Hoofdmenu openen
Afbeelding van een rechthoekige driehoek ter illustratie van de stelling van Pythagoras

De stelling van Pythagoras is een wiskundige stelling die haar naam dankt aan de Griekse wiskundige Pythagoras. 'Zijn' stelling was overigens alleen maar nieuw voor de Grieken. In Soemer was het resultaat al veel langer bekend en ook in Babylonië en het oude Egypte werd ze al eerder toegepast. In het bijzonder werd de verhouding al vroeg gebruikt om rechte hoeken uit te meten, zoals dat tot op de dag van vandaag door sommigen nog wordt gedaan. Naast kennis van de stelling om haar toe te kunnen passen, is ook het leveren van een bewijs belangrijk. Wat dat betreft waren de Grieken (Pythagoras of een van zijn leerlingen) wel de eersten. Zij wisten niet alleen dat de stelling waar was, maar konden ook in algemene termen (abstracties) aantonen waarom zij waar was.

Stelling

De stelling van Pythagoras geeft een verband tussen de lengten van de zijden van een rechthoekige driehoek. In woorden luidt de stelling:

In een rechthoekige driehoek is de som van de kwadraten van de lengtes van de rechthoekszijden gelijk aan het kwadraat van de lengte van de schuine zijde.

Noemt men de lengten van rechthoekszijden (de zijden die aan de hoek van 90° liggen)   en  , en de lengte van de schuine zijde (de zijde die niet aan de rechte hoek grenst, ook wel "hypotenusa" genoemd)  , dan is de bekende wiskundige vorm van de stelling:

 

(Dit is Propositie I.47 uit de Elementen van Euclides)

De stelling van Pythagoras is equivalent met het parallellenpostulaat. Daarom geldt de stelling van Pythagoras niet in niet-euclidische meetkunde.[1]

Voorbeeld

Een rechthoekige driehoek heeft rechthoekszijden met lengten   en  . Volgens de stelling van Pythagoras geldt dan voor de lengte   van de schuine zijde:

 

Omdat de lengte   niet negatief kan zijn, is

 

Als van dezelfde driehoek de lengten   en   gegeven zijn, volgt de lengte   van de overgebleven zijde uit:

 

Omdat de lengte   niet negatief kan zijn, is

 

Bewijzen

Er bestaan meer dan 350 bewijzen voor de stelling van Pythagoras. Onder deze bewijzen zijn er die zijn ontdekt of mogelijk herontdekt door prominenten, zoals James Garfield, de 20e president van de Verenigde Staten, en Multatuli.

Bewijs met opdelen vierkant

 
Bewijs

Een van de meer eenvoudige bewijzen deelt een vierkant met zijde   op twee manieren in. In de linkerfiguur is het vierkant opgebouwd uit een vierkant met zijde  , een vierkant met zijde  , en 4 rechthoekige driehoeken. De rechterfiguur is een vierkant opgebouwd uit een vierkant met zijde   en dezelfde 4 rechthoekige driehoeken.

Beide figuren tonen een vierkant met zijde  , dus beide vierkanten hebben dezelfde oppervlakte. Laat men nu zowel links als rechts de vier rechthoekige driehoeken weg, dan hebben de figuren die overblijven ook dezelfde oppervlakte. Links blijven een vierkant met zijde   en een vierkant met zijde   over, met een gezamenlijke oppervlakte van  . Rechts resteert een vierkant[2] met zijde  . Het vierkant met zijde   heeft een oppervlakte van  . Hiermee is de stelling bewezen.

Voor mensen die van meer algebraïsche bewijzen houden, ziet het bewijs er als volgt uit: Telkens zijn er een korte en een lange zijde in elkaars verlengde geplaatst. De lengte en breedte van de zijden van het vierkant zijn beide  , dus de oppervlakte van het grote vierkant is  .

De oppervlakte is ook gelijk aan de som van de vier driehoeken   plus de oppervlakte van het binnenste vierkant, dat oppervlakte   heeft. Dus

 

Uitwerken van het kwadraat links geeft:

 ,

dus:

 

Bewijs met gelijkvormigheid

Een ander inzichtelijk bewijs maakt gebruik van een hulplijn. Hiertoe dient de hoogtelijn vanuit de rechte hoek  , die zijde   snijdt in het punt  .

Het is nu snel in te zien dat driehoek   gelijkvormig is aan driehoek  . Immers, de hoeken bij   zijn dezelfde, en beide driehoeken hebben ook een rechte hoek, bij   resp.  .

Op dezelfde manier blijkt dat driehoek   gelijkvormig is aan driehoek  . Er zijn dus drie gelijkvormige driehoeken. Wordt gekeken naar de verhoudingen van de lengtes van de zijden van de driehoeken, dan ziet men dat die gelijk zijn aan  , precies de schuine zijden van de drie driehoeken. Dat betekent dat de oppervlaktes van de driehoeken zich verhouden als  , de kwadraten van de verhoudingen van de zijden. Omdat duidelijk is dat  , geldt kennelijk voor een bepaald getal   dat  . De stelling van Pythagoras volgt door deling door  .

Bewijzen zonder woorden

Hoewel geen formeel bewijs, is het bewijs zonder woorden een populaire manier om de geldigheid van een stelling te visualiseren zonder daarbij tekst te gebruiken. Ook van de stelling van Pythagoras zijn diverse bewijzen zonder woorden bekend, met name zogenaamde puzzelstukjesbewijzen. Enkele voorbeelden staan hieronder.

Omkering

De omkering van de stelling van Pythagoras is ook waar. Als voor een driehoek met zijden   en   geldt:

 

dan is die driehoek rechthoekig, met de hoek die tegenover de zijde   en ligt de rechte hoek.

Als geldt dat  , is de hoek die niet aan   ligt, scherp. Als  , is die hoek stomp. Dit volgt meer precies uit de cosinusregel, die geldt als een uitbreiding van de stelling van Pythagoras voor alle driehoeken.

 ,

waarin   de hoek bij hoekpunt   is. De stelling van Pythagoras is een bijzonder geval van de cosinusregel, voor het geval  .

Pythagorese drietallen

  Zie Pythagorese drietallen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De kleinste positieve gehele getallen die aan relatie van de stelling van Pythagoras voldoen zijn 3,4,5, immers 3² + 4² = 5². Zo'n drietal heet een pythagorees drietal, evenals elk drietal dat aan de stelling voldoet.

Goniometrische grondformule

Uit de stelling van Pythagoras volgt eveneens de grondformule van de goniometrie. Voor een rechthoekige driehoek met schuine zijde gelijk aan 1 geldt namelijk:

 

Euclidische afstand

 
Door herhaling van de stelling van Pythagoras in driehoek   en vervolgens driehoek   vindt men dat de lichaamsdiagonaal   een lengte heeft die de wortel is uit de som van de kwadraten van de drie ribben   en  .

De afstandsformule in het cartesisch coördinatenstelsel is van de stelling van Pythagoras afgeleid. De euclidische afstand tussen de punten   en   wordt gegeven door

 

Wordt gekeken in  -dimensionale cartesische coördinaten, dan is de afstand van   tot   gedefinieerd door

 

Deze algemene formule kan men afleiden door herhaling van de afstandsformule in 2 dimensies.

Dit kan men zich voorstellen door in drie dimensies te kijken naar een balk (zie figuur hiernaast). De ribben in de drie verschillende richtingen horen bij de verschillen van de  -,  - en  -coördinaten. Men vindt nu de lengte van de lichaamsdiagonaal   door eerst te zien dat   (driehoek ABC is recht) en vervolgens dat   (ook driehoek ACD is recht). Samen levert dit  .

Zie ook

Externe link