Moby-Dick (boek): verschil tussen versies

4 bytes toegevoegd ,  4 maanden geleden
k
(Versie 60441493 van Nibelus (overleg) ongedaan gemaakt.)
Label: Ongedaan maken
===Samenvatting===
[[Bestand:Moby Dick p510 illustration.jpg|thumb|left|Illustratie uit een vroege editie van ''Moby-Dick'']]
In een decembermaand besluit Ishmael, een voormalige leraar, om zich aan te melden voor de walvisjacht. Hij reist van zijn woonplaats New York naar [[Nantucket]] in [[Massachusetts]]. In [[New Bedford (Massachusetts)|New Bedford]] logeert hij in de herberg De Walvis, waar hij noodgedwongen een bed deelt met een [[harpoen]]ier, een [[tatoeage|getatoeëerde]] [[Polynesië|Polynesische]] prins genaamd Queequeg, wiens vader de koning was van het eiland Rokovoko. Al snel worden de twee boezemvrienden. De volgende ochtend gaat Ishmael ter kerke en hoort hij Vader Mapple preken over [[Jona (profeet)|Jona]]. Op maandag arriveren de twee te Nantucket, waar ze verblijven in logement De Traanpotten. Dinsdag onderhandelt Ishmael met de eigenaren van de walvisvaarder ''Pequod'', Bildad en Peleg, om zich aan te melden voor de reis. Queequeg blijft op hun kamer om een [[ramadan]] te houden. Ishmael wenst de kapitein te zien, maar die is ziek. Peleg schetst een beeld van de kapitein, die [[Achab]] heet, "een kostelijke, goddeloze, goddelijke man”. Achab is onvergelijkbaar met anderen, “hij is Achab, jongen; en Achab, weet ge, was vanouds een gekroonde koning!” Op zijn laatste reis heeft een walvis zijn been ontnomen en sindsdien is Achab “verschrikkelijk humeurig en woest soms; maar dat gaat allemaal wel voorbij.” Hij mag dan geteisterd en beproefd zijn, “Achab heeft zijn menselijkheden!"
 
De volgende dag wordt ook Queequeg aangenomen. Op hun weg terug ontmoet het duo een in lompen gehulde oude ziener, Elia, die vraagt of er op de monsterrol, het formulier van aanmonsteren, nog iets over hun zielen stond. Mochten ze geen ziel hebben, dan is die van Achab groot genoeg om een tekort bij anderen op te vullen, gaat hij verder, waarna hij over “die ouwe donderaar” vertelt. Jaren geleden heeft Achab eens drie dagen en nachten voor lijk gelegen en was hij betrokken bij een dodelijk handgemeen met een Spanjaard voor een altaar te Santa, en heeft in een zilveren kalebas staan spugen. Het verlies van zijn been zou zijn voorzegd. Niemand weet van deze mysterieuze zaken. Dan begint Elia over hun aanstaande reis: “wat er te gebeuren staat, gebeurt toch; en dan nog, misschien blijft het wel uit ook. Hoe dan ook, alles staat al vast hoe het komen gaat.” Op Kerstochtend kijkt het duo toe hoe de voorraad voor een reis van drie à vier jaar aan boord wordt gebracht. Ook komen vier of vijf geheimzinnige figuren aan boord. Op een koude Kerstdag sturen Peleg en Bildad de ''Pequod'' de haven uit.
66.165

bewerkingen