 1684 gekocht door stadhouder Willem III. Aangezien de havezate vervallen was, liet Willem daar vlakbij een nieuw paleis bouwen, tegenwoordig bekend als Paleis het Loo. Het oude jachtslot is nog steeds in gebruik bij de koninklijke familie, ook heeft prinses Margriet er een privéwoning.

Heer van MontfortBewerken

De heerlijkheid Montfort werd gesticht door Hendrik III van Gelre. Via de Bourgondiërs kwam het in bezit van de Oranjes. Bij de dood van de kinderloze Willem III ging het over op Pruisen. Koning Frederik de Grote verkocht het in 1769 weer terug aan de prins van Oranje.

Heer van NaaldwijkBewerken

De heerlijkheid Naaldwijk was een van de bezittingen van Polanens die in de handen kwam van de Nassaus door het huwelijk van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg met Johanna van Polanen in 1403. Zie hierboven onder baron van Breda. Het geslacht stierf in 1600 in mannelijke lijn uit. Graaf Frederik Hendrik van Nassau, de latere Prins van Oranje, kocht de heerlijkheid in 1612.

Heer van PolanenBewerken

De heerlijkheid Polanen was een van de bezittingen van Polanens die in de handen kwam van de Nassaus door het huwelijk van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg met Johanna van Polanen in 1403. Zie hierboven onder baron van Breda.

Heer van SteenbergenBewerken

De heerlijkheid Steenbergen was een van de bezittingen van Polanens die in de handen kwam van de Nassaus door het huwelijk van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg met Johanna van Polanen in 1403. Zie hierboven onder baron van Breda.

Heer van Sint-MaartensdijkBewerken

De heerlijkheid Sint-Maartensdijk kwam in handen van de Oranje-Nassaus toen Willem van Oranje in 1551 huwde met Anna van Egmond van Buren, gravin van Buren en Leerdam. Anna was enig kind. Toen zij in 1558 overleed, gingen haar bezittingen naar haar oudste zoon, Filips Willem, die daarmee heer van Sint-Maartensdijk was geworden.

Heer van Sint VithBewerken

De heerlijkheid Sint Vith (Duits: Sankt Vith, Frans: "Saint-Vith") kwam in 1417 door een erfenis in handen van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg. Zie ook: graafschap Vianden hierboven.

Heer van TurnhoutBewerken

De heerlijkheid Turnhout werd door Filips IV van Spanje aan Frederik Hendrik van Oranje gegeven als gevolg van de Vrede van Münster. Echter, voordat de Vrede van Münster in 1648 tot stand kwam, overleed Frederik Hendrik in 1647. In zijn plaats nam zijn weduwe Amalia van Solms de heerlijkheid in bezit voor haar zoon, de latere stadhouder Willem II van Oranje-Nassau.

Heer van WillemstadBewerken

 
Luchtfoto Willemstad 2004

De Staten van Holland verhieven Willemstad tot heerlijkheid en schonken de heerlijkheid Willemstad in 1584 aan Willem van Oranje, als dank voor het stichten en versterken van het stadje.

Heer van ZevenbergenBewerken

De heerlijkheid Zevenbergen werd in 1647 door Filips IV van Spanje geschonken aan Amalia van Solms, nadat in dat jaar haar echtgenoot Frederik Hendrik van Oranje was overleden. Na de dood van Amalia ging de heerlijkheid Zevenbergen over naar haar zoon Willem II van Oranje-Nassau.

Titel van de troonopvolgerBewerken

Prins van OranjeBewerken

 
Wapen van het prinsdom Orange
  Zie Prins van Oranje voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1388 trouwde de graaf van Chalon, Jan III van Chalon-Arlay met zijn nicht Marie van Baux. Marie was het enige kind van Raymond V van Baux, prins van Orange. Het geslacht Baux had het vorstendom al sinds 1173 in bezit. Toen Raymond van Baux overleed, kwam de titel prins (vorst) van Orange in handen van de zoon van Jan en Marie: Lodewijk "de goede". Diens kleinzoon Jan kreeg drie kinderen, van wie er twee volwassen werden: Claudia en Philibert.

Claudia van Chalon huwde in 1515 met Hendrik III van Nassau-Breda. Nadat Claudia's broer Filibert kinderloos overleed, gingen diens bezittingen over naar de zoon van Hendrik en Claudia: Renatus van Nassau, oftewel: René van Chalon. René overleed kinderloos in 1544 en liet zijn bezittingen na aan Willem van Oranje, die daarmee zijn titels erfde, waaronder de titels prins van Oranje en ook de heerlijkheden Arlay, Nozeroy en Besançon (zie hierboven).

Tegenwoordig is de titel prins(es) van Oranje volgens de Wet lidmaatschap koninklijk huis een persoonlijke titel die steeds door de erfopvolger wordt gevoerd.

  Zie ook het artikel Orange (prinsdom)

Overige titels in de koninklijke familieBewerken

De volgende titels en namen worden verder nog gevoerd door de leden van de Nederlandse koninklijke familie:

Prins van Oranje-NassauBewerken

  Zie Prins van Oranje-Nassau voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De titel prins van Oranje-Nassau ontstond in feite toen graaf Willem van Nassau de titel prins van Oranje erfde van zijn neef René van Chalon. Hij noemde zich toen Willem van Oranje, stadhouder van de Spaanse koning in de Nederlanden, zijn nazaten gingen zich later prins van Oranje-Nassau noemen.

Bij de huwelijken van koningin Wilhelmina in 1901, prinses Juliana in 1937 en prinses Beatrix in 1966 werd bepaald dat de naam Oranje-Nassau in stand zou blijven voor de nakomelingen en dat niet de naam van de mannelijke echtgenoten gevoerd zou worden. Feitelijk was de tak Oranje-Nassau met de dood van de laatste mannelijke telg, koning Willem III, uitgestorven, al was Wilhelmina de laatste Oranje-Nassau. Met haar stierf de Ottoonse tak van het huis Nassau uit.

Door de jaren heen was de titel prins van Oranje-Nassau voor een aantal familieleden erfelijk maar in de huidige tijd is deze titel alleen nog maar erfelijk voor de nakomelingen van prins Willem-Alexander en niet voor de nakomelingen van zijn broers. Die werden graaf van Oranje-Nassau.

Verder wordt de titel gevoerd door de zusters van koningin Beatrix en de kinderen van prinses Margriet. Die voeren de titel slechts als persoonlijke titel, voor hen is de titel niet erfelijk. De kleinkinderen van prinses Margriet en hun eventuele nazaten zijn niet van adel.

Aangezien andere zusters van prinses Beatrix, prinses Irene en prinses Christina zonder parlementaire toestemming in het huwelijk traden, verloren hun nakomelingen het recht op de titel Prins van Oranje-Nassau. Wel voeren de kinderen van prinses Irene de titel prins de Bourbon de Parme, die zij kregen van hun vader (zie verderop).

Prinses van Lippe-BiesterfeldBewerken

 
Prins Bernhard

Persoonlijke titel van prinses Beatrix, prinses Irene, prinses Margriet en prinses Christina, omdat zij dochters zijn van prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld. De titel is niet in vrouwelijke lijn erfelijk en wordt dus verder niet doorgegeven aan hun kinderen. De naam Van Lippe-Biesterfeld is echter in het geval van de oudste zoon van prinses Margriet (Maurits) wel voor zijn afstammelingen voorgevoegd aan de naam Van Vollenhoven.

Prins de Bourbon de ParmeBewerken

De titel prins de Bourbon de Parme wordt gevoerd door de kinderen van prinses Irene, die in 1964 huwde met Franse prins Karel Hugo van Bourbon-Parma, pretendent voor de Spaanse troon. Irenes kinderen hebben zich in 1996 officieel in de Nederlandse adel laten inlijven, waarmee de titel prins de Bourbon de Parme formeel een Nederlandse adellijke titel, met daarnaast koninklijk predicaat, is geworden.

Graaf van Oranje-NassauBewerken

Bij Koninklijk Besluit werd bepaald dat de kinderen van prins Constantijn (in februari 2001[1]) en prins Friso (in maart 2004[2]) de titel graaf van Oranje-Nassau kregen. Deze titel is erfelijk.

Jonkheer van AmsbergBewerken

Prins Claus werd bij zijn huwelijk met prinses Beatrix het predicaat jonkheer van Amsberg verleend. Ook het nageslacht van prins Constantijn en prins Friso dragen het predicaat jonkheer/jonkvrouw.

Voormalige titel in de koninklijke familieBewerken

Hertogin van MecklenburgBewerken

 
Hendrik van Mecklenburg-Schwerin

Dit was een persoonlijke titel van koningin Juliana, die zij kreeg als dochter van prins Hendrik. De titel was niet in vrouwelijke lijn erfelijk en werd dus verder niet doorgegeven aan Juliana's kinderen.