Comparatief voordeel: verschil tussen versies

7 bytes verwijderd ,  9 maanden geleden
Taalpoets.
Labels: Bewerking via mobiel bewerking via mobiele app Bewerking in een toepassing voor Android
(Taalpoets.)
[[Bestand:Portrait of David Ricardo by Thomas Phillips.jpg|miniatuur|David Ricardo (1772-1823; portret Thomas Phillips, ca. 1821) stelde als eerste een volledige theorie van comparatief voordeel op.<ref>[[Robert Torrens]] (1780–1864) wordt soms als eerdere ontdekker genoemd. Voor het debat omtrent de ontdekking van de wet van comparatief voordeel, zie Ruffin 2002, Gehrke 2015.</ref>|alt=]]
'''Comparatief voordeel''' is het handelsvoordeel dat een staatland behaalt in een situatie van [[vrijhandel]], wanneer het een bepaald product relatief goedkoper kan produceren dan een handelspartner, zelfs wanneer één staatland alle verhandelbare producten voordeliger kan produceren dan dehet andere staatland.
 
De '''wet van comparatief voordeel''', ontdekt door [[David Ricardo]] (1772-1823),<ref>[[Robert Torrens]] (1780–1864) wordt soms als eerdere ontdekker genoemd. Voor het debat omtrent de ontdekking van de wet van comparatief voordeel, zie Ruffin 2002, Gehrke 2015.</ref> voorspelt dat vrijhandel altijdzowel een perfecte [[handelsbalans]] als [[volledige werkgelegenheid]] oplevert (geendoordat tekortbeide ofhandelspartners overschot),een zondercomparatief veranderingvoordeel inten opzichte van de [[werkgelegenheid]]ander hebben. Deze wet geldt als een van de meest elegante theoretische resultaten in de economie en is de grondslag onder veel argumenten voor vrijhandel, hoewel ze empirisch moeilijk te staven is.<ref name=":0">Costinot en Donaldson 2012.</ref> Het [[Heckscher-Ohlinmodel]] is eende twintigste-eeuwsevoornaamste wiskundige uitwerking van de theorie van comparatief voordeel.
 
== Absoluut voordeel ==
De theorie van comparatiefvrijhandel voordeelgaat moetterug gezien worden tegen de achtergrond vanop [[Adam Smith|Adam Smiths]]'s eerdere theorie van internationale economie, die echter het comparatief voordeel niet bevatte en met terugwerkende kracht de theorie van ''absoluut voordeel'' genoemd wordt. In Smiths model van internationale handel 'fuseren' economieën onder invloed van vrijhandel: ze vormen samen één grotere economie, waarin alle wetmatigheden van de ([[Klassieke economie|klassieke]]) economie werkzaam zijn. Uit Smith'sSmiths theorie volgt dat de handelsbalans op korte termijn zal uitslaan in het voordeel van het land dat goedkopere arbeid of een hogere productiviteit heeft. Op de langere termijn ontstaan gemiddelden: [[Mededinging|concurrentie]] op de gedeelde markt zorgt voor één regulerende winstvoet, één regulerend loon en dus één [[natuurlijke prijs]] voor elk goed in het gehele gebied dat de samengevoegde economie bestrijkt.
 
Ricardo verandert Smiths redenering door de grenzen niet helemaal open te laten: in plaats van handel tussen bedrijven in de verschillende landen, schetst hij een beeld waarin de landen zelf de handelende partijen zijn, terwijl de grenzen dicht blijven voor [[Kapitaalstroom|kapitaalstromen]] en arbeidsmigratie.
Een voornaam theoretisch bezwaar is gericht tegen Ricardo's aandringen dat er geen [[Kapitaalstroom|kapitaalstromen]] tussen 'Engeland' en 'Portugal' mogen zijn, wat voor Ricardo betekent dat kapitalisten niet in het buitenland mogen investeren.<ref>Gebeurt dit wel, dan verklaart Ricardo de theorie van absoluut voordeel van kracht: 'Het zou ongetwijfeld voordelig zijn voor de kapitalisten in Engeland, en voor de consumenten in beide landen, dat (...) wijn en textiel in Portugal gemaakt zouden worden, dus dat het kapitaal en de arbeid van Engeland (...) voor dat doel naar Portugal verplaatst zouden worden. In dat geval zou de relatieve waarde van deze goederen gereguleerd worden door hetzelfde principe, alsof het een in Yorkshire, het ander in Londen werd geproduceerd.' Ricardo meent dat dit niet gebeurt vanwege de onzekerheid die buitenlands kapitaal de investeerder oplevert (''Principles'', pp. 136-137).</ref> Net zo moet de grens gesloten zijn voor [[arbeidsmigratie]]. Op deze manier stelt Ricardo de handelsbalans tussen beide landen gelijk aan de [[betalingsbalans]]. [[Roy Harrod|Harrod]] wees er echter op, dat Ricardo hier de rentestand vergeet. De geldstroom vanuit Engeland naar Portugal beïnvloedt de [[Kapitaalmarkt|kapitaalmarkten]] in beide landen: in Portugal neemt het geldaanbod toe en daardoor gaat de Portugese rente omlaag, terwijl die in Engeland juist omhoog gaat. De verandering van de rentestand heeft invloed op de winsten en daarmee op de prijzen. Harrod liet zien dat als de rentestand wordt meegerekend, de wisselkoers zowel omhoog als omlaag kan gaan, afhankelijk van de beginsituatie op de kapitaalmarkten, terwijl Ricardo's theorie vereist dat hij één bepaalde kant op beweegt.<ref>Harrod 1957, geciteerd door Shaikh 2016, pp. 509, 520 e.v. Shaikh merkt op dat [[Karl Marx|Marx]] dit probleem al eerder had ontdekt.</ref> De stelling dat vrijhandel op de lange termijn de werkgelegenheid niet aantast werd door [[Paul Samuelson|Samuelson]] tegen het eind van diens leven ontkracht.<ref>Samuelson (2004).</ref>
 
Empirische bezwaren tegen de theorie van comparatief voordeel beginnen met een meetprobleem: men moet twee landen vinden die minstens twee perfect uitwisselbare goederen produceren, die eerst niet met elkaar handelen, en die dan een vrijhandelsverdrag sluiten. Zijn twee van dergelijke landen gevonden, dan voorspelt de theorie dat in beide landen volledige specialisatie optreedt door verschillen in productiviteit. Maar als dat proces van specialisatie voltooid is, dan is de 'Engelse' productiviteit in de wijnsector niet meer meetbaar, en de 'Portugese' in de textielsector evenmin, zodat het comparatieve voordeel niet is aan te tonen. Costinot en Donaldson geven een overzicht van de beschikbare resultaten en concluderen voorzichtig dat het principe van comparatief voordeel veel, maar niet alle patronen in de internationale handel kan verklaren.<ref name=":0">Costinot en Donaldson 2012.</ref> [[Anwar Shaikh|Shaikh]] bekijkt de handelsbalansen in de ontwikkelde wereld en merkt op dat die over periodes van meerdere decennia structureel uit balans zijn. Hij verwerpt de gangbare uitleg dat de wet van comparatief voordeel (of de Heckscher-Ohlin-versie daarvan) over nog langere periodes werkzaam moet zijn en pleit voor een herwaardering van het principe van absoluut voordeel.<ref>Shaikh 2016, pp. 523 e.v.</ref>
 
In het tijdperk van mondialisering zijn kapitaalstromen tussen landen alomtegenwoordig, wat wellicht verklaart waarom de wet van comparatief voordeel voor armere landen niet altijd opgaat. [[Ha-Joon Chang|Chang]] stelt verder dat het principe van het comparatieve voordeel armere landen kan aansporen om zich te blijven specialiseren in landbouw, terwijl rijkere landen dat doen in geavanceerde technologie, met als gevolg dat het verschil in rijkdom groeit. Eén van de redenen daarvan is dat het model van het comparatief voordeel de factor tijd niet in rekening brengt.
3.423

bewerkingen