Gregoriaans ritme: verschil tussen versies

105 bytes toegevoegd ,  14 jaar geleden
geen bewerkingssamenvatting
Het gregoriaans wordt in de moderne liturgische boeken, waaronder het [[Graduale Romanum]], genoteerd op een [[notenbalk]] van vier lijnen. Omdat deze notenbalk van een ''do'' of ''fa sleutel'' is voorzien, valt de toonhoogte van iedere noot simpelweg na te gaan.
 
Worden de oudste notaties geraadpleegd, dan valt de toonhoogte niet zo eenvoudig af te leiden. Zowel in de notatie van ''[[St. Gallen (codex SG-359)|St. Gallen]]'' (Zwitserland) als in de notatie van ''[[Metz (codex L-239)|Metz]]'' (Noordoost Frankrijk) zijn de zogeheten [[neumenneume]]n - d.w.z. tekens voor een of meer noten - geschreven ''in campo aperto'' (in het open veld), d.w.z. zonder notenbalk.
 
De vroege notaties zijn echter onmisbaar als het om het oorspronkelijke ''ritme'' van het gregoriaans gaat.
Bij het woord [[ritme]] (maar zie hieronder) gaat het om duurverschillen tussen noten. Anders gezegd: het ritme heeft betrekking op de lengte van de verschillende noten.
 
===Een voorbeeld.===
In de notatie van St. Gallen vindt je op de plaats van een ''[[pes]]'', d.w.z. het teken voor een lagere noot gevolgd door een hogere, verschillende figuren, waaronder de ''[[pes rotundus]]'' en de ''[[pes quadratus]]''. Hoewel de melodiegang in beide gevallen gelijk is, is de ritmische betekenis verschillend. In het eerste geval gaat het (meestal) om twee korte noten, in het laatste om twee lange.
 
== Korte en Lange NotenNotenduur ==
Wat is nu kort en wat is lang? En hoe verhouden zich deze lengten tot elkaar?
In de literatuur over het oorspronkelijke ritme van het gregoriaans wordt de laatste vraag verschillend beantwoord.
Als we echter alleen de vraag stellen naar de mogelijkheid om korte van lange noten te onderscheiden, dan is het antwoord minder verschillend.
 
Op grond van onderzoek van de Franse monnik [[Dom Eugène Cardine]], is het bijvoorbeeld duidelijk dat de noten van het ''pes rotundus'' teken beide kort zijn (en niet de eerste kort en de tweede lang, zoals eerder ook wel verondersteld).
Toch moet gezegd dat zelfs Cardine's bespreking van de uiteenlopende schrijfwijzen van de verschillende tekens – naast de pes wordt ingegaan op de ''[[clivis]]'', de ''[[climacus]]'', de ''[[torculus]]'', de ''[[porrectus]]'', de ''[[scandicus]]'', enz., enz. – in die zin te wensen overlaat, dat onvoldoende duidelijk wordt waarom de kwalificaties 'kort' of 'lang' aan de individuele noten van een bepaald teken zijn toegekend.
 
Om de individuele noten bij al deze tekens met voldoende zekerheid als 'kort' of 'lang' te kunnen duiden, is in het onderzoek van Dr. van Kampen, uitgaande van een zeer groot aantal gregoriaanse gezangen, de daarbij voorkomende notatie van St. Gallen (codex SG-359) vergeleken met de bij deze gezangen aanwezige notatie van Metz (codex L-239).
Vaak (maar niet altijd) konden de interpretaties van Cardine overigens bevestigd worden.
 
== Semiologie en Mensuralismemensuralisme ==
Wat de verhouding betreft tussen 'kort' en 'lang', worden in de literatuur veelal twee opvattingen onderscheiden.
Volgens de tegenwoordig meest gangbare opvatting – in ons land onder meer verdedigd door Smits van Waesberghe – is er in feite geen vaste verhouding.
 
In de zogenaamde ''mensuralistische'' school (o.m. Murray, Vollaerts) wordt het flexibele duurkarakter ontkend, en kiest men dus voor een vaste duurverhouding, meestal de verhouding 1 : 2.
Middeleeuwse muziektraktaten uit met name de 10e en 11e eeuw – bijvoorbeeld de ''[[Commemoratio Brevis de Tonis et Psalmis Modulandis]]'' en de ''[[Scholia Enchiriadis]]'' (beide 10e eeuw) – lijken deze visie te steunen. Telkens en telkens weer wordt er op geattendeerd dat de monnik bij het zingen alle korte noten kort en alle lange noten lang moet uitvoeren, waarbij de lange noten precies twee maal zo lang moeten klinken als de korte.
 
In de strijd tussen beide opvattingen wordt door de aanhangers van de nuancetheorie doorgaans opgemerkt dat de middeleeuwse muziektraktaten het gregoriaanse ritme niet anders konden benaderen dan vanuit de ''antieke (Griekse) muziektheorie'', en dat de vaste verhoudingen in deze traktaten extra beklemtoond werden omdat God nu eenmaal alles geschapen had volgens vaste regels, maat en getal.
Zoals al aangegeven, een tekstlettergreep kan in het gregoriaans voorzien zijn van één of meer noten. Hoeveel noten ook bij een bepaalde lettergreep voorkomen, steeds wordt het totale aantal noten bij deze lettergreep een neum genoemd. Er zijn dus eentoonsneumen en meertoonsneumen.
 
In het laatste geval zouden bij een lettergreep bijvoorbeeld 12 noten kunnen voorkomen, zoals inderdaad het geval is bij de lettergreep 'ver' van het Latijnse woord 'u-ni-ver-si' in het graduale van de eerste zondag van de Advent. In de notatie van SG-359 zijn deze 12 noten geschreven als een ''[[scandicus subbipunctis]]'' (5 noten), gevolgd door een ''climacus'' van 3 noten, gevolgd door een ''[[torculus resupinus]]'' (4 noten). Ondanks deze complexe schrijfwijze blijft het hier gaan om slechts één enkele neum.
 
Bekijken we nu deze 12 noten nog wat verder, dan kunnen we uit de precieze schrijfwijze in SG-359 constateren dat sommige van deze noten kort zijn (bijvoorbeeld de derde en de zevende) en andere lang (bijvoorbeeld de tweede en de vijfde).
 
== Duurwaarden ==
In het onderzoek van Van Kampen zijn aan de individuele noten van vier (willekeurig gekozen) introïtusantifonen – ''[[Misereris omnium domine]]'', ''[[Rorate caeli desuper]]'', ''[[Puer natus est nobis]]'' en ''[[Nos autem gloriari oportet]]'' – verschillende duurwaarden toegekend.
Dit gebeurde op basis van verschillende uitgangspunten:
a. # Aan elke korte noot werd de vaste waarde 1 toegekend, en aan elke lange noot de vaste waarde 2.
b. # Naast de nootduurverhouding 1 : 2, zijn de waardetoekenningen ook gebaseerd op verschillende andere verhoudingen, oplopend van 1 : 1; via 1 : 1,2; 1 : 1,4; 1 : 1,6 enz. t/m 1 : 3. Ook hier gaat het dus telkens om vaste duurwaarden.
c. #Om nog enigszins recht te doen aan de (eigenlijk niet onderzoekbare) nuancetheorie, zijn flexibele duurwaarden ingevoerd op basis van de schrijfwijze (breedte) van de noten in het Graduale Lagal (Chris Hakkennes). In dit Graduale wordt van een soort kwadraatnotatie uitgegaan, waarbij de (veronderstelde) lengte van de noot grafisch wordt uitgedrukt in een bepaalde breedte van de noot.
De uitgangspunten a en b vertegenwoordigen hier het mensuralisme (meerdere versies), uitgangspunt c de nuancetheorie van Cardine.
 
Stel bijvoorbeeld dat de hierboven genoemde lettergreep met de neum van 5 noten deel uitmaakt van een tweelettergrepig woord, en dat de tweede lettergreep vertegenwoordigd wordt door 3 noten, 2 korte en 1 lange.
Uitgaande van de verhouding 1 : 2, is de nootduursom van bovengenoemde lettergreep 7. De tweede lettergreep heeft als nootduursom 2x1 + 1x2 = 4.
*De totale nootduursom van het woord is dan 7 + 4 = 11.
*De relatieve nootduursom van de eerste lettergreep is (7/11) x 100 = 63,6.
*De relatieve nootduursom van de tweede lettergreep is (4/11) x 100 = 36,4.
*Bij andere verhoudingen dan 1 : 2 nemen de relatieve nootduursommen uiteraard andere waarden aan.
*De relatieve nootduursom van een lettergreep noemen we hier RN.
 
== Tekst en Muziek ==
Anonieme gebruiker