Suezcrisis

De Suezcrisis[1] was een conflict in 1956 over het bezit en de toegang van het Suezkanaal. Het leidde tot de Suezoorlog in de Sinaï, tussen Egypte aan de ene kant en Israël, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk aan de andere kant. Er sneuvelden naar schatting enige duizenden Egyptenaren, 231 Israëlische soldaten[2] en enkele tientallen Britten en Fransen. De gevechten duurden van 31 oktober tot en met 5 november 1956, de Israëlische bezetting van de Sinaïwoestijn en de Gazastrook werd in maart 1957 opgeheven. De Suezoorlog wordt vaak gezien als het definitieve einde van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk als grootmachten.[3]

Suezcrisis
Onderdeel van het Arabisch-Israëlisch conflict
De verovering van de Sinaïwoestijn.
Datum 29 oktober 19567 november 1956
Locatie Gazastrook en Egypte (Sinaï en Suezkanaal-gebied)
Resultaat Staakt-het-vuren opgelegd door de Verenigde Naties.
UNEF bezet de Sinaï.

Militair: overwinning voor Israël, Groot-Brittannië en Frankrijk.
Politiek: overwinning voor Egypte.

Casus belli Egyptische nationalisering van het Suezkanaal.
Strijdende partijen
Vlag van Israël Israël
Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Flag of France.svg Frankrijk
Vlag van Egypte (1952-1958) Egypte
Flag of Hejaz 1917.svg Palestina
Gesteund door:
Vlag van Sovjet-Unie Sovjet-Unie
Flag of Spain (1945–1977).svg Spanje
Leiders en commandanten
Moshe Dayan
Charles Keightley
Pierre Barjot
Gamal Abdel Nasser
Abdel Hakim Amer
Troepensterkte
175.000 Israëli's
45.000 Britten
34.000 Fransen
70.000
Verliezen
Geen betrouwbare cijfers Geen betrouwbare cijfers

AchtergrondenBewerken

De opkomst van NasserBewerken

Op 23 juli 1952 was koning Faroek van Egypte afgezet door een staatsgreep van een groep Arabisch-nationalisten onder leiding van luitenant-kolonel Nasser en deze laatste had de macht overgenomen. In november 1954 werd Nasser president van Egypte. Hij wilde neutraal blijven tegenover de twee partijen van de Koude Oorlog, de westerse wereld en de Sovjet-Unie, en zocht samenwerking met andere landen die zich niet aan een der machtsblokken wilden binden, wat zou leiden tot de Beweging van Niet-Gebonden Landen.

 
Nasser was een charismatisch leider

In oktober 1954 waren Egypte en het Verenigd Koninkrijk overeengekomen dat de Britten hun basis bij het Suezkanaal binnen twintig maanden gefaseerd zouden ontruimen. Ze zouden zeven jaar het recht behouden terug te keren. Pas in 1968 zou de soevereiniteit over de Suezkanaalzone volledig naar Egypte overgaan. In februari 1955 verslechterde de relatie met de Britten echter snel toen Irak toetrad tot het Pact van Bagdad. Nasser zag dit als een reactionaire coalitie die tegen hem gericht was. Hij vermoedde een complot van het huis van de Hashemieten om hem ten val te brengen en te vervangen door een koning. In ieder geval tastte het zijn vermeende leiderschap van de Arabische wereld aan. Om zijn machtspositie te verbeteren wilde hij een groot wapenarsenaal opbouwen. Dat was hem al beloofd door de Verenigde Staten van Amerika die een Middle East Defense Organization wilden oprichten met Egypte als hoofdlid. Nu het er op aankwam, reageerden de VS echter aarzelend. Ze hadden met de Britten en Fransen in 1950 een Tripartite Declaration opgesteld waarin ze aangaven een machtsbalans te willen handhaven tussen Israël en de Arabische landen. Wapenleveranties aan de Arabieren zouden in evenwicht gehouden moeten worden door leveringen aan de IDF, maar dat zou leiden tot een ongewenste wapenwedloop, oplopende spanningen en een agressievere buitenlandse politiek van de zionisten, die de Arabische staten tot grote verbazing van de Amerikanen meer vreesden dan de communisten. Nasser wilde ook niet toezeggen dat hij de wapens nooit tegen Israël zou inzetten.

Wapenleveranties uit Tsjecho-SlowakijeBewerken

In april 1955 had Nasser contacten gelegd met communistische staten tijdens de Bandungconferentie. Hij ging in de zomer van 1955 in het geheim onderhandelingen voeren met de Sovjet-Unie over wapenleveranties. Nikita Chroesjtsjov was graag bereid te leveren om zijn invloed in het Midden-Oosten te vergroten, zij het niet de modernste wapens. Nasser wilde vooral tanks hebben maar kreeg de geavanceerde T-55 niet. Van de T-34-85 had de Sovjet-Unie grote voorraden maar die stamden nog uit de Tweede Wereldoorlog en deze voertuigen waren flink versleten. Om bondgenoten te voorzien liet men Tsjecho-Slowakije nieuwe voertuigen bouwen. Al in 1951 had Egypte een deal met Tsjecho-Slowakije gesloten voor de levering van oude Duitse typen in ruil voor een deel van de katoenoogst. De Tsjechen hadden de nakoming daarvan steeds opgeschort maar nu gaf de Sovjet-Unie het groene licht voor een veel ruimere export. Op 27 september 1955 maakte Nasser bekend dat hij een bestelling geplaatst had voor 230 T-34's, wat uiteindelijk zou uitgroeien tot 820 stuks. Zo zou hij de grootste tankvloot verwerven in het Midden-Oosten. Daarnaast kocht hij een kleine tweehonderd straalvliegtuigen en vijfhonderd stuks geschut.

Reactie van het Verenigd KoninkrijkBewerken

 
Eden werd in maart 1956 een gezworen vijand van Nasser

Het nieuws dat Sovjetwapens zouden worden aangeschaft leidde tot grote ontzetting in het Verenigd Koninkrijk. Men had al geen positief beeld van Nasser maar nu werd hij door politiek en pers afgeschilderd als een verrader en de grootste levende bedreiging voor het Britse Imperium. Men vreesde de controle over het Suezkanaal te gaan verliezen, wat de uiteindelijke ondergang van het koloniale rijk zou bezegelen. Het economische en strategische belang van het kanaal werd daarbij sterk overdreven.

Het VK wenste dat ook Jordanië tot het Pact van Bagdad zou toetreden. Nasser probeerde koning Hoessein te overtuigen hierin niet mee te gaan. Hij wilde de jonge vorst laten inzien dat die niet meer dan een marionet was van het Britse imperium. De belangrijkste Jordaanse strijdmacht, het Arabisch Legioen, stond onder Brits bevel. In feite was het niet anders dan een koloniaal leger, een erfenis uit de tijd dat Trans-Jordanië Brits mandaatgebied was. Niet alleen was de commandant, John Bagot Glubb, een Brit, ook alle hoge officieren stonden in Britse krijgsdienst. Toen Hoessein begin 1956 voorzichig informeerde op welke termijn Jordaniërs leiding zouden kunnen gaan geven aan hun eigen krijgsmacht, kreeg hij tot zijn verbijstering te horen dat daarin goede voortgang geboekt was: jonge inheemse ingenieurs waren in opleiding en men voorzag dat al rond 1985 de commandant van de genie een Arabier zou zijn. Maart 1956, na demonstraties in Amman waartoe radio Caïro opgeroepen had, stuurde Hoessein alle Britse officieren de laan uit. De Britse regering was geschokt. Nasser werd aangewezen als kwade genius achter deze aanslag op de Britse invloed in het Midden-Oosten. De gevolgen vielen echter mee. Hoessein vertrouwde Nasser niet en bleef een Brits bondgenoot.

Voor de Britse premier Anthony Eden vormden de ontwikkelingen in Jordanië de laatste druppel. Hij zwoer Nasser ten val te zullen gaan brengen. Edens verbeten, en volgens veel historici niet geheel rationele, fixatie op de Egyptische president is wel verklaard uit zijn slechte psychische toestand. Hij was verslaafd geraakt aan amfetaminen en leed aan slaapgebrek.

Paniek in IsraëlBewerken

In Israël maakten de geheime diensten en het leger zich eerst niet zo druk over de wapenverkoop. Ze dachten dat het Egyptische leger door een gebrekkige training nooit een serieuze bedreiging kon vormen, hoeveel materieel het ook aanschafte. Al snel echter nam de pers de Britse alarmistische berichtgeving over. Daarop begon ook de politiek tegen Nasser te ageren. Midden jaren vijftig was onder de bevolking door twee conflictpunten een anti-Egyptische stemming ontstaan. Het eerste was de kwestie van de zogenaamde fedayeen. Nadat in 1949 een wapenstilstand gesloten was, achtte de verdreven Arabische bevolking zich daaraan niet gehouden. Arabieren bleven de nieuwe grens oversteken om achtergelaten bezittingen op te halen, hun oude land te bewerken of de oogst daarvan te roven als het door Israëliërs in gebruik genomen was. Soms vestigde men zich weer in Israël, deed alsof men nooit vertrokken was en vroeg de Israëlische nationaliteit aan, die het recht gaf op gezinshereniging. In 1952 waren zestienduizend gevallen van zulke "infiltraties" ontdekt, geleidelijk teruglopend naar 4351 in 1955. Om dit te ontmoedigen schoot de Israëlische grenspolitie eenieder neer die poogde clandestien de grens te overschrijden.[4] Dat leidde weer tot represailles waarbij gewapende mannen Israëlische grenswachten en burgers doodschoten. Ze werden fedayeen, "opofferingsstrijders", genoemd omdat ze bij zulke acties typisch omkwamen. Tussen 1949 en 1956 vielen aan alle grenzen 486 Israëlische doden.[4] Na ernstige incidenten stak de IDF de grens over voor gewelddadige strafexpedities, waarvoor speciale eenheden werden opgericht.

 
De kans voor fedayeen hun acties te overleven, was gering

Vooral bij de Gazastrook, waar Egypte formeel een Palestijnse regering erkende, was de situatie flink uit de hand gelopen. Toen een man bij Rehovot van zijn fiets was geschoten en op het lijk van een van de daders een pas van de Egyptische geheime dienst werd aangetroffen, viel de 202e Brigade onder luitenant-kolonel Ariel Sjaron op 28 februari 1955 het Egyptische hoofdwartier van Gaza aan en doodde achtendertig Egyptische militairen. Na een poging irrigatiekanalen onklaar te maken, verwoeste men op 31 augustus 1955 het politiefort van Chan Joenis, met tweeënzeventig Egyptische doden ten gevolg.[5] Nasser voelde zich niet geroepen de grens effectief af te sluiten en de Israëliërs namen hem zeer kwalijk dat hij niets deed de activiteiten in te perken van wat ze zagen als een door Egypte aangestuurde terreurorganisatie.

 
De doorvaart door de Golf van Akaba was veertien jaar lang een groot strijdpunt tussen Egypte en Israël

Een ander vraagstuk was de status van Eilat. Begin 1949 had Israël apart met de Arabische landen een aantal wapenstilstandsovereenkomsten gesloten. Toen Egypte tekende, ging het ervan uit dat de zuidelijke Negev onder Jordaanse controle zou blijven, zodat er een verbinding over land zou blijven bestaan met de oostelijke Arabische wereld. Daarna bezette Israël de zuidelijke Negev alsnog en sloot toen pas de overeenkomst met Jordanië met welk land het daarover een geheime regeling getroffen had. Aan de kust van de Golf van Akaba stonden toen niet meer dan een paar hutten. Israël legde er een havenstad aan om een zuidelijke handelsroute te openen. Het economisch belang van deze route was zeer gering maar Egypte en Israël maakten er een principepunt van. Het VN-Verdelingsplan van 1947 had de zuidelijke Negev aan een toekomstige Joodse staat toegedeeld maar Israël wilde zich daar niet simpelweg op beroepen. Het zag het plan niet als constitutief voor de eigen staat omdat men dan tot de grenzen van 1947 zou moeten terugkeren en grote veroverde gebieden weer opgeven. Het beschouwde de wapenstilstandslijnen van 1949 als voorlopige staatsgrens. Egypte wilde hetzelfde criterium toepassend alleen de lijnen erkennen zoals ze lagen toen zijn overeenkomst getekend werd, dus met de zuidelijke kust in Arabische hand. Dat was relevant omdat de toegang tot Golf van Akaba geheel bestreken werd door de territoriale wateren van Egypte en Saoedi-Arabië. Het internationaal zeerecht verplicht staten doorvaart door de eigen wateren toe te staan als dit de enige toegang vormt voor havens van andere landen maar volgens Egypte was deze regel niet van toepassing op Eilat. Israël vreesde dat als men op dit punt niet voet bij stuk hield, het Westen het gebied alsnog onder Jordaans gezag zou brengen.[6]

 
Dit stuk geschut sloot de Straat van Tiran af

Egypte begon de Straat van Tiran te blokkeren door een batterij artillerie op te stellen bij Sjarm-al-Sjeich. In 1953 hield men eerst een Deens schip tegen, in september een Grieks schip en op 1 januari 1954 een Italiaanse vrachtvaarder. Op 5 mei 1955 verklaarde Ben Goerion dat de blokkade een casus belli zou vormen, een Egyptische oorlogsdaad. Op 29 september dreigde hij in een interview met de New York Times dat als de blokkade niet binnen een jaar opgeheven was, Israël militair zou ingrijpen.

Zo'n ingrijpen zou er niet eenvoudiger op worden als Egypte zich sterk ging bewapenen. Nassers aankondiging leidde in oktober 1955 uiteindelijk tot een collectieve paniek. De vrees achter te gaan lopen in de wapenwedloop werd zo groot dat groepen burgers, ondanks de al zeer hoge defensieuitgaven, spontaan geld begonnen in te zamelen voor de aankoop van een tank of een kanon. De aanschaf van zware wapens was voor Israël overigens niet eenvoudig. De Britten en Amerikanen stonden slechts een minimale verkoop toe van wapensystemen die als "agressief" werden gezien zoals vliegtuigen en pantservoertuigen.

Vijandschap met FrankrijkBewerken

Een uitzondering in het collectieve embargo was Frankrijk dat nooit van plan geweest was zich serieus aan de Tripartite Declaration te houden. Sinds 1953 waren Israël en Frankrijk steeds nauwere militaire banden aangegaan. Dat kwam omdat Nasser sinds 1952 de bevolking van Algerije door radiopropaganda opriep de heerschappij van de Franse bovenlaag omver te werpen. Toen een opstand in november 1954 leidde tot de bloedige Algerijnse Oorlog, wezen de Fransen hem aan als de hoofdschuldige, liever dan de oorzaak te zoeken in de structurele discriminatie en achterstelling die het gebied kenmerkte. Toen Nasser ook nog eens met schepen wapens naar de opstandelingen liet smokkelen en het Front de libération nationale toestond zijn hoofdkwartier in Caïro op re richten, raakten de Fransen vastbesloten om hem met alle mogelijke middelen ten val te brengen. Israël zagen ze als het ideale instrument om hun doel te bereiken. Men besloot dat land onbeperkt wapens te verschaffen. November 1954 reisde Sjimon Peres, toen de directeur-generaal van het Israëlische ministerie van defensie, naar Parijs, waar hij van Marie-Pierre Kœnig, de voormalige en toekomstige Franse minister van defensie, de toezegging kreeg van ruimere leveranties. In 1955 begonnen leveringen van straaljagers en tanks. Dit gold conventionele wapens. Op nucleair gebied waren Israël en Frankrijk al in 1949 een samenwerkingsverband aangegaan. Te Dimona in de Negev werd in 1958 met Franse hulp een kerncentrale aangelegd. In de jaren zestig zou dat uiteindelijk onder leiding van Peres leiden tot de fabricage van de eerste Israëlische atoombom.

April 1956 kreeg Peres in Parijs te horen dat Frankrijk zich niet meer aan de Tripartite Declaration gebonden achtte. Peres stelde daarop een spoedige aanval op Egypte in het vooruitzicht.

De AswandamBewerken

 
Nasser en Chroesjtsjov sluiten op 14 mei 1964 de eerste fase van de Aswandam

Nadat de Sovjet-Unie wapenleveringen aan Egypte was begonnen, zetten de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk Nasser onder druk om voor het Westen te kiezen. Nasser bleef echter bij zijn Arabisch-nationalistische en anti-imperialistische politiek en wilde vooral niets weten van de voormalige kolonisator Groot-Brittannië. In januari en februari 1956 bezocht de Amerikaanse gezant Robert Bernard Anderson Nasser tweemaal. Eisenhower wilde weten onder welke voorwaarden Egypte bereid was mee te werken aan een alomvattende vredesregeling in het Midden-Oosten. Nasser toonde zich vooral geïnteresseerd in Amerikaanse ontwikkelingshulp en wapens. Hij was echter niet genegen in ruil daarvoor met de Sovjet-Unie te breken die hij niet als een serieus gevaar zag voor de wereldvrede. Beide blokken moesten hun invloed in Egypte maar zien te vergroten door te wedijveren in hulp. Nasser stemde toe in een vredesregeling met, en dus een erkenning van, Israël. Hij zag een reële kans de Arabische wereld als geheel van de noodzaak daartoe te overtuigen. Maar dan moesten Palestijnse vluchtelingen wel het recht krijgen terug te keren en moest de zuidelijke Negev weer in Arabische hand komen, liefst als deel van Egypte zelf. Nasser achtte de kans gering dat Israël daarin zou toestemmen.

Op 16 mei 1956 erkende Nasser de Volksrepubliek China. Dat ervoeren de VS als een provocatie omdat die de nationalistische Republiek China als de enige wettige staatsvorm van China zagen. Als straf besloot Eisenhower op 19 juli 1956 de financiële steun aan de bouw van de grote stuwdam in de Nijl, de Hoge Aswandam, stop te zetten. Deze dam was voor de verdere ontwikkeling van een onafhankelijk Egypte van groot belang, omdat hiermee de waterstand van de Nijl kon worden gecontroleerd voor een betrouwbaarder irrigatie en daarmee landbouwproductie. Daarbij kon een waterkrachtcentrale dan grote hoeveelheden elektriciteit opwekken voor de gewenste industrialisering. Eisenhower dacht dat Nasser nu wel snel zou inbinden omdat de Sovjet-Unie niet bereid of zelf maar in staat zou zijn zo'n enorm project te financieren. Daarin vergiste hij zich echter deerlijk. De Sovjets boden al in juni een lening tegen lage rente met de tegenwaarde van een miljard dollar aan, ondersteunden met technische expertise de constructie en zouden het project begeleiden tot de voleinding in 1970.

Dat alles nam niet weg dat Nasser in 1956 om geld verlegen zat, vooral buitenlandse valuta. Het toerisme was in deze tijd nog onderontwikkeld. De betalingsbalans was negatief. Egypte produceerde nauwelijks goederen die in het buitenland aftrek vonden. Om technologie en voedsel te kunnen importeren, was men vaak gedwongen een deel van de toekomstige katoenoogst in onderpand te geven. Er was echter een onuitputtelijke bron van valuta voorhanden: de vaartgelden die schepen verschuldigd waren die door het Suezkanaal voeren.

Nationalisatie van de SuezkanaalmaatschappijBewerken

 
Eden, Mollet en Pineau bespreken de crisis in Londen

In een impulsieve beslissing maakte Nasser op 26 juli 1956 in een redevoering bekend de Frans-Britse maatschappij die het Suezkanaal exploiteerde, de Compagnie universelle du canal maritime de Suez, per direct te nationaliseren. De aandeelhouders zouden schadeloos worden gesteld tegen de dagwaarde van de aandelen — waarvan de sluitingskoers die dag een stuk lager lag. Ook blokkeerde hij meteen officieel de scheepvaart naar en van Israël door het kanaal. Het Griekse cementschip Pannegia was al op 25 mei aan de ketting gelegd wat in de relatie tot Israël wel als de casus belli wordt aangemerkt. De gijzeling kwam slechts zijdelings aan bod binnen de VN Veiligheidsraad.

Vaak wordt gesteld dat de hierop volgende aanval op Egypte door de nationalisatie uitgelokt was. Dat is echter een problematische voorstelling van zaken want het VK, Frankrijk en Israël hadden al besloten op korte termijn door een militaire interventie een regime change in Egypte af te dwingen. De nationalisatie bood hun een ideaal voorwendsel om een crisissituatie te scheppen die zo'n interventie leek te rechtvaardigen. Dat wil niet zeggen dat men niet oprecht verontwaardigd was over Nassers handelen. Eden, die zijn ergste nachtmerrie bewaarheid zag, was laaiend. Die woede werd gedeeld door het grootste deel van het Britse volk, de hele conservatieve partij en de rechtse pers. Zelfs de oppositie, zoals de Labour Party, drong aan op ingrijpen, zij het dan na een opdracht van de Veiligheidsraad. Men wees erop dat een actie die niet door de VS en de USSR gedoogd werd, geen blijvend resultaat zou hebben.

 
Robert Menzies

In Israël stelde Mosje Dajan voor de ontstane ophef uit te buiten door onmiddellijk toe te slaan. De IDF kon binnen enkele dagen klaar zijn voor een oorlog. Hij wilde de Sinaï bezetten en naar het kanaal oprukken. Ben-Goerion echter, achtte het raadzamer samen met de Fransen op te trekken. In Parijs was de woede niet minder dan in Londen. Premier Guy Mollet vergeleek Nasser met Hitler. Alleen de communisten waren tegen een militair ingrijpen. Op 29 juli zond het Franse kabinet admiraal Henry Michel Nomy, de chef-staf van de Franse marine, naar Londen om een gezamenlijk militair optreden te coördineren. Er werd op 11 augustus te Londen een Frans-Engelse expeditiemacht opgericht, onder bevel van luitenant-generaal Hugh Charles Stockwell en vice-admiraal Pierre Emile Marie Johannes Barjot. De Fransen hielden hun besprekingen met Israël voorlopig voor de Britten geheim. De expeditiemacht bestond eerst alleen op papier. Anders dan de IDF was men nog lang niet paraat voor een oorlog: er waren maanden aan planning en voorbereiding nodig. Het viel te verwachten dat de VS die tijd zouden gebruiken om via onderhandelingen tot een diplomatieke oplossing te komen. Aan zulke besprekingen wilden de Britten en Fransen wel meedoen maar niet te goeder trouw: hun waarde zag men alleen hierin dat een mislukking een extra excuus zou verschaffen voor oorlog.

Van 16 tot 23 augustus organiseerden de VS in Londen een conferentie van zeevarende landen, waaronder Nederland. De meerderheid daarvan ondersteunde een motie om het Suezkanaal onder internationale controle te brengen. Egypte liet weten alleen internationaal toezicht te willen toestaan zodat er geen oplossing bereikt werd. De meerderheid zond op 7 september een afvaardiging onder leiding van de Australische premier Robert Menzies naar Caïro in een poging Nasser alsnog te overtuigen. Menzies stelde voor dat men een conventie zou houden waarin Egyptes soevereiniteit over het kanaal ondubbelzinnig erkend werd. In ruil daarvoor moest het kanaal bestuurd gaan worden door een internationale rechtspersoon, die een vrije doorvaart moest garanderen en een eerlijke verdeling van de opbrengsten. Nasser antwoordde dat de soevereiniteit al vaststond; een internationaal bestuursorgaan zou daaraan alleen maar afbreuk doen. De verdeling was sinds juli al volmaakt eerlijk.

Hierop stelden de VS voor dat de landen van de conferentie maar zonder medewerking van Egypte een verbond zouden sluiten dat het kanaal beheerde. Daar hadden de Britten wel oren naar. Eden hield op 12 september een redevoering in het Lagerhuis waarin hij voorspiegelde dat dit verbond met miltaire middelen nakoming van zijn besluiten zou gaan afdwingen. Al snel maakte John Foster Dulles hem echter duidelijjk dat dit niet in de bedoeling lag. De Britse minister van financiën Harold Macmillan bezocht op 25 september Eisenhower en kreeg te horen dat de VS niet openlijk een aanval konden ondersteunen. Daaruit trokken hij en Eden de foute conclusie dat de Amerikanen stiekem hoopten op een eigenmachtig Brits optreden.

Israël en Frankrijk maakten zich minder illusies. Op 13 oktober 1956 legde de Israëlische ambassadeur Abba Eban in de Veiligheidsraad een verklaring af, waarin hij wees op het recht van vrije doorvaart, zoals vastgelegd in de Conventie van Constantinopel van 2 maart 1888 (geëffectueerd december 1888). De Fransen waren teleurgesteld over de Amerikaanse houding. Ze hadden een voorstel van de Sovjet-Unie verworpen om uit de NAVO te stappen in ruil voor een beëindiging van de Sovjetsteun aan de Algerijnen. Nu wilden ze beloond worden door Amerikaanse steun bij een aanval. Daarvan kon volgens de Amerikanen echter geen sprake zijn. Hun positie was dat het NAVO-bondgenootschap van toepassing is op het Noord-Atlantisch gebied, en dus niet op het Midden-Oosten.[7]

Aanvalsplannen tegen EgypteBewerken

Eerste Brits-Franse plannenBewerken

Juli 1956 beval Eden veldmaarschalk Gerald Walter Robert Templer, de Chief of the Imperial General Staff, een invasie van Egypte voor te bereiden. Hij had voor ogen dat de op Cyprus gelegerde 16th Independent Parachute Brigade Group snel een luchtlanding zou uitvoeren bij Port Said en van daaruit de kanaalzone zou bezetten. Templer gaf aan dat zo'n actie een te beperkte opzet had. De parachutisten waren slecht getraind. Beter was het heel Egypte onder de voet te lopen door de mariniers vanuit zee Port Said te laten veroveren en daar dan drie divisies naar toe te verschepen. Begin augustus werd dit uitgebreid met een plan om strategische bombardementen te laten uitvoeren door straalbommenwerpers. Die konden de Egyptische industrie en infrastructuur verwoesten waarna Nassers regime in elkaar zou storten. Uiteindelijk werd besloten de landing in Port Said toch door een luchtlanding van de 16th IPBG te ondersteunen.

Stockwell vond zelfs zo de aanval niet ruim genoeg. Door van één punt uit te werken, zou men het Egyptische leger de kans bieden zich tegen de invasiemacht te ontplooien. Daarbij lag Port Saïd geïsoleerd ten oosten van het kanaal en waren de verbindingen met de Nijldelta slecht. Stockwell stelde Operatie Hamilcar voor, een landing van tachtigduizend man, waaronder een Britse pantserdivisie, te Alexandrië. Die strijdmacht moest naar het zuidoosten oprukken en ten noorden van Caïro de hoofdmassa van het Egyptische leger omvattten voor een klassieke Vernichtungsslacht. Een probleem was dat de Britten op z'n best vijftigduizend man beschikbaar hadden. Men hoopte dat de Fransen de rest konden leveren. Dat was een belangrijk motief voor de vorming van een gezamenlijke staf op 11 augustus. Generaal Charles Keightley moest commandant worden van de invasiemacht, met Barjot als ondercommandant. Al snel bleek dat de Fransen geneigd waren "Hamilcar" als "Amilcar" te spellen. Om een gevaarlijke verwarring te voorkomen werd de naam van de operatie veranderd in Musketeer.

Eind augustus bleek dat de opbouw van een invasiemacht lang zou duren. Het was de vraag of men voor november klaar kon zijn, wanneer de weersomstandigheden voor luchtacties ongunstg zouden worden. Het langdurig samentrekken van troepen zou daarbij Egypte de gelegenheid bieden politieke steun te mobiliseren. Op voorstel van Barjot werd het plan daarom toch weer beperkt tot een landing in Port Said, tot grote ergernis van Keightley, die door Eden in het ongewisse werd gelaten wat nu precies het politieke doel was van de hele operatie. Het herziene plan kreeg de naam Operatie Musketeer Revise. Dit werd op 8 september door het Britse en Franse kabinet goedgekeurd. De operatie zou bestaan uit drie fasen. Fase I behelsde de vernietiging van de Egyptische luchtmacht door bombardementen op de vliegvelden. Fase II hield een campagne van tien dagen in waarin door strategische bombardementen de Egyptisch economie moest worden verwoest. Daarna zou Fase III volgen bestaande uit luchtlandingen en zeelandingen in de kanaalsector. Men liet in het midden wat er daarna moest gebeuren. Er was dus geen beluitvorming over een mogelijke verdere opmars of de toekomst van Nasser.

Frans-Israëlische plannenBewerken

Intussen hadden de Fransen geheime besprekingen gevoerd met Israël. Minister van defensie Maurice Bourgès-Maunoury vroeg op 7 augustus aan Ben Goerion of die bereid was Egypte aan te vallen, waarop hij een positief antwoord kreeg. Op 1 september deed het Franse kabinet een formeel verzoek aan het Israêlische kabinet met dezelfde strekking. Een van Israëls beste strategen, generaal Meir Amit, had kort tevoren als bevelhebber van het Zuidelijk Commando een verbeterd aanvalsplan tegen Egypte opgesteld. Nu werd hij herbenoemd in zijn oude functie van hoofd operaties van de generale staven en had in die hoedanigheid op 6 september een ontmoeting met Barjot om een gezamnelijke strategie vast te stellen. Uitgangspunt was daarbij dat de Britten zich wel eens helemaal uit de onderneming zouden kunnen terugtrekken. In dat geval wilde de Franse luchtmacht van Israëlisch grondgebied uit kunnen opereren. Er werd vast in het geheim een Frans eskadron straaljagers in Israël gestationeerd om daar de steden te beschermen tegen mogelijke Egyptische vergeldingsaanvallen. Op 30 september begonnen hierover formele besprekingen in Parijs, nog steeds zonder medeweten van de Britten die hadden aangegeven Israël buiten de actie te willen houden. Overeengekomen werd dat Israël de Sinaï zou veroveren, waarna Frankrijk de kanaalzone zou bezetten. De Israëlische actie kreeg de naam Operatie Kadesh, naar Kadesh Barnea, de verblijfplaats van de Israëlieten na de Uittocht uit Egypte. Pas op 5 oktober stelde generaal Maurice Challet de Britten van deze plannen op de hoogte.

Het Protocol van SèvresBewerken

Voor Eden begon de tijd te dringen. Conservatieve backbenchers drongen al maanden aan op actie. November naderde en de voorbereidingne vorderden maar moeizaam. Wilde de aanval zekerheid van slagen hebben, was een samenwerking met Israël onontkoombaar, ondanks zijn vrees hiermee de goede betrekkingen met Jordanië en Irak op het spel te zetten.

Nadat ingrijpen van de VN uitbleef, smeedde Israël een complot met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, vastgelegd in het Protocol van Sèvres, om het Nasser-regime omver te werpen en de nationalisering van het Suezkanaal ongedaan te maken.

Volgens dit geheime plan zou Israël op 29 oktober 1956 een oorlog in de Sinaïwoestijn starten. Daarna zouden Frankrijk en Engeland voor Egypte onaanvaardbare voorwaarden stellen voor een staakt-het-vuren binnen 12 uur en een "tijdelijke" bezetting van het Suezkanaal door de twee grootmachten. Israël zou zich slechts tot 10 mijl van het kanaal in de Sinaï hoeven terug te trekken. Op 31 oktober zouden Frankrijk en Engeland dan Egypte bombarderen, terwijl Israël de oostelijke Sinaï en eilanden in de Rode Zee zou innemen.

Tijdens het opstellen van het Protocol maakte Israël zijn bedoelingen kenbaar om zijn grondgebied uit te breiden door annexatie van Zuid-Libanon en de oostelijke Sinaï, de liquidatie van Jordanië en de overname van de soevereiniteit over de Westelijke Jordaanoever.[8][9]

De oorlogBewerken

Zoals de bedoeling was, ging Egypte niet akkoord met de eisen en Israël viel op 29 oktober volgens plan de Sinaï en de door Egypte bestuurde Gazastrook binnen. Op dat moment werd door het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk de oorlog verklaard aan Egypte.

Pogingen om een eind te maken aan de strijd mislukten doordat de Fransen en Britten binnen de Veiligheidsraad gebruikmaakten van hun veto om zo de oorlogvoering te kunnen voortzetten. Het bijzondere was in dit geval dat de Verenigde Staten de resoluties steunden die Israël, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk opriepen om de oorlogsvoering te staken. Hiermee kwam de VS tegenover drie belangrijke bondgenoten te staan. Ook zorgde dit ervoor dat de VS samen met de Sovjet-Unie tegenover Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk kwamen te staan; op diplomatiek vlak een unieke gebeurtenis. De leider van de Sovjet-Unie, Chroesjtsjov, stelde zelfs voor om samen met de VS Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk aan te vallen als zij zich niet terugtrokken. Zo ver wilden de Verenigde Staten echter niet gaan.

Vanaf 31 oktober werd Egypte, met name Port Said, gebombardeerd vanaf vijf vliegdekschepen en luchthavens op Cyprus en Malta. Nasser liet de veertig aanwezige schepen in het kanaal zinken, waardoor het geblokkeerd was. Op 5 november hadden de Europese aanvallers een aantal punten van het kanaal in handen, en Israël de zuidpunt van de Sinaï, Sharm el Sheikh. Militair gezien was de opzet dus geslaagd voor de aanvallers.

Einde van de oorlogBewerken

In ongeveer dezelfde periode speelde de Russische inval in Hongarije. De VS verweten de Sovjets zonder recht een land binnen te vallen en konden zodoende, op het wereldtoneel, dan ook anderzijds niet de Brits-Franse inval in Egypte goedkeuren. Dus dwong president Eisenhower de landen tot een staakt-het-vuren. Hierbij werd het Verenigd Koninkrijk ook onder druk gezet, door een Amerikaanse dreiging de koers van het Britse pond sterling te laten dalen door deze munt op grote schaal te verkopen. Inmiddels had de Sovjet-Unie de zijde van Egypte gekozen en eiste ook een staakt-het-vuren. Bovendien vonden de grotere landen in het Britse Rijk, namelijk Canada en Australië, dat het Commonwealth niet gebruikt mocht worden voor puur Britse belangen. Een staakt-het-vuren werd bereikt op 5 november, waarna zowel de Britse als Franse troepen een buffer vormden tussen Egypte enerzijds en Israël, dat grote stukken van Egypte bezet hield, anderzijds. Ruim twee weken later op 21 november trokken de westerse machten hun troepen terug.

De Canadese minister van Buitenlandse Zaken Lester B. Pearson kwam met het voorstel de machten te scheiden met troepen van de Verenigde Naties als buffer. Dit was de eerste keer dat de VN als vredeshandhaver optrad. Later kreeg Pearson de Nobelprijs voor de Vrede voor deze rol. De Franse en Britse 'buffertroepen' werden vervangen door de United Nations Emergency Force (UNEF). De troepen die zich rondom het kanaal bevonden werden als eerste vervangen. Hierna trok Israël zich, gedeeltelijk, terug uit de Sinaï, waarna ook daar troepen van de UNEF observatieposten inrichtten. De UNEF bevond zich overigens alleen op Egyptisch grondgebied, aangezien Israël de aanwezigheid van deze macht op zijn grondgebied afwees. De vrije doorvaart voor alle schepen leek gegarandeerd te zijn, maar met de instabiele situatie, ondanks de aanwezigheid van de UNEF, was de voedingsbodem gelegd voor een nieuw conflict.

Latere gevolgenBewerken

Het falen en het uitlekken van de geheime opzet leidden tot een deuk in het imago van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in de Arabische wereld. Hoewel de operatie militair een succes was, was deze diplomatiek gezien een nederlaag voor Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk: hun status als grootmacht werd ernstig geschaad doordat zij ogenschijnlijk niet zonder hulp van Israël konden opereren, en bovendien werden zij door de gehele Verenigde Naties, inclusief de VS, veroordeeld. Naast een verandering in de relaties met de VS, leden de Brits-Franse relaties er ook onder, want midden in de gevechten waren de Britten begonnen met terugtrekken, zonder hun Franse bondgenoten te waarschuwen. Nasser werd de grote held van het seculiere panarabisme. De relatie tussen de voormalige kolonisators en de landen van het Midden-Oosten raakte ernstig bekoeld. Hierdoor werd nog eens bevestigd dat de rol van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk als grootmachten op het wereldtoneel was uitgespeeld en de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie de dienst uitmaakten. De Britse minister-president Anthony Eden moest aftreden. In maart 1957 werden de troepen volledig teruggetrokken.

De Sovjet-Unie had, door Egypte te steunen, een bondgenoot gekregen in het Midden-Oosten. De hele regio raakte daardoor betrokken in de Koude oorlog. Dit bondgenootschap zou standhouden tot juli 1972, toen de Egyptische president Anwar Sadat plotseling met de Soviet-Unie brak en alle militaire adviseurs van dat land uitwees.

Belangrijkste personenBewerken

Zie ookBewerken

NotenBewerken

  1. De Suezcrisis is ook bekend als de Suezoorlog. In de Arabische wereld spreekt men over de tripartite-agressie. Andere gebruikte namen zijn de Suez-Sinaï-oorlog, de Arabisch-Israëlische oorlog van 1956, Operatie Kadesh en Operatie Musketeer.
  2. Israel Defense Forces: Military Casualties in Arab-Israeli Wars. Jewish Virtual Library
  3. Henry Kissinger, Diplomacy, (New York 1994), p. 523
  4. a b Bregman (2000), p. 32
  5. Bregman (2000), p. 33
  6. Bregman (2000), p. 37
  7. Uitspraak van Dulles op een persconferentie op 19 december 1956, in State Bulletin, vol. XXXVI, no. 915 (7 januari 1956), geciteerd in Henry Kissinger, Diplomacy (New York 1994), p. 545
  8. "Israel declares its intention to keep her forces for the purpose of permanent annexation of the entire area east of the El Arish-Abu Ageila, Nakhl-Sharm el-Sheikh, in order to maintain for the long term the freedom of navigation in the Straits of Eilat ..."
    The Protocol of Sèvres, 1956: Anatomy of a War Plot, vanaf par. The second day at Sèvres. Avi Shlaim, 1979. International Affairs. p. 509–530.
  9. "... Jordan must, therefore, be dismantled, the East Bank [of the Jordan River] should be annexed to Iraq, in return for an Iraqi commitment to settle the Palestinian refugees in the Arab states and to make peace with Israel, and the West Bank should be organized as an autonomous area, connected with Israel economically, while Israel manages its foreign and security affairs. The areas south of the Litany River must be torn out of Lebanese control and annexed to Israel. The Suez Canal area must be internationalized, and Israel must be allowed to control the sea entrances to the Gulf of Eilat. A precondition for any agreement is the overthrow of Nasser ..."
    Defending the Holy Land, p. 70–71. Zeev Maoz, 2009. The University of Michigan Press.

LiteratuurBewerken

  • Ahron Bregman, Israel's Wars, 1947-93, 2000, London, Routledge, ISBN 0415214688
  Zie de categorie Suez Crisis van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.