Barrièretraktaat: verschil tussen versies

1 byte toegevoegd ,  14 jaar geleden
k
geen bewerkingssamenvatting
k
Het '''Barrièreverdrag''' of '''Barrièretractaat''' was een clausule bij de [[vrede van Rijswijk]], die de [[Negenjarige Oorlog]] afsloot, waarbij de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden]] het recht kreeg om garnizoenen te legeren in een achttalacht steden in de [[Spaanse Nederlanden]].
 
In de voorgaande oorlogen, de [[Hollandse Oorlog]] van 1672-1678, en de [[Negenjarige Oorlog]] van 1688-1697, was gebleken dat de [[Spanje|Spanjaarden]] niet meer in staat waren om op eigen kracht de [[Zuidelijke Nederlanden]] tegen [[Frankrijk]] te verdedigen. Deze verdediging was grotendeels voor rekening van de Republiek gekomen.
Daarom werd overeengekomen dat de Republiek 23 bataljons infanterie zou mogen legeren in de vestingen van [[Nieuwpoort (België)|Nieuwpoort]], [[Oostende]], [[Kortrijk]], [[Bergen (Henegouwen)]], [[Aat]], [[Charleroi]], [[Namen (stad)|Namen]] en [[Luxemburg (stad)|Luxemburg]].
 
Deze garnizoenen zouden onder Nederlandse officieren staan, maar de kosten ervan zouden voor 60 % worden opgebracht door de Zuidelijke Nederlanden. Het was in feite een vooruitgeschoven verdedigingslinie van de Republiek.
 
De aanwezigheid van protestantse troepen werd door de katholieke inwoners van de betrokken steden maar matig op prijs gesteld.
 
Na de [[Spaanse Successieoorlog]] (1702-1715), toen de [[Spaanse Nederlanden]] aan [[aartshertogdom Oostenrijk|Oostenrijk]] kwamen, werd in de [[Vrede van Utrecht]] een '''nieuw barrièreverdrag''' opgenomen, waarbij het dit maal ging om de steden [[Namen (stad)|Namen]], [[Doornik]], [[Menen]], [[Komen-Waasten|Waasten]], [[Ieper]] en [[Veurne]] alsmede het fort van [[De Knocke]].
 
In de [[Oostenrijkse Successieoorlog|oorlog van 1745-1748]] bleek dat de vestingswerken van de betrokken steden sterk verwaarloosd waren, zodat de Fransen een aantal ervan gemakkelijk konden innemen. Na deze oorlog zegden de Oostenrijkers daarom de overeenkomst op.
 
==Bron==
Bron: Prof. dr. L. J. Rogier, ''Eenheid en scheiding'' (1952, 1968).