Hoofdmenu openen

Théophile de Bock

Nederlands kunstschilder (1851-1904)

Théophile Emile Achille de Bock (Den Haag, 14 januari 1851 - Haarlem, 22 november 1904) was een Nederlands kunstschilder behorend bij de Haagse School.

Théophile de Bock
Theophile de Bock.jpg
Persoonsgegevens
Volledige naam Théophile Emile Achille de Bock
Geboren Den Haag, 14 jan 1851
Overleden Haarlem, 22 nov 1904
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep(en) kunstschilder
Oriënterende gegevens
Stijl(en) Haagse School
Bekende werken Landschap, Zandweg, Zonsondergang.
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Inhoud

Jeugd en opleidingBewerken

Theophile de Bock werd in 1851 geboren in Den Haag als zoon van Heinrich Wilhelmus Eduard de Bock (1813 - 1897) en Wilhelmina Thomassen (1831 - 1866); zij was de tweede vrouw van zijn vader. Het gezin was Nederlands Hervormd en had 8 kinderen, waarvan Theophile de oudste was. Delft was de plaats van zijn jeugdjaren, tot zijn vertrek naar Den Haag in 1869. Hij kreeg daar als achttienjarige een baan bij de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij, maar bleek ongeschikt voor een kantoorbaan. Tijdens zijn werk in de buitendienst nam hij vaak zijn schilderskist mee en ging erop uit om in de natuur te schilderen, waarbij hij zichzelf de techniek aanleerde; hij werd dan ook ontslagen. Jan Kneppelhout bemoeide zich daarop als mecenas met de jonge De Bock, wat al gauw uitliep op een breuk door de Bock zijn eigenzinnigheid.[1] Daarop ging hij in de leer bij de Haagse schilder Willem van Borselen en vervolgens bij J.H. Weissenbruch[2] die de meeste invloed op hem kreeg. Zo begon hij dan ook in de trant van de 'Grijze School' te schetsen en schilderen in de Haagse duinstreek.

Werk en levenBewerken

Theophile trouwde op 5 oktober 1887 in Den Haag met Catharina Petronella Bloklander (1855 - 1939); ze kregen kreeg zeven kinderen. Mei 1895 vestigde hij zich met zijn gezin definitief in Renkum, in Villa Anna, aan de Nieuweweg 19. In het koetshuis ernaast richtte hij zijn atelier in.

De appreciatie van De Bock als aankomende schilder varieerde sterk per recensent. Weinig kunstenaars toen zijn afwisselend zo sterk opgehemeld en afgebrand als De Bock. Er werd met name veel gelachen om zijn schilderij dat hij op een Haagse tentoonstelling exposeerde.[1] Maar juist dit werk werd voor hem ook een stimulerend succes, omdat de al bekende Jacob Maris het doek aangekocht c. 1871-75. Dezelfde tijd zag de Bock voor het eerst eigentijdse werken van de moderne Franse Barbizon-schilders die hem sterk fascineerden, waarop hij besloot zelf naar Barbizon te vertrekken, waar hij verbleef c. 1878-80. Het waren met name Corot en Rousseau, die daar indruk op hem maakten. Onder andere werkte hij er veel in het bos van Fontainebleau. Weer terug in Nederland vestigde hij zich in Den Haag, waar hij veel in de duinen schilderde. In die jaren vluchtte hij ook vaak weg uit de stad om helemaal buiten te zijn; hij trok dan meestal naar Gelderland - met name rond Doorwerth - waar hij zwierf door de bossen en over de hei. Zijn voorkeur ging uit naar de bossen, met hun veelsoortige bomen, al heeft hij ook gezichten over het water geschilderd, waarin de invloed van Jacob Maris zichtbaar werd.[3]

De bomen en DoorwerthBewerken

In Den Haag werkte hij veel in de buurt van een zij-laantje van de Scheveningse weg dat naar de duinen leidde; hij noemde dit het Corot-laantje, naar de schilder Corot die hij bewonderde (tegenwoordig heet het Frankenslag, achter Scheveningen). De Bock hield erg van bomen en gaf hen daarom ook een eigen naam, al naar de indruk die hun vormen en uiterlijk op hem maakte. Zo stond er voor hem aan het einde van zijn Corot-laantje de boom 'Bedrogen jonkvrouw', en een eindje verder naar het duin 'Teer Wiesje'. Rond Doorwerth waar hij veel verbleef stonden 'Blonde Lien', een grote blonde beuk, 'De dronken polderjongens', van vier in elkaar verstrengelde eiken, en 'Karel de Vijfde', een kolossale reus met een zwaar gekroond hoofd, te midden van zijn lagere onderdanen. Hij hield erg van Gelderland om de forsheid van de eeuwenoude beukenstammen; maar ook Drenthe trok hem aan met zijn sombere boerenwoningen inclusief aangehechte schuren, en het mysterieuze imposante van de hunnebedden aldaar.[4]

Rond Doorwerth vond hij exemplaren van oude beuken met machtige, kolossale stammen en veel zware takken die gezamenlijk een grote kroon maken. Bovendien woonde de Bock graag op oude historische buitenplaatsen en greep daarom de kans aan om in de oranjerie van het kasteel Doorwerth zijn zomerverblijf te hebben; s'winters verbleef hij in Den Haag. In zijn latere jaren besloot hij zelfs om definitief naar Renkum te verhuizen; [4] in 1902 verruilde hij Renkum voor Haarlem: 'Gelderland had op den duur iets zwaars.'[1]

Met andere kunstenaarsBewerken

In 1881 werkte hij, samen met o. a. Breitner, mee aan het 'Panorama Mesdag' van Hendrik Willem Mesdag waarin hij de luchten en duinen schilderde. Als landschapsschilder bleef hij, door zijn gebrekkige opleiding, moeite houden met het schilderen van mensen en dieren; het was [Willem Maris|Willem Maris]] die hem hierbij vaak behulpzaam was door koeien of andere figuren in De Bock zijn landschappen te 'stofferen'. Met zowel Jacob als Willem Maris was De Bock goed bevriend; na het overlijden van Jacob schreef hij een boek over zijn leven. Ook toen Vincent van Gogh aan het eind van de zomer van 1881 een driedaags bezoek bracht aan Den Haag leerde hij Theophile kennen. Deze behoorde inmiddels tot de vaste kern van de Haagse School; van 1881 tot 1883 hadden beiden intensief contact. In de brieven die Vincent Van Gogh schreef aan zijn broer Theo vertelde hij veel over hun ontmoetingen.[5] Samen bezochten ze nog het pas geopende Panorama Mesdag, waaraan De Bock had meegewerkt. Van Gogh had echter ook kritiek op het werk van De Bock, want hij vond dat die tekort schoot op het vlak van de figuur. In 1883 merkte Van Gogh al op dat het De Bock financieel goed voor de wind ging, want veel werken verdwenen naar Canada, Engeland en Amerika, zonder dat ze in eigen land aan het publiek werden getoond.[1]

Vaak trok hij later in Gelderland erop uit met Sieger Baukema en Charles Dankmeyer, om gezamenlijk buiten te schilderen. Theophile had de gewoonte buiten een studie in olieverf te maken om later in zijn atelier het schilderij daarop te componeren. Dankmeyer wist hem ervan te overtuigen dat het beter was eerst buiten studies in zwart krijt te maken en later in het atelier uit het geheugen te werken om te vermijden dat het werk een kopie zou worden en daardoor minder levend werd. Hij sloot ook vriendschap met Hendrik van Ingen (1846-1920), die vaak koeien in De Bock's landschappen zou schilderen.

Organisatorisch speelde De Bock ook een aanzienlijke rol in kunstzinnig Den Haag; hij was al in 1883 en 1884 actief in de Hollandsche Teekenmaatschappij[6] Op 1 mei 1891 richtte hij architect Paul du Rieu de Haagsche Kunstkring op op als tegenhanger van het gevestigde Pulchri Studio. Jarenlang was hij ook voorzitter van deze kring, die ruimer van opzet was dan Pulchri en zich niet beperkte tot schilderkunst alleen. Als voorloper van deze Kunstkring gold de bierclub 'Het Vlondertje' in café Lincke in Den Haag, waar na 1875 al wekelijks een groep schilders, schrijvers en musici bijeenkwam om te discussiëren over kunst. Hoewel De Bock als vernieuwer in de kunst niet voorop liep, gaf hij wel de aanzet tot deze nieuwe kring gaf. Toen 'Pulchri' weigerde om Van Gogh te laten exposeren, was het De Bock die voor hem opkwam en in een brief in 1892 schreef: 'Toen namen wij de zaak over en met 'dit afval' [de afgewezen kunstenaars] van 'Pulchri' gaan wij nu werken'.[1]

Enkele jaren later werd bij de oprichtingsvergadering van de 'Vereeniging tot het inrichten van Gemeentelijke Tentoonstellingen van Levende Meesters' te Arnhem, op 21 september 1896 De Bock gevraagd zitting te nemen in het bestuur. Deze functie zou hij tot zijn dood vervullen. In 1899 nam hij plaats in het comité van de 'Nederlandsche Vrouwenbond ter Internationale Ontwapening'. Hij stond werk af voor het Koning Willemfonds te Londen en voor het Utrechts damescomité voor de verloting van kunstwerken voor Volkssanatoria. Samen met Dankmeyer, Kuypers, Van Ingen en nog enkele anderen richtte De Bock per 1 mei 1902 de kunstvereniging 'Pictura Veluvensis' op, 'ten doel hebbende jaarlijksch in den zomer eene tentoonstelling te organiseren van schilderijen en teekeningen van schilders in Renkum, Heelsum en omstreken wonende of daar niet lang geleden gewoond hebbende'; Theophile werd erevoorzitter. Aanzet tot de oprichting was het gegeven dat de bewaarschool van Renkum in financiële moeilijkheden verkeerde, daarom werd een verkoopexpositie van schilderijen voor het schooltje georganiseerd, met de oprichting van bovengenoemde vereniging als gevolg. De vereniging kreeg een meer dan regionale betekenis en bevond zich rond 1910 op haar hoogtepunt met meer dan 200 leden.[1]

CitaatBewerken

Citaat van de Bock in zijn brief aan kunst-journalist Louis de Haes', Den Haag 15 januari 1893:

'Laat de spin haar net maken, den vogel vliegen, den visch zwemmen, een worm kruipen, een kikvorsch springen, maar laat mij schilderen op mijn manier; 't heerlijke licht van de machtige zon, de stemmige maneschijn, het trillen der sterren in de diep-blauwe atmosfeer; de fluweelgroene bosschen, 't kletterende water, àlles, àlles wat mij mooi schijnt, want ik geloof dat alles van en voor mij is.. .'k Weet niet of ik kunstenaar ben en dus kunst geef; 'k weet ook niet of ik waar of onwaar ben; 'k weet zelfs niet tot welke school ik behoor; dit moeten de critici maar uitmaken. Maar wél weet ik dat ik rustloos zoek ter voldoening van mijn oog of tot rust van mijn gemoedsleven, die beiden tot heden steeds teleurgesteld bleven.'[4]

ErkenningBewerken

Tijdens zijn leven genoot De Bock een grote bekendheid en had hij veel solotentoonstellingen, bijvoorbeeld in 1889 bij Arti et Amicitiae in Amsterdam. Meestal verkocht hij al zijn werken op een expositie en werden zijn schilderijen, bijna nog nat op het doek, direct naar Amerika en Engeland verscheept. Van 1883 tot 1901 werd in Barcelona, Parijs, Amsterdam en München met zes medailles onderscheiden.[5]

LandschapsfotograafBewerken

Théophile de Bock fotografeerde als één van de weinge kunstenaars uit zijn tijd het landschap. De ontdekking van een serie foto's van zijn hand, die hij c. 1875 maakte, werpt een heel nieuw licht op zijn schilderkunstige werk. Bovendien is De Bock, zoals nu blijkt, de enige negentiende-eeuwse landschapsfotograaf die Nederland rijk is. Deze opmerkelijke interesse in fotografie is mogelijk ontstaan via schilder-fotograaf Maurits Verveer, een goede vriend van De Bock en medelid van de Haagse Pulchri Studio. De ontdekte foto's kunnen worden gedateerd rond 1875, toen ook zijn belangrijkste ontwikkeling als schilder plaatsvond. Het blijkt dat beide media voor De Bock een cruciale invloed op elkaar hadden en dat hij zijn foto's gebruikte als visuele voorbeelden voor het maken van zijn schilderijen. Bij onderlinge vergelijking van een aantal foto's met zijn schilderijen valt direct op dat de schildering op doek naar een betreffende foto is gemaakt. Hij zat vaak dicht op zijn favoriete onderwerp (close-up), de bomen, en met name zijn boomstamfoto's zijn uniek binnen de negentiende-eeuwse fotografie.[7]

Galerij van werkenBewerken

LiteratuurBewerken

  • John Sillevis en Anne Tabak, 'Het Haagse School boek' (2001). Waanders Uitgevers, Zwolle, Gemeentemuseum Den Haag, p. 341-347, ISBN 904009540X
  • Sanders, Roel Schilders van Drenthe (2001) uitgeverij Het Drentse boek, Zuidwolde ISBN 90-6509-604-3
  • Bodt, Saskia Franciska Maria de De Haagse School in Drenthe (1997), uitgeverij Waanders, Zwolle ISBN 90-400-9917-0

Werk in openbare collecties (selectie)Bewerken