Gebruiker:Jeroen N/Kladblok: verschil tussen versies

28.537 bytes verwijderd ,  2 jaar geleden
kGeen bewerkingssamenvatting
Label: Leeghalen
 
{{Infobox uitspraak Hooggerechtshof van de Verenigde Staten
| titel = Marbury v. Madison
| bepleit = 11 februari 1803
| datum = 24 februari 1803
| partijen = William Marbury [[Et alii|et al.]]{{refn|group=n|Andere verzoekers waren Dennis Ramsay, William Harper en Robert Townsend Hooe.<ref>Bloch 2001, p. 608-609 en daar aangehaalde literatuur.</ref>}} t. [[James Madison]], [[Lijst van Amerikaanse ministers van Buitenlandse Zaken|minister van Buitenlandse Zaken]] van de [[Verenigde Staten]] (niet verschenen<ref name="Alstyne1969-5">Van Alstyne 1969, p. 5.</ref>)
| pleidooien = https://www.oyez.org/cases/1789-1850/5us137
| vindplaats = {{Afkorting|5 [[United States Reports|U.S.]] 137 (1803)|Arrest gewezen in 1803, te vinden op pagina 137 en verder van volume 5 van de United States Reports.}}
| SCOTUS = 1801–1804
| oordeel = §&nbsp;13 van de Judiciary Act van 1789 is in strijd met de [[Grondwet van de Verenigde Staten|grondwet]], voor zover deze bepaling de oorspronkelijke rechtsmacht van het Hooggerechtshof uitbreidt.
| meerderheid = Marshall
| bijval meerderheid = Paterson, Chase en Washington{{refn|name=CushingMoore|group=n|William Cushing en Alfred Moore waren wegens ziekte niet in staat deel te nemen aan de behandeling en beraadslaging.}}
| toegepaste wetgeving = [[Artikel 1 van de grondwet van de Verenigde Staten|Art. I]] en III [[Grondwet van de Verenigde Staten|Grondwet]], §&nbsp;13 Judiciary Act van 1789
| achterhaald door =
| ongedaan gemaakt door =
| maakte ongedaan =
}}
 
'''''Marbury v. Madison''''', {{Afkorting|5 [[United States Reports|U.S.]] 137 (1803)|Arrest gewezen in 1803, te vinden op pagina 137 en verder van volume 5 van de United States Reports.}}, is een richtinggevende uitspraak uit 1803 van het [[Hooggerechtshof van de Verenigde Staten]], waarin het hof voor het eerst uitdrukkelijk de bevoegdheid omarmde om wetten aan de [[Grondwet van de Verenigde Staten|Amerikaanse grondwet]] te toetsen en een ''[[Act of Congress]]'' ongrondwettig verklaarde.
 
De achtergrond van de rechtszaak werd gevormd door de machtsstrijd die gevoerd werd tussen de [[Federalistische Partij|Federalisten]] van [[John Adams]] en de [[Democratisch-Republikeinse Partij|Democratisch-Republikeinen]] van [[Thomas Jefferson]]. Zakenman William Marbury verzocht het Hooggerechtshof om Jeffersons minister van Buitenlandse Zaken [[James Madison]] te bevelen hem de ambtsbrief te overhandigen waarmee hij te elfder ure door Adams tot rechter was benoemd. Het hof weigerde het gevraagde bevelschrift uit te vaardigen, omdat het van oordeel was dat de wet waarin het hof deze bevoegdheid gegeven was in strijd was met de grondwet en daarom nietig.
 
''Marbury v. Madison'' wordt traditioneel gezien als de uitspraak waarin het Hooggerechtshof zichzelf – en alle andere federale gerechten – de bevoegdheid toekende wetten te [[Toetsingsrecht|toetsen]] aan de [[Grondwet van de Verenigde Staten]] ('judicial review'). Volgens [[Historisch revisionisme|revisionisten]] genoot dit leerstuk echter reeds voor ''Marbury'' grote bekendheid en was het, hoewel nog nieuw en controversieel ten tijde van het opstellen van de grondwet, in de jaren 1790 ingeburgerd geraakt. Volgens hen is het belang van de uitspraak veeleer gelegen in de bevoegdheid die het Hooggerechtshof zich aanmat om opdrachten te geven aan de uitvoerende macht.
 
== Achtergrond ==
''Marbury v. Madison'' speelde zich af tegen de achtergrond van een politieke machtsstrijd tussen de [[Federalistische Partij]] van zittend president [[John Adams]] en de [[Democratisch-Republikeinse Partij]] van vicepresident [[Thomas Jefferson]], in de beginperiode van de Verenigde Staten. De Federalisten hadden in 1800 bij drie verkiezingen verloren van de Democratisch-Republikeinen, ten gevolge waarvan zij hun meerderheid in zowel het [[Huis van Afgevaardigden (Verenigde Staten)|Huis van Afgevaardigden]] als de [[Senaat (Verenigde Staten)|Senaat]] zouden kwijtraken, en Jefferson op 4 maart 1801 als [[Amerikaanse presidentsverkiezingen 1800|nieuwe president]] geïnstalleerd zou worden.<ref>Van Alstyne 1969, p. 3; McConnell 2009, p. 13.</ref>{{refn|group=n|Jefferson en zijn ''running mate'' Aaron Burr behaalden allebei 73 stemmen in het [[Kiescollege (Verenigde Staten)|Kiescollege]], hetgeen het volgens het toen geldende kiessysteem onmogelijk maakte te bepalen wie president en wie vicepresident moest worden. De knoop werd op 17 februari 1801 na 36 stemrondes door het (toen nog in meerderheid Federalistische) Huis van Afgevaardigden doorgehakt in het voordeel van Jefferson. Burr werd zijn vicepresident.<ref>Van Alstyne 1969, p. 6.</ref>}}
 
Om na de machtsoverdracht nog enige invloed te kunnen uitoefenen gingen de Federalisten er in de laatste maand van Adams' presidentschap toe over de rechterlijke macht te hervormen.<ref>Van Alstyne 1969, p. 3-4; McConnell 2009, p. 14-15; Viator 2003, p. 336-337.</ref> Op 13 februari 1801 bekrachtigde president Adams de Judiciary Act van 1801,{{refn|group=n|Act of February 13, 1801, ch. 4, 2 Stat. 89 (ingetrokken in 1802).}} ook wel bekend als de Circuit Courts Act.<ref name="Alstyne1969-4">Van Alstyne 1969, p. 4.</ref> Deze wet wijzigde de Judiciary Act van 1789,{{refn|group=n|Act of September 24, 1789, ch. 20, 1 Stat. 73.}} de wet waarbij de federale gerechten van de Verenigde Staten waren opgericht, en had als voornaamste doel de praktijk van 'circuit riding' af te schaffen. Volgens deze uit het Engelse rechtssysteem overgeleverde traditie waren rechters van het [[Hooggerechtshof van de Verenigde Staten|Federaal Hooggerechtshof]] verplicht rond te reizen ('to ride the circuit'), hetgeen betekende dat ze naar een bepaald district moesten afreizen om daar samen met lokale rechters recht te spreken. Tegen deze praktijk bestond bezwaar, niet alleen omdat het gezien werd als een logistieke nachtmerrie, maar ook omdat een rechter soms in hoger beroep moest beslissen op een zaak die hij eerder zelf 'riding circuit' had afgedaan.<ref>McConnell 2009, p. 15.</ref> De Circuit Courts Act creëerde in plaats daarvan zes nieuwe 'circuit courts', waarvoor zestien federale rechters benoemd moesten worden.<ref>Van Alstyne 1969, p. 6; McConnell 2009, p. 15.</ref>{{refn|group=n|'Circuit courts' waren federale rechtbanken op een niveau lager dan het Hooggerechtshof, maar hoger dan de 'district courts', vergelijkbaar met de huidige 'courts of appeal'.}} Ook bracht de wet het aantal leden van het Hooggerechtshof terug van zes naar vijf, een maatregel bedoeld om ervoor te zorgen dat Jefferson bij de eerste vacature geen nieuwe rechter zou kunnen benoemen.<ref>Nagle 2003, p. 324-325; Viator 2003, p. 338.</ref>
 
Deze laatste maatregel zou Adams bijna parten spelen, omdat [[Opperrechter van de Verenigde Staten|opperrechter]] [[Oliver Ellsworth]] in december 1800 om gezondheidsredenen was afgetreden en voormalig opperrechter [[John Jay]] de benoeming in zijn vacature had afgewezen. Zou Adams niet voor het aannemen van de nieuwe wet iemand in de vacature benoemen, dan zou juist deze positie komen te vervallen.<ref>Treanor 2009, p. 4-5.</ref> Bij gebrek aan voor de hand liggende kandidaten benoemde Adams zijn minister van Buitenlandse Zaken [[John Marshall (rechter)|John Marshall]] tot opperrechter, wiens benoeming na een week van protest op 27 januari 1801 door de Senaat werd bevestigd.<ref>Treanor 2009, p. 5; Nagle 2003, p. 320.</ref>{{refn|group=n|Federalisten waren niet blij met de nominatie, omdat ze vonden dat Marshall onvoldoende toegewijd was aan het federalisme zoals verdedigd door [[Alexander Hamilton]]. Democratisch-Republikeinen waren wel enthousiast, waardoor Marshall uiteindelijk unaniem bevestigd werd.<ref>Nagle 2003, p. 324.</ref>}} Twee weken later tekende Adams de District of Columbia Organic Act van 1801,{{refn|group=n|Act of February 27, 1801, ch. 15, 2 Stat. 103.}} die het [[Washington D.C.|District of Columbia]] onder de controle van de federale overheid bracht. Het District of Columbia werd opgedeeld in twee county's, Washington County en Alexandria County, en §&nbsp;11 van de wet bepaalde dat de president bevoegd was te benoemen tot rechters in deze county's 'such number of discreet persons ... as [he] shall from time to time think expedient, to continue in office five years'.<ref>Van Alstyne 1969, p. 4; Treanor 2009, p. 5-6.</ref>{{refn|group=n|Kortheidshalve wordt hier over rechters gesproken. Het ging in feite om de benoeming van zogeheten 'justices of the peace', die vooral belast waren met ordehandhaving en zowel uitvoerende, bestuurlijke, wetgevende als rechtsprekende taken hadden.<ref>McConnell 2009, p. 16.</ref><ref>Bloch 2001, p. 626, voetnoot 66.</ref>}} Op 2 maart 1801, twee dagen voor de machtsoverdracht, bevestigde de Senaat de zestien nieuwe 'circuit judges', bijna allemaal Federalisten,<ref name="Alstyne1969-4"/> en benoemde Adams 42 rechters in het District of Columbia, welke benoemingen nog de volgende dag door de Senaat werden goedgekeurd. Onder deze zogenaamde 'midnight judges' – zo genoemd omdat zij nog in de nacht voor de machtsoverdracht benoemd werden – bevond zich een prominent Federalistisch zakenman genaamd [[William Marbury]]. John Marshall, die op dat moment tegelijkertijd opperrechter en minister van Buitenlandse Zaken was, voorzag de aanstellingen van het [[Grootzegel van de Verenigde Staten]], maar wist ze niet allemaal op tijd voor de machtsoverdracht te bezorgen.<ref>McConnell 2009, p. 17.</ref> Marbury was onder de benoemden die zijn ambtsbrief niet had ontvangen. Jefferson instrueerde zijn waarnemend minister van Buitenlandse Zaken, [[Levi Lincoln sr.]], de onbezorgde brieven achter te houden.<ref>McConnell 2009, p. 18.</ref>
 
Marbury, vertegenwoordigd door Adams' voormalig minister van Justitie Charles Lee, stapte op 16 december 1801 in [[Eerste en enige instantie|eerste aanleg]] naar het Hooggerechtshof en verzocht om de uitvaardiging van een 'writ of ''mandamus''<nowiki/>', een bevelschrift waarmee [[James Madison]] – inmiddels minister van Buitenlandse Zaken – zou worden gedwongen zijn ambtsbrief alsnog aan hem te overhandigen en zo zijn benoeming tot rechter te effectueren.<ref>McConnell 2009, p. 20; Viator 2003, p. 340.</ref>{{refn|group=n|Het is onduidelijk waarom Marbury ervoor koos zijn zaak direct bij het Hooggerechtshof aanhangig te maken. Volgens Bloch 2001 had hij kunnen klagen bij het in 1801 ingestelde Circuit Court of the District of Columbia, en er is een goede kans dat hij daar succes zou hebben gehad. Ze speculeert dat het om een opzetje van John Marshall zou kunnen hebben gaan.<ref>Bloch 2001, p. 623-627. Zie ook Treanor 2009, p. 11.</ref>}} Het Hooggerechtshof [[Gerechtelijk bevel|beval]] Madison aan te tonen waarom een dergelijk bevelschrift niet zou moeten worden uitgevaardigd. De terechtzitting werd gepland voor augustus 1802, maar in de tussentijd had het (nu in meerderheid Democratisch-Republikeinse) Congres de Judiciary Act van 1801 ingetrokken, de rechters van het Hooggerechtshof 'on circuit' gestuurd en de zittingsperiode van augustus 1802 afgeschaft, zowel om de behandeling van Marbury's verzoek uit te stellen als uit vrees dat het Hooggerechtshof de intrekkingswet in strijd met de grondwet zou verklaren omdat hiermee in feite zestien voor het leven benoemde 'circuit judges' ontslagen werden zonder gebruik te maken van het middel van ''[[Afzetting (bestuur)|impeachment]]''.<ref name="Alstyne1969-5"/>{{refn|group=n|Onder de Judiciary Act van 1789 kende het Hooggerechtshof twee zittingsperiodes, een die begon op de eerste maandag van februari, en een die begon op de eerste maandag van augustus. De Judiciary Act van 1802 (Act of April 29, 1802, 2 Stat. 156) bracht dit terug naar één termijn, die begon op de eerste maandag van februari.<ref>Bloch 2001, p. 609, voetnoot 6.</ref> De grondwettigheid van deze intrekkingswet zou inderdaad betwist worden, maar werd door het Hooggerechtshof bevestigd in de uitspraak ''Stuart v. Laird'', 5 U.S. 299 (1803).<ref>Van Alstyne 1969, p. 5, voetnoot 9.</ref><ref>Bloch 2001, p. 615, voetnoot 28.</ref>}} Hierdoor kon de zaak pas in 1803 inhoudelijk behandeld worden. Madison verscheen overigens niet,<ref name="Alstyne1969-5"/> waarmee hij het Hooggerechtshof te kennen gaf zijn bevoegdheid om een minister opdrachten te geven niet te erkennen.<ref>McConnell 2009, p. 26; Treanor 2009, p. 20.</ref>
 
== Beoordeling door het Hooggerechtshof ==
Het Hooggerechtshof deed op 24 februari 1803 een unanieme uitspraak (4-0){{refn|name=CushingMoore|group=n}}, geschreven door opperrechter [[John Marshall (rechter)|John Marshall]]. Marshall structureerde de uitspraak rond drie vragen:
 
* Allereerst, heeft de verzoeker (Marbury) recht op de aanstelling die hij verlangt? ('Has the applicant a right to the commission he demands?')
* Ten tweede, als hij een recht heeft en dat recht is geschonden, verschaft de wet hem dan een [[rechtsmiddel]]? ('If he has a right, and that right has been violated, do the laws of his country afford him a remedy?')
* En ten derde, als de wet hem een rechtsmiddel verschaft, is dat dan in de vorm van de uitvaardiging van een ''mandamus'' door het Hooggerechtshof? ('If they do afford him a remedy, is it a mandamus issuing from this court?')
 
=== Marbury's aanstelling en de beschikbaarheid van een rechtsmiddel ===
De eerste twee vragen werden door Marshall bevestigend beantwoord. Hij overwoog allereerst dat de ondertekening van de ambtsbrief door de president en de daaropvolgende verzegeling ervan door de minister van Buitenlandse Zaken, voldoende waren om een recht op de aanstelling te creëren. De overhandiging van de brief aan de benoemde was daarvoor niet vereist.<ref>Van Alstyne 1969, p. 9; McConnell 2009, p. 20; Olken 2004, p. 416-417.</ref> Omdat de wet de ambtstermijn onvoorwaardelijk op vijf jaar stelde, was de aanstelling volgens Marshall bovendien niet herroepbaar.<ref>Van Alstyne 1969, p. 9-10.</ref>
 
<blockquote>Mr. Marbury, then, since his commission was signed by the President and sealed by the Secretary of State, was appointed, and as the law creating the office gave the officer a right to hold for five years independent of the Executive, the appointment was not revocable, but vested in the officer legal rights which are protected by the laws of his country.
 
To withhold the commission, therefore, is an act deemed by the Court not warranted by law, but violative of a vested legal right.</blockquote>
 
Voor het antwoord op de tweede vraag, of Marshall een [[rechtsmiddel]] ter beschikking stond om zijn recht te handhaven, greep Marshall terug op het ''[[common law]]''-adagium dat waar een recht bestaat, ook een rechtsmiddel is (''ubi ius, ibi remedium'').<ref>Van Alstyne 1969, p. 10-11; Viator 2003, p. 344.</ref> Dit zou volgens hem alleen anders zijn als de bezorging van de ambtsbrief niet een zuiver ambtelijke verplichting was, maar een politieke daad die niet vatbaar is voor toetsing door een rechter. Marshall overwoog echter dat de discretionaire, politieke bevoegdheid van de president om rechters te benoemen ophoudt met de ondertekening van de ambtsbrief – de bezorging ervan is een louter uitvoerende daad, en tegen de weigering om de ambtsbrief te bezorgen kan de benoemde in rechte opkomen.<ref>Olken 2004, p. 418-419; Treanor 2009, p. 22.</ref>
 
<blockquote>The very essence of civil liberty certainly consists in the right of every individual to claim the protection of the laws whenever he receives an injury.
 
...
 
[W]here the heads of departments are the political or confidential agents of the Executive, merely to execute the will of the President, or rather to act in cases in which the Executive possesses a constitutional or legal discretion, nothing can be more perfectly clear than that their acts are only politically examinable. But where a specific duty is assigned by law, and individual rights depend upon the performance of that duty, it seems equally clear that the individual who considers himself injured has a right to resort to the laws of his country for a remedy.</blockquote>
 
=== De geëigendheid van de ''mandamus'' ===
Nu Marshall had vastgesteld dat Marbury een recht had op zijn aanstelling en dat hem een rechtsmiddel toekwam, resteerde de vraag of het Hooggerechtshof Madison met een ''mandamus'' kon bevelen Marbury alsnog zijn ambtsbrief te overhandigen.<ref>Viator 2003, p. 344.</ref>
 
De uitvaardiging van een ''mandamus'' was volgens de ''[[common law]]'' alleen gepast wanneer andere effectieve rechtsmiddelen ontbraken, en bovendien alleen bedoeld om een persoon te dwingen tot het uitvoeren van een niet-discretionaire ambtelijke handeling die wordt voorgeschreven door de wet.<ref>Van Alstyne 1969, p. 13; McConnell 2009, p. 28-29.</ref> Marshall overwoog dat niet gekeken moet worden naar het ambt van de persoon aan wie het bevelschrift gericht is, maar naar de aard van de handeling die bevolen wordt, en maakte daarvoor weer onderscheid tussen recht en politiek.<ref>Olken 2004, p. 419.</ref> Nu de minister wat het overhandigen van de ambtsbrieven betreft niet is onderworpen aan de aanwijzingen van de president, en de president deze handeling niet rechtmatig kan verbieden, is uitvaardiging van een ''mandamus'' in deze omstandigheden geëigend.<ref>Treanor 2009, p. 22-23.</ref>
 
<blockquote>[W]here he is directed by law to do a certain act affecting the absolute rights of individuals, in the performance of which he is not placed under the particular direction of the President, and the performance of which the President cannot lawfully forbid (...) it is not perceived on what ground the Courts of the country are further excused from the duty of giving judgment that right to be done to an injured individual than if the same services were to be performed by a person not the head of a department.</blockquote>
 
=== De rechtsmacht van het hof ===
§&nbsp;13 van de Judiciary Act van 1789 gaf het Hooggerechtshof de bevoegdheid om een ''mandamus'' uit te vaardigen 'in gevallen bij of krachtens de wet bepaald, aan ieder gerecht of iedere ambtsbekleder onder het gezag van de Verenigde Staten'. Marshall stelde vast dat Madison als minister van Buitenlandse Zaken onder die beschrijving viel, en concludeerde dat het daarom alleen niet bevoegd zou zijn een ''mandamus'' uit te vaardigen als de Judiciary Act in strijd zou zijn met de [[Grondwet van de Verenigde Staten|grondwet]]. Artikel III van de grondwet regelt de rechtsmacht van het Hooggerechtshof. Afdeling 2, tweede paragraaf, bepaalt: 'In alle kwesties waarbij ambassadeurs, andere gezanten en consuls zijn betrokken, en in kwesties waarin een Staat partij zal zijn, zal het Hoog Gerechtshof in eerste aanleg bevoegd zijn. In alle andere voornoemde gevallen zal het Hoog Gerechtshof beroepsbevoegdheid hebben zowel in rechte als in feite, met die uitzonderingen en volgens die regels die het Congres zal opstellen.'{{refn|group=n|'In all Cases affecting Ambassadors, other public Ministers and Consuls, and those in which a State shall be Party, the supreme Court shall have original Jurisdiction. In all the other Cases before mentioned, the supreme Court shall have appellate Jurisdiction, both as to Law and Fact, with such Exceptions, and under such Regulations as the Congress shall make.'}}
 
Marshall las §&nbsp;13 van de Judiciary Act aldus dat deze bepaling het Hooggerechtshof de bevoegdheid gaf om in eerste aanleg een ''mandamus'' uit te vaardigen, en daarom een uitbreiding van de oorspronkelijke rechtsmacht vormde zoals die is neergelegd in artikel III van de grondwet. Volgens Marbury bood de grondwetsbepaling slechts een basis voor de wetgever waarop hij bij (gewone) wet kon voortbouwen, maar Marshall overwoog dat de grondwet bepaalde in welke gevallen het Hooggerechtshof oorspronkelijke rechtsmacht heeft, en dat de wetgever hier niet bij gewone wet van kan afwijken. §&nbsp;13 van de Judiciary Act was dus in strijd met de grondwet. Deze constatering leidde Marshall tot de vraag of de gegeven bevoegdheid desondanks kon worden uitgeoefend.
 
<blockquote>The authority, therefore, given to the Supreme Court by the act establishing the judicial courts of the United States to issue writs of mandamus to public officers appears not to be warranted by the Constitution, and it becomes necessary to inquire whether a jurisdiction so conferred can be exercised.</blockquote>
 
Marshall overwoog dat een wet die in strijd is met de grondwet noodzakelijkerwijs nietig is, omdat de grondwet het resultaat is van de uitoefening van het soevereine recht van het Amerikaanse volk om zijn regering te organiseren en deze beperkte bevoegdheden toe te kennen.<ref>Van Alstyne 1969, p. 16; Viator 2003, p. 348.</ref> Restte de vraag of een rechter een nietige wet toch moet toepassen.<ref name="Viator2003-350">Viator 2003, p. 350.</ref> Hier nu overwoog Marshall dat het nadrukkelijk het ambtsgebied en de plicht van de rechterlijke macht is om uit te spreken wat rechtens is ('It is emphatically the province and duty of the Judicial Department to say what the law is'). De essentie van de rechterlijke taakuitoefening is, aldus Marshall, om wanneer in een bepaald geval zowel de wet als de grondwet van toepassing is, en deze met elkaar in strijd zijn, te bepalen welk van de twee de zaak beheerst. Nu de grondwet hoger is dan een gewone wet, zal de rechter in zo'n geval de grondwet in acht moeten nemen en de gewone wet terzijde schuiven.<ref name="Viator2003-350"/>
 
Het verzoek werd daarom afgewezen.
 
== Nasleep ==
Hoewel nog ongeveer drie jaar van hun oorspronkelijke vijfjarige ambtstermijn resteerde, en het rechterschap weliswaar een relatief lage functie was maar een mogelijk opstapje naar een beter betaalde baan, koos geen van de verzoekers ervoor alsnog een bevelschrift te proberen verkrijgen bij het lagere Circuit Court of the District of Columbia, dat zo'n bevelschrift vrijwel zeker had uitgevaardigd (hoewel onzeker is of Madison hieraan gehoor zou hebben gegeven). Dit kan erop wijzen dat het hun niet zozeer om de aanstelling te doen was, maar dat zij zich slechts goede Federalisten toonden door Marshall een mogelijkheid te presenteren de slagkracht van de rechterlijke macht te vergroten.<ref>Bloch 2001, p. 626-627.</ref> Marbury werd uiteindelijk nooit rechter.
 
Na ''Marbury v. Madison'' verklaarde het Hooggerechtshof een aantal wetten afkomstig van [[Staten van de Verenigde Staten|deelstaten]] ongrondwettig, maar het was niet tot de zaak ''[[Dred Scott vs. Sandford|Dred Scott v. Sandford]]'', 60 U.S. 393 (1857), 54 jaar later, dat het opnieuw een ''Act of Congress'' in strijd verklaarde met de grondwet.<ref>Van Alstyne 1969, p. 5; Viator 2003, p. 361.</ref>{{refn|group=n|In ''Dred Scott v. Sandford'' oordeelde het Hooggerechtshof dat het zogenaamde [[Missouri-compromis]], waarbij slavernij in het noorden van de [[Aankoop van Louisiana|'Louisiana Purchase']] verboden werd, in strijd was met het in het Vijfde Amendement geregelde recht op eigendom.}}
 
== Invloed ==
[[Bestand:Plaque of Marbury v. Madison at SCOTUS Building.JPG|thumb|right|300px|Een citaat uit ''Marbury v. Madison'' gegraveerd in de muur van het Federaal Hooggerechtshof. Het citaat luidt in het Nederlands: 'Het is nadrukkelijk het ambtsgebied en de plicht van de rechterlijke macht uit te spreken wat rechtens is.']]
''Marbury v. Madison'' is de geschiedenis ingegaan als de bron van [[Toetsingsrecht|constitutionele toetsing]] ('judicial review') in de Verenigde Staten.<ref>Treanor 2009, p. 1; Viator 2003, p. 329-330.</ref> Het was de eerste keer dat het Hooggerechtshof een ''Act of Congress'' ongrondwettig verklaarde en buiten toepassing liet.<ref>Van Alstyne 1969, p. 44-45; Treanor 2005 en daar aangehaalde literatuur.</ref>
 
[[Historisch revisionisme|Revisionisten]] bestrijden deze klassieke lezing van het arrest. Zij wijzen erop dat constitutionele toetsing reeds voor ''Marbury'' grote bekendheid genoot en, hoewel nog nieuw en controversieel in 1787, in de jaren 1790 ingeburgerd was geraakt.<ref>Klarman 2001, p. 1113-1115; Douglas 2003, p. 5-6; Treanor 2009, p. 17-19.</ref>{{refn|group=n|Van Alstyne 1969, p. 44 haalt onder andere Alpheus Mason 1962 aan: 'Before Marshall, the Court had not actually asserted the authority to declare acts of Congress unconstitutional. But it had entertained that right in several important cases, including ''Hayburn's Case'' (1792), ''Van Home's Lessee v. Dorrance'' (1795), and ''Hylton v. United States'' (1796).'<ref>Van Alstyne 1969, p. 44.</ref>}} Deelstaatrechters hadden het voor 1787 al uitgeoefend.<ref>Douglas 2003, p. 5-6.</ref> Waar rechters ''Marbury v. Madison'' als [[precedent]] aanhaalden, deden zij dit aanvankelijk dan ook niet om wat Marshall schreef over het toetsingsrecht, maar om onder meer wat daarin geschreven was over de oorspronkelijke rechtsmacht van het Hooggerechtshof en de bevoegdheid 'writs of ''mandamus''<nowiki/>' uit te vaardigen.<ref>Douglas 2003, p. 9-10.</ref> In ''Dred Scott v. Sandford'' werd ''Marbury'' niet genoemd. Pas aan het einde van de negentiende eeuw zou ''Marbury'' als precedent worden aangehaald ter rechtvaardiging van constitutionele toetsing.<ref>Wood 1999, p. 788-789.</ref>
 
Marshalls overweging dat het nadrukkelijk het ambtsgebied en de plicht van de rechterlijke macht is om uit te spreken wat rechtens is ('it is emphatically the province and duty of the judicial department to say what the law is'), is ook wel uitgelegd als de vaststelling van 'judicial supremacy': de idee dat de uitleg die de rechterlijke macht aan de grondwet geeft prevaleert boven de uitleg die de wetgevende en uitvoerende macht daaraan geven.<ref>White 2003, p. 1156; Viator 2003, p. 330, voetnoot 5.</ref> In de zaak ''Cooper v. Aaron'', 358 U.S. 1 (1958) haalde het Hooggerechtshof ''Marbury'' voor de eerste keer aan ter rechtvaardiging van deze doctrine. Op die lezing van de uitspraak bestaat de nodige kritiek.<ref>Viator 2003, p. 331, voetnoot 10; Douglas 2003, p. 44-45.</ref>
Het is ook wel betoogd dat ''Marbury v. Madison'' nog beperkter gelezen moet worden, namelijk als omarmende de bevoegdheid om ongrondwettige wetgeving terzijde te schuiven enkel en alleen voor zover deze ziet op de juridische taakuitoefening.<ref>Zie uitgebreid Viator 2003, p. 353-361.</ref>
 
== Externe links ==
{{Wikisource-en-klein|Marbury v. Madison/Opinion of the Court}}
* [http://genius.com/The-supreme-court-of-the-united-states-marbury-v-madison-annotated Marbury v. Madison], geannoteerde uitspraak op [[Genius.com]].
* [http://landmarkcases.c-span.org/Case/1/Marbury-V-Madison C-SPAN Landmark Cases: Marbury v. Madison].
 
== Verkort aangehaalde literatuur ==
{{Kolommen2
|Kolom1=
;Van Alstyne 1969
*W.W. Van Alstyne, 'A Critical Guide to Marbury v. Madison', ''Duke Law Journal'' 1 (1969). [[DOI:10.2307/1371456]]
;Bloch 2001
*S.L. Bloch, 'The ''Marbury'' Mystery. Why Did William Marbury Sue in the Supreme Court?', 18 ''Const. Comment.'' 607 (2001).
;Douglas 2003
*D.M. Douglas, 'The Rhetorical Uses of ''Marbury v. Madison'': The Emergence of a "Great Case"', 38 ''Wake Forest Law Review'' 375 (2003). [[DOI:10.2139/ssrn.392784]]
;Klarman 2001
*M.J. Klarman, 'How Great were the 'Great' Marshall Court Decisions?', 87 ''Virginia Law Review'' 1111 (2001). [[DOI:10.2139/ssrn.270081]]
;McConnell 2009
*M.W. McConnell, 'The Story of ''Marbury v. Madison'': Making Defeat Look Like Victory', in: M.C. Dorf (red.), ''Constitutional Law Stories'', New York: Thomson Reuters/Foundation Press 2009.
;Nagle 2003
*J.C. Nagle, 'The Lame Ducks of Marbury', 20 ''Const. Comment.'' 4 (2003), p. 317-342.
|Kolom2=
;Olken 2004
*S.R. Olken, 'The Ironies of Marbury v. Madison and John Marshall's Judicial Statesmanship', 37 ''J. Marshall L. Rev.'' 391 (2004).
;Treanor 2005
*W.M. Treanor, 'Judicial Review before Marbury', 58 ''Stanford Law Review'' (2005).
;Treanor 2009
*W.M. Treanor, 'Marbury v. Madison' in V. Jackson & J. Resnik (red.), ''Federal Courts Stories'', Saint Paul: Thomson/West 2009.
;Viator 2003
*J.E. Viator, 'Marbury and History: What Do We Really Know About What Really Happened?', 37 ''La Revue Juridique Themis'' 329 (2003).
;White 2003
*G.E. White, 'The Constitutional Journey of "Marbury v. Madison"', 89 ''Virginia Law Review'' 1463 (2003).
;Wood 1999
*G.S. Wood, 'The Origins of Judicial Review Revisited, or How the Marshall Court Made More out of Less', 56 ''Wash. & Lee L. Rev.'' 787 (1999).
}}
 
== Referenties ==
{{references|90%|3}}
 
== Noten ==
{{references|group=n|90%}}
 
[[:Categorie:Zaak van het Hooggerechtshof van de VS]]