Zeven Hoofdzonden (schilderij): verschil tussen versies

 
== Functie ==
Omdat de centrale voorstelling van verschillende kanten bekeken kan worden houdt men er rekening mee dat het als tafelblad bedoeld kan zijn geweest. In het Prado wordt het schilderij om die reden dan ook liggend gepresenteerd. Volgens de kunsthistoricus [[Roger Marijnissen]] is het werk echter niet sleets genoeg om als tafelblad gediend te hebben. Hij suggereert dat het in opdracht van een hooggeplaatste geestelijke (een [[prelaat]] of een [[prior]]) gemaakt is en dat het deel uitmaakte van het [[Plafond (bouw)|plafond]] van zijn kamer of [[Kloostercel|cel]].<ref name="Marijnissen1996p12" /> Het is tevens het enige bekende werk van Bosch dat niet op baltisch eiken, maar op populierenhout is geschilderd. Een houtsoort die bv. ook voor muziekinstrumenten diende. De houtsoort maakt het tevens onmogelijk de onderlaag te dateren aan de hand van [[jaarringenonderzoek]]
 
[[Bestand:Possibly_Jheronimus_Bosch_002_recto_01.jpg|thumb|left|300px|Toegeschreven aan Jheronimus Bosch. ''[[Helscène en monsters]]''. Pentekening. Berlijn, [[Kupferstichkabinett Berlin|Kupferstichkabinett]].]]
 
== Toeschrijving ==
De letter A op een veldfles in de ''Luxuria''-afbeelding en op een van de [[Glas in lood|glas-in-lood]]ramen van de ''Invidia''-scène verwijst mogelijk naar Bosch' familienaam 'Van Aken'.<ref>Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 23.</ref> Het werk is middenonder gesigneerd 'Jheronimus bosch', maar deze signatuur is erg grof en veel groter dan de overige opschriften en is waarschijnlijk later opgebracht. Het werk is dus niet zonder meer aan Bosch toe te schrijven. Kunsthistoricus [[Frederik Schmidt-Degener]] merkte in 1906 op dat de vier hoekmedaillons 'geheel in de trant van [[Rogier van der Weyden|Rogier]] en [[Hans Memling|Memling]] geschilderd' waren. [[Charles de Tolnay]] was echter van mening dat de thematiek op veel punten juist typisch Boschiaans is en terug te vinden is op andere aan Bosch toegeschreven werken.<ref name=referentie1 /> Volgens [[Bernard Vermet]] (2001) is alleen de hellescène werkelijk aan Bosch ontleend. Ook noemt hij de landschapjes primitief en niet Bosch-achtig en wijst hij erop, in navolging van Dollmayr (1898) en anderen, dat Don [[Felipe de Guevara]], die omstreeks 1560 het boek ''Comentarios de la pintura'' schreef, het werk niet aan Bosch toeschreef, maar aan een ''discipulo'', een leerling.<ref>Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 93.</ref> [[Paul Vandenbroeck]] voegt daar in dezelfde catalogus (2001) nog aan toe dat de onhandige ondertekening en uitvoering niet aan jeugdige onvolkomenheid kunnen liggen omdat de kleding van sommige burgers pas rond 1495-1505 valt te dateren en dat het werk niet op eikenhout is geschilderd en ook daarom al niet van Bosch kan zijn.<ref>Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 178.</ref>