Teucrium pyrenaicum

soort uit het geslacht gamander

Teucrium pyrenaicum is een kruidachtige plant uit het geslacht gamander (Teucrium), die endemisch is in de Pyreneeën en het Cantabrisch gebergte in Noord-Spanje.

Teucrium pyrenaicum
Teucrium pyrenaicum 001.JPG
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (Planten)
Stam:Embryophyta (Landplanten)
Klasse:Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade:Bedektzadigen
Clade:'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade:Lamiiden
Orde:Lamiales
Familie:Lamiaceae (Lipbloemenfamilie)
Geslacht:Teucrium (Gamander)
soort
Teucrium pyrenaicum
L. (1753)
Teucrium pyrenaicum, habitus
Teucrium pyrenaicum, habitus
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Teucrium pyrenaicum op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Het is een rotsplantje met opvallende, paarswitte bloemen.

Naamgeving en etymologieBewerken

De botanische naam Teucrium is vernoemd naar Teukros, een Trojaanse prins die het kruid in een medicijn gebruikte. De soortaanduiding pyrenaicum is afkomstig van het Latijnse pyrenaicus (van de Pyreneeën).

KenmerkenBewerken

T. pyrenaicum is een zodenvormende, overblijvende plant met een tot 20 cm lange, liggende, slanke bloemstengel, onderaan verhout, naar boven toe zacht behaard. De bladeren zijn tegenoverstaand, eirond, kort gesteeld, geribbeld, duidelijk generfd, aan beide zijden behaard, de randen gezaagd.

De bloeiwijze is een eindstandig, halfrond hoofdje. De bloemen zijn buisvormig, tweekleurig paars en wit gekleurd, en worden ondersteund door schutbladen, de onderste groot en eirond, naar boven toe kleiner en spatelvormig. De kelk is sterk behaard, groen, en bestaat uit vijf gefuseerde kelkbladen die uitlopen op 5 puntige tanden. De bloemkroon bestaat eveneens uit vijf tot een buis gefuseerde kroonbladen, uitlopend op een grote, witte bloemlip, twee grote rechtopstaande, paarse, spatelvormige lobben die de meeldraden en de stamper beschermen, en twee smalle, witte zijlobben.

T. pyrenaicum bloeit van juni tot september.

Habitat en verspreidingBewerken

T. pyrenaicum komt vooral voor op droge, stenige, kalkrijke en voedselarme bodems, zoals in kalkgraslanden, op kalksteenrotsen en rotsige hellingen, van zeeniveau tot op 2.000 m.

De plant is endemisch in de Pyreneeën en het Cantabrisch gebergte in Noord-Spanje.