Stadhoudersbrief

vermeende brief die door Prins Bernhard aan Adolf Hitler zou zijn geschreven

De stadhoudersbrief is een vermeende brief die door prins Bernhard op 24 april 1942 aan de Duitse leider Adolf Hitler zou zijn geschreven. In die brief zou hij Hitler een voorstel hebben gedaan waarbij Bernhard als stadhouder van Hitler in Nederland zou hebben willen optreden indien de Duitsers, in overleg met de Engelsen, de directe bezetting van Nederland zouden opgeven. Dat was een serieuze optie in die fase van de Tweede Wereldoorlog en in die optie zou de eventuele actie van de prins passen.

Gerard Aalders, historicus bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, heeft in een boek over de dubbelspionne Leonie Brand-Pütz geprobeerd het bestaan van de brief te bewijzen. In het boek verwoordt hij geruchten dat oorlogsmisdadiger Pieter Menten lange tijd vervolging heeft kunnen ontlopen omdat deze de stadhoudersbrief in handen had.[1] Hiervoor kan Aalders echter geen bewijzen aandragen, behalve een 'bron' waarvan hij de identiteit niet kan openbaren. Toen in de jaren zeventig de affaire rond Menten opspeelde, is door verschillende media onderzoek gedaan naar het bestaan van de brief. Niemand heeft toen de brief boven water weten te krijgen.

De journalist Ton Biesemaat bracht in 2007 het boek "Bernhard Gate" uit met nieuwe verhalen over diezelfde 'Stadhoudersbrief'. In dat boek onthult hij onder meer dat Jan Heitink, een Nederlandse agent van de Franse inlichtingendienst, volgens eigen zeggen de stadhoudersbrief onder ogen heeft gehad toen hij in 1981 een bezoek bracht aan het hoofdkwartier van de dienst. Destijds was hij adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf. Onder zijn bewind verschenen in 1978 van de hand van redacteur Henk de Mari de eerste berichten over het bestaan van de stadhoudersbrief in de Telegraaf. De brief zou niet groter dan een A5-je zijn - een kattebelletje - met het logo van de prins er op voorgedrukt. Daarnaast heeft Heitink volgens zijn verklaringen zelf ook een kopie van de brief in zijn bezit gehad. Die is echter nooit gevonden. Jeanette Kamphorst, een oud-verzetsstrijdster, in de illegaliteit bekend onder de bijnaam "de Zwarte Panter", beweerde een origineel van die brief te hebben, maar ze weigerde hem te laten zien. Volgens haar hadden twee vrienden in Holland een kopie. Zelf woonde ze toen op Mallorca.[2]

Heitink heeft zijn ervaringen met de stadhoudersbrief in twee schriftelijke verklaringen vastgelegd, gedateerd op 2 juni 2003 en 4 maart 2004. Beide documenten zouden momenteel[wanneer?] in het bezit van Ton Biesemaat zijn.[bron?] Deze documenten hebben nog een opmerkelijke 'uitsmijter'. In 1982 zou Jan Heitink zijn gebeld door een bevriende relatie van de CIA die hem vertelde dat de "Holland-papers in our archives will be free on the 17th of March, 2008, provided Juliana and Bernhard will be dead then for 3 years, otherwise it will last [sic] a little." Die datum is echter verstreken zonder dat de CIA iets van dien aard openbaar heeft gemaakt.

Prins Bernhard zelf heeft het bestaan van de brief altijd ontkend en afgedaan als onzin. In een brief in de Volkskrant (februari 2004) heeft hij één miljoen euro uitgeloofd voor diegene die de brief boven water zou krijgen. Tot op heden[wanneer?] is er geen bewijs dat de stadhoudersbrief ooit werkelijk heeft bestaan.

LiteratuurBewerken

Externe linksBewerken

  • Suzanne Loohuis, Pütz, Gertrud Franziska, in Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland.
  • Gerard Aalders, Niets was wat het leek, Prins Bernhard, 2014, pp. 203-204, ISBN 9789461055293