Middelburg (Zeeland): verschil tussen versies

153 bytes toegevoegd ,  11 maanden geleden
In 1779 telde de stad nog ongeveer 25.000 inwoners, maar daarna zette het verval in. De zeeblokkade en het verlies van een aantal VOC- en WIC-bezittingen tijdens de [[Vierde Engels-Nederlandse Oorlog|Vierde Engelse Oorlog]] begin jaren 1780 zorgden voor economische neergang. In 1795 was Middelburg teruggezakt tot 20.146 inwoners en was daarmee de achtste stad van het land. De economische neergang werd nog versterkt tijdens de [[Franse Tijd in Nederland|Franse Tijd]]. De economische neergang van de [[Bataafse Republiek]] kwam in Zeeland het hardst aan van het hele land. Er was geen geld voor havenverbetering en de bevolking trok bij gebrek aan werk weg uit de stad. In 1807 was de bevolking met ruim een derde gedaald tot 16.000 inwoners. Direct na de Franse Tijd werd onder leiding van [[Willem I der Nederlanden|koning Willem I]] tussen 1815 en 1817 nog wel een nieuw havenkanaal gegraven naar het [[Veerse Gat]] ter vervanging van het verzande Kanaal van Welzinge naar de reeds ingepolderde delen bij Arnemuiden, maar dit leidde niet tot enige verbetering. Tussen 1817 en 1824 daalde de bevolking zelfs tot onder de 13.000, waarmee deze in ongeveer 50 jaar bijna gehalveerd werd. Dit had tot gevolg dat een kwart van alle huizen en ook veel beeldbepalende panden in de stad werden afgebroken.<ref name=":02" /> Zo verdwenen in 1823 de Waag (1526), in 1827 de gevangenis het [[Gravensteen (Middelburg)|Gravensteen]] (1449) en later in 1878 het Accijnshuis en in 1882 de Wisselbank. Een groot deel van de 19e eeuw bleef het economisch tij slecht. Een in 1838 opgerichte weverij in een van de voormalige WIC-pakhuizen ging in 1869 weer failliet. Ter [[werkverschaffing]] werden de stadswallen tussen 1841 en 1849 van een wandelroute voorzien en werd het Molenwater eerst deels gedempt in 1817 en vervolgens geheel tussen 1859 en 1864.<ref name=":1" />
 
[[Bestand:NIMH - 2011 - 0347 - Aerial photograph of Middelburg, The Netherlands - 1920 - 1940.jpg|thumb|Luchtfoto van Middelburg (periode 1920-1940).]]
In het laatste kwart van de 19e eeuw werd de infrastructuur rond de stad wat verbeterd in de hoop op hernieuwde economische groei. In 1873 kwam de nieuwe [[spoorlijn Roosendaal - Vlissingen]] gereed over de in 1871 aangelegde nieuwe [[Sloedam]], die Walcheren voortaan met het vasteland verbond. Ter vervanging van het nu geblokkeerde Sloe werd het havenkanaal uit 1817 in 1873 opgewaardeerd tot het [[Kanaal door Walcheren]] om de [[Oosterschelde]] weer met de [[Westerschelde]] te verbinden. Met de gereedkoming van dit kanaal werden ook de getijdenmolens en de oude haven overbodig. De haven werd tussen 1875 en 1876 omgezet naar het [[Prins Hendrikdok]], een droogdok dat echter weinig gebruikt werd en in 1930 alweer werd opgeheven. De handel zou echter niet weer aantrekken. Vlissingen had de positie als nijverheidsstad overgenomen en als perifere stad kon Middelburg qua handel nog steeds niet concurreren met de Hollandse steden. Wel wist de stad haar positie als bestuursstad en verzorgingscentrum voor Walcheren te versterken door de bouw van een rechtbank in 1838, een Rijkskweekschool in 1876 en een Christelijke Kweekschool in 1910. Eind 19e eeuw ontstond nog wel enige nijverheid met de vestiging van Houthandel Alberts in 1873, lampenvoetfabriek Vitrite Works in 1889 en een meelfabriek aan het kanaal in hetzelfde jaar. Deze industrie verdween later echter weer.<ref name=":1" /> Eind 19e eeuw werd in het natuurgebied [[Oranjezon]] een [[waterwinning|waterwinkanaal]] gegraven voor de stad.