Taalkunde

studie van natuurlijke menselijke talen
(Doorverwezen vanaf Taalwetenschap)

Taalkunde, ook wel taalwetenschap of linguïstiek, is de wetenschappelijke studie van de natuurlijke talen. Het doel van de taalkunde is om talen te beschrijven zoals ze zijn; dat wil zeggen, zoals mensen ze in werkelijkheid gebruiken. Ingeval het onderzoek niet een specifieke taal betreft maar natuurlijke talen in het algemeen, spreken we van algemene taalkunde of universele taalwetenschap.

AlgemeenBewerken

Taalkunde is de wetenschappelijke studie van de natuurlijke talen, de door mensen tegen elkaar gesproken talen die op natuurlijke wijze als moedertaal verworven worden. De natuurlijke talen onderscheiden zich van kunsttalen en metataal.

In de taalkunde bestaan twee tradities:

  • de traditie om taal zo veel mogelijk als een autonoom, intern samenhangend systeem te bestuderen, juist zo veel mogelijk onafhankelijk van kwesties die in die andere wetenschappen worden bestudeerd. Deze tak van de taalkunde wordt ook wel formele of algemene taalkunde genoemd.
  • de traditie om taal juist zo veel mogelijk als geïntegreerd, sociaal systeem te bestuderen, als product en tegelijk producent van sociale verhoudingen. Deze tak van de taalkunde wordt ook wel toegepaste taalkunde genoemd.

De meeste taalkunde is ontwikkeld voor de beschrijving van gesproken talen, waarbij de taal wordt beschouwd zoals die wordt gesproken en geschreven, maar soms wordt expliciet naar spreektaal of naar schrijftaal gekeken. Ook gebarentaal wordt bestudeerd, maar uiteraard is niet alle bestaande taalkunde op gebarentaal van toepassing. Formele taalkunde heeft inhoudelijk ook raakvlakken met de constructie, bestudering en toepassing van formele talen, bijvoorbeeld talen die in de wiskunde worden gebruikt en computertalen.

Omdat taalgebruik en taalontwikkeling menselijke activiteiten zijn, heeft de studie van taal raakvlakken met humane wetenschappen zoals cognitiewetenschappen, psychologie, antropologie en sociologie.

Als wetenschappelijk studiegebied is taalkunde snel gegroeid vanaf de jaren 1960, enerzijds door een toegenomen belangstelling voor de studie van het verband tussen taal en menselijke overtuigingen en gedragingen; anderzijds door ontwikkelingen eigen aan het vakgebied zelf, zoals het werk van de onderzoeksgroep rond de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky.[1]

TaaluitingenBewerken

Als taaluitingen beschouwt de meeste taalkunde dus gesproken uitingen, opgebouwd uit klanken, morfemen, woorden, zinnen en teksten of discoursen. De klanken worden bestudeerd door de fonetiek en de fonologie, de opbouw van woorden door de morfologie, en de groepering van woorden in zinnen door de syntaxis.

De betekenis van taaluitingen wordt bestudeerd door de semantiek. Wat de spreker met de taaluitingen probeert te bewerkstelligen, het doel dat ermee nagestreefd wordt, wordt bestudeerd door de pragmatiek. Ook de gebaren van gebarentaalsprekers worden als taaluitingen opgevat.

Idealisering van de taalBewerken

Volgens Ferdinand de Saussure bestudeert de taalkunde de gedeelde sociale code waarmee mensen communiceren, dus een abstract systeem dat hij langue (taal) noemt en dat strikt onderscheiden wordt van de individuele taaluitingen, die hij aanduidt met de term parole (woord). Langue is dan de collectieve kennis van een gemeenschap van gebruikers, en dus precies het gedeelte van taalgebruik dat zich leent tot wetenschappelijke observatie en beschrijving. Bovendien is deze abstracte taal de kern van het taalgebruik, los van de oppervlakkige en toevallige verschillen tussen gedragsreflexen.[2]

Ook Chomsky beschouwt de idealiserende rol van de taalkunde, maar hij beschouwt dit vanuit het psychologische contrast tussen competentie en performantie: competentie is de kennis die moedertaalgebruikers hebben van de taal als een stelsel van abstracte formele verbanden; performantie is hun eigenlijke communicatiegedrag.[2]

DeelgebiedenBewerken

Naargelang van de specifieke belangstelling van de onderzoeker worden diverse deeldomeinen onderscheiden. De Saussure introduceerde een hoofdonderscheid tussen enerzijds diachrone linguïstiek of historische taalkunde, de studie van verandering in de taal, en anderzijds synchrone taalkunde, die de toestand van (een) taal op een bepaald moment bestudeert. Pogingen om algemene beginselen voor de studie van alle talen te formuleren, en de eigenschappen van menselijke taal als verschijnsel zelf te beschrijven, vallen onder de theoretische of algemene taalkunde. De studie van één specifiek taalsysteem heet beschrijvende taalkunde. Als de nadruk ligt op onderlinge verschillen tussen talen, valt de studie onder de hoofding vergelijkende taalkunde (ook typologische taalkunde). Structuralistische taalkunde gaat over de benadering van syntaxis en fonologie die de oppervlaktestructuur van een taal beschrijven, een discipline die sterk op de voorgrond trad in de jaren 1940 en 1950.[1]

Niveaus van formele analyseBewerken

Sommige taalkundige onderzoeksgebieden onderscheiden zich door het niveau van taalgebruik waarop de analyse is gebaseerd. Fonetici gaan uit van klanken; lexicografen van woorden; en grammatici van zinnen.[3]

  • In de fonologie worden diverse gelijkaardige klanken (allofonen) samengebracht in fonemen. Een foneem is een abstracte klank die door de taalgebruikers als één klank wordt ervaren, zelfs als er objectieve systematische verschillen zijn in de concrete uitspraak van die klank, bijvoorbeeld naargelang van de klanken die eraan voorafgaan of erop volgen.
  • Het daaropvolgende niveau is dat van de lettergreep, dat is een klinker eventueel voorafgegaan en gevolgd door medeklinkers. Een woord dat uit meer dan een lettergreep bestaat, heeft een klemtoon.
  • De morfologie ontleedt woorden in hun samenstellende delen, morfemen genaamd. Voorvoegsels en achtervoegsels zijn voorbeelden van morfemen.
  • De syntaxis bestudeert de opbouw van zinnen uit afzonderlijke woorden: de betekenis van de volgorde van de woorden, en het gebruik van morfologische aanpassingen om de functie van een woord in de zin te wijzigen of te verduidelijken.

StudiegebiedenBewerken

Taalkundige disciplines zijn onder andere:

GeschiedenisBewerken

PrehistorieBewerken

De belangstelling van de mens voor de taal en haar wetmatigheden dateert wellicht uit voorhistorische tijden, misschien aangewakkerd door de confrontatie met gebruikers van een andere taal, of door de waarneming van dialectische verschillen binnen eenzelfde cultuur. In elk geval hebben vele volkeren onafhankelijk van elkaar een mythologie ontwikkeld waarin de goden de taal aan de mensen schenken: het bijbelverhaal over de toren van Babel is hiervan een voorbeeld. De overgang van prehistorie naar historie, dat wil zeggen de ontwikkeling van het schrift, kan op zich beschouwd worden als een stap in de collectieve bewustwording van een groep taalgebruikers als dusdanig en daardoor als een vooruitgang in de taalkunde.

GriekenlandBewerken

De oudste Europese verhandelingen over taal stammen uit het oude Griekenland. De oude Grieken toonden relatief weinig wetenschappelijke interesse voor de verscheidenheid aan talen die ze bij hun kolonisatie van Klein-Azië en Italië ontmoetten, hoewel Plato de vreemde origine van sommige Griekse woorden erkende. Ze waren zich daarentegen scherp bewust van de verscheidenheid aan Griekse dialecten, veroorzaakt door de geografische grenzen van gebergten en eilanden, en de onderlinge verwantschap tussen die dialecten als één Griekse taal. Vanaf de vijfde eeuw v.Chr. verschenen verhandelingen over retorica. Diogenes Laërtius schrijft de oudste studie van de grammatica toe aan Plato. Vanaf de Hellenistische Stoa (300 v.c.) krijgt de taalkunde haar eigen plaats als een specifiek studiegebied, met een afzonderlijke behandeling van fonetica, grammatica en etymologie; geen enkel van deze werken is in zijn geheel tot bij ons overgeleverd. De oudste bewaard gebleven beschrijving van de Griekse taal is de Technè grammatikè van Dionysius Thrax rond het jaar 100 v.Chr. De grondslagen voor de systematische studie van de Griekse grammatica worden toegeschreven aan Apollonius Dyscolus (Alexandrië, 2de eeuw n.Chr.). Zijn modellen, vertaald naar het Latijn, vormden bijna tweeduizend jaar de standaard voor de beschrijving van de Latijnse grammatica.[6]

RomeBewerken

Taalkundigen in het oude Rome pasten de Griekse verworvenheden over grammatica toe op hun eigen Latijn. Varro (1ste eeuw v.Chr.) publiceerde De lingua latina (de Latijnse taal) in 25 boekdelen, waarvan delen 5-10 zijn overgeleverd. Hij deelde de taalkunde in in etymologie, morfologie en syntax. In de etymologie valt vooral op dat Varro geen aandacht besteedde aan de Griekse oorsprong van veel Latijnse woorden, noch aan Grieks-Latijnse woordparen die een duidelijk gemeenschappelijke Indo-Europese oosprong hebben. Zijn woordclassificatie is origineel. Net als de Grieken onderscheidde hij 8 woordsoorten, waarbij de lidwoorden (die in het Latijn niet voorkomen) werden vervangen door de afzonderlijke categorie van de tussenwerpsels - bij de Grieken nog in dezelfde groep als de bijwoorden. Hij vertaalde de namen van de Griekse naamvallen letterlijk, waarbij de αιτιατική πτώσησ (aitiatikè ptosis, "geval van de oorzaak") verkeerd vertaald werd tot casus accusativus ("geval van de beschuldiging"), de accusatief. De ablatief, de zesde naamval die in het Grieks niet voorkomt, noemde hij de naamval van "degene door wie een handeling wordt uitgevoerd". De grondlegger van de Latijnse grammatica die tot model diende van bijna alle latere werken, was Priscianus (circa 500 n.Chr.). Zijn grammatica in 18 delen zou vandaag bijna duizend bladzijden beslaan. Hij negeerde de woordclassificatie van Varro en greep terug naar die van Thrax.[7]

Een belangrijk subgenre vormde de Schulgrammatik, een grammatica met een strikt hiërarchische opbouw die de veronderstelde logische structuur van de Latijnse taal weerspiegelde, en een voorkeur voor semantische categorieën ten nadele van formele kenmerken van woorden en zinsdelen. Een invloedrijke auteur van dit genre was Aelius Donatus met de Ars minor (korte grammatica) en de Ars maior (lange grammatica).[8]

MiddeleeuwenBewerken

Na de val van het West-Romeinse Rijk werd in het Oosten de Oud-Griekse taalkundige traditie voortgezet en becommentarieerd. In het Westen domineerden de kloosters het intellectuele leven met onder meer commentaren op de Latijnse grammatici, naast het originele etymologische en lexicografische werk van Isidorus van Sevilla in de 7de eeuw.[9] Een belangrijke impuls voor de systematische beschrijving van het Latijn kwam van de organisatie van bisschoppelijke scholen op bevel van Karel de Grote. In die tijd verschoof de belangstelling van de geschriften van de kerkvaders naar die van de klassieke Romeinse auteurs. De belangrijkste taalkunde referentie bleef de Ars minor van Donatus.[10]

Het missioneringswerk in de Germaanse gebieden noopte al vroeg tot vertaalwerk. Hiëronymus van Stridon had een van zijn brieven aan de theorie van het vertalen gewijd, waarbij hij argumenteerde ten voordele van het weergeven van de betekenis in plaats het woord voor woord vertalen. Cyrillus en Methodius ontwierpen in de 9de eeuw het Cyrillisch alfabet als een variant van het Griekse, speciaal voor de weergave van de Slavische talen. Abt Aelfric van de abdij Eynsham schreef een Latijns schoolhandboek, waarbij hij aangaf dat de grammatica (gebaseerd op Priscianus en Donatus) evengoed geschikt was voor het bestuderen van het (oud-)Engels. Ierse monniken pasten dezelfde principes toe voor de beschrijving van de Ierse grammatica, waarbij nieuwe termen werden bedacht voor typische elementen van de Keltische talen zoals de initiële mutatie. Een anonieme IJslandse geleerde uit de 12de eeuw, thans bekend als de "Eerste Grammaticus", ontwikkelde een begrip voor de beginselen van de fonologische analyse om een IJslandse versie van het Latijnse alfabet te ontwikkelen. Het IJslands uit die tijd onderscheidde niet minder dan 36 klinkers.[9]

In de nasleep van de kruistochten vanaf de 12de eeuw en vanuit het Arabische Spanje van de 14de eeuw kwamen westerse denkers in contact met de filosofie van Aristoteles en ontstond het eengemaakte Christelijke denksysteem van de scholastiek. De taalkunde vond daarin haar plaats in de vorm van de speculatieve grammatica, dat is het zoeken naar een verklaring van de grammaticale regels in plaats van die regels alleen maar te beschrijven. Scholastische denkers zoals Thomas van Erfurt bedachten ook regels van de syntaxis aan de hand van begrippen die overeenkomen met het huidige onderwerp en gezegde, en de onderschikking van daarvan afhankelijke zinsdelen.[9]

Nieuwe TijdBewerken

Vanaf de renaissance ondergaat de taalkunde parallelle veranderingen met de algemene wetenschapsgeschiedenis. Het empirisme geeft ook in de taalkunde aanleiding tot een verhoogde belangstelling voor kennis die steunt op waarnemingen. Het tijdperk van de grote ontdekkingen brengt West-Europese taalkundigen in contact met een grote verscheidenheid aan niet-Europese talen. Bij het ontstaan van de Europese natie-staten speelt het bewustzijn van de eigenheid van de volkstaal een grote rol. De reformatie moedigt de gelovigen aan kerkelijke dogma's in vraag te stellen en hun geloof te versterken door zelf de Bijbel te lezen; daardoor, en door de (in Europa) pas uitgevonden boekdrukkunst, ontstaat een markt voor boeken in de volkstaal en een standaardisering van de verscheidenheid aan streekdialecten.

Moderne TijdBewerken

Reeds in de 17de eeuw had de Zweedse oudheidkundige Georg Stiernhielm de evangeliën gepubliceerd in een meertalige vergelijkende versie tussen het Gotisch (de oudste geschreven Germaanse taal), het IJslands, het Zweeds en het Latijn en legde daarmee de basis voor een historisch perspectief op de Germaanse talen.[11] Vanaf de 19de eeuw bestuderen Europese taalkundigen het Sanskriet en ontstaat de vergelijkende taalkunde met de ontwikkeling van de Indo-Europese hypothese: de oude talen van India delen een gemeenschappelijke voorouder met de Europese taalgroepen der Romaanse, Keltische, Germaanse, Griekse en Slavische talen.

Zie ookBewerken

  Zie de categorie Taalkundigen van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.