Hoofdmenu openen

Steenkoolmijn van Winterslag

kolenmijn in Limburg, België

GeschiedenisBewerken

 
De vroegere steenkoolmijn van Winterslag
 
De oudste schachtbok
 
De driepotige schachtbok uit 1963, ter vervanging van een exemplaar uit 1915
 
De terril

Op 3 november 1906 werd een concessie voor ontginning van steenkool verleend met de concessienaam "Genck-Sutendael".
Na de ontdekking van in de Limburgse Kempen in 1901 vroegen verschillende industriële groepen een concessie voor de ontginning aan en werden er 8 concessies toegekend.
De Concessie Genck-Sutendael was 3800 hectare groot. Na een aantal wijzigingen werd in 1912 de maatschappij Société anonyme Charbonnages de Winterslag opgericht voor de uitbating van 960 ha van de deelconcessie 'Winterslag'. Belangrijkste aandeelhouders waren 'Charbonnages de Ressaix, een mijngroep uit het Bassin du Centre in Henegouwen, van eigenaar Evence Coppée, (ook bouwer van cokesovens) en de Franse groep Schneider.

Deze Kempense mijnzetel was gevestigd in wijk Winterslag van de Belgische gemeente Genk.
De afdieping van de schachten voor de exploitatie verliep voorspoedig, zonder de problemen met drijfzandhoudende lagen waarmee de andere mijnen af te rekenen kregen. Op 28 juli 1914 kon men, net voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, de eerste brok steenkool uit schacht 1 bovenhalen. Onder de Duitse bezetting kon men minder of meer verder gaan met de uitbouw van de mijn. In 1917 kon Winterslag, als eerste van de mijnen van het Kempens Bekken, in productie kon gaan.

Op de mijnsite staan nog steeds een aantal gebouwen die verwijzen naar het mijnverleden met onder meer de oudste en de meest recent gebouwde schachtbok in Limburg.

De mijn haalde in 1967 nog een jaarproductie van 1.635.514 ton. De totale mijnproductie bedroeg 66.593.000 ton. In 1953 was de tewerkstelling maximaal met 6250 mijnwerkers. De ondergrondse verdiepingen lagen op 600, 660, 735 en 850 m.

Op 31 maart 1988 sloot de steenkoolmijn definitief.[1]

De mijnterril, 163 m hoog, werd omgevormd tot wandelgebied.

Het imago van de mijnBewerken

Winterslag had een slechte reputatie op het gebied van veiligheid. Het treinvervoer (berlines die door lieren opgetrokken werden) maakte veel slachtoffers. Door de inspanningen van directeur-gerant Alexandere Dufrasne groeide Winterslag na de Tweede Wereldoorlog uit tot een van de veiligste mijnen. De tuinwijk, aangelegd door architect Adrien Blomme, naar zijn plan uit 1912, werd al snel in heel België bekend.

Winterslag als dorp en parochieBewerken

Bij de uitbouw van de woonwijken voor de mijnwerkers werden de mijnen door de overheid verplicht om ook gemeenschapsvoorzieningen te voorzien en het paste in de paternalistische opvatting van de mijnen om voor het welzijn van de mijnwerkers in te staan. De mijn zorgde voor scholen, ziekenhuis en sportvoorzieningen. Ook de geestelijke zorg paste in de patronale visie. In de Winterslag werd in 1923-1925 de Heilig-Hartkerk van architect Adrien Blomme opgetrokken in natuursteen. Zoals andere grote kerken bij mijnzetels werd die kerk ook Mijnkathedraal genoemd.

Nieuwe toekomstBewerken

C-Mine is een project dat op de terreinen van de mijn werd opgestart.