Vincent van Gogh: verschil tussen versies

590 bytes toegevoegd ,  2 jaar geleden
Toevoeging nadere details aan hoofdstukje 'Jonge jaren'
(Boek 'Vincent van Gogh: het complete geschilderde werk' van Sirigatti aan literatuur selectie toegevoegd)
(Toevoeging nadere details aan hoofdstukje 'Jonge jaren')
Op zijn zestiende werd Vincent jongste bediende bij het [[Den Haag|Haagse]] filiaal van de internationale kunsthandel Goupil & Cie op de [[Plaats (Den Haag)|Plaats]]. Oorspronkelijk was dit de kunsthandel van zijn oom Vincent van Gogh, die vervolgens partner was geworden van de kunsthandel Goupil in [[Parijs]]. In september 1872 begon Vincent te corresponderen met zijn jongere broer Theo. Deze correspondentie zou hij zijn hele leven volhouden en vormt een bron van informatie over Van Goghs leven en zijn artistieke ontwikkeling. Op voorspraak van zijn oom kwam Theo per 1 januari 1873 ook in dienst van Goupil & Cie, in het filiaal te [[Brussel (stad)|Brussel]]. In juni van dat jaar werd Vincent overgeplaatst naar het filiaal in [[Londen]]. In Londen bezocht Vincent in zijn vrije tijd beroemde musea, zoals het British Museum en The National Gallery. Daar bewonderde hij onder andere werk van boerenschilders als François Millet en Jules Breton. Verder las hij van alles, van museumgidsen en tijdschriften tot literatuur en poëzie. Hij werd verliefd op de dochter van zijn hospita, maar ze was al verloofd met een andere kostganger en Vincent maakte een [[depressie (klinisch)|depressieve]] periode door.
 
In 1873 was hij korte tijd werkzaam op het hoofdkantoor in Parijs, en vervolgens weer op het filiaal te Londen. In 1874 werkte Vincent nogmaals korte tijd op het hoofdkantoor. Hij bezocht in Parijs musea en kunstgalerijen en maakte er kennis met de poëtische boerentaferelen van [[Jean-François Millet]] en de realistische plattelandstaferelen van [[Jules Breton]]. Zijn depressie hield aan, zijn belangstelling voor de kunsthandel verflauwde en per 1 april 1876 werd hij ontslagen. Zijn oom Vincent was diep teleurgesteld in zijn neef en trok zijn handen van hem af. Vincent werd onderwijzer in [[Ramsgate]] en vervolgens onderwijzer aan een kostschool en hulpprediker bij een methodistische dominee in [[Isleworth]]. Op 4 november hield hij zijn eerste preek. Geloof werd steeds belangrijker voor Vincent; hij ambieerde eigenlijk een baan als predikant en werd als assistent aangenomen bij de Congregational Church van Turnham Green, waar hij les ging geven op een zondagsschool. MaarHoewel tijdenszijn eenaandacht kerstvakantievoor inreligieuze Ettenen werdsprituele beslotenproblematiek datin deze werkzaamhedenperiode domineert, blijft hij zich tevens voor de schilderkunst interesseren. Hij bezoekt o.a. Hampton Court om de schilderijen van Hans Holbein, Rembrandt en de Italianen uit de renaissance in Engelandde tekoninklijke weinigcollecties toekomstperspectiefte bodenbewonderen.
 
Maar tijdens een kerstvakantie in Etten werd besloten dat deze werkzaamheden in Engeland te weinig toekomstperspectief boden.
In januari 1877 begon hij als verkoper in een boekhandel te [[Dordrecht (Nederland)|Dordrecht]]. Dit duurde maar kort, en in mei verhuisde hij naar [[Amsterdam]] om zich voor te bereiden op het [[staatsexamen]], dat hem toegang zou verschaffen tot de studie [[theologie]]. Tussen mei 1877 en juli 1878 verbleef hij in het Poortgebouw op het [[Marineterrein (Amsterdam)|Marineterrein]] bij zijn oom [[Johannes van Gogh]], die daar commandant was van de Amsterdamse marinewerf.<ref>{{Citeer web|url=https://www.marineterrein.nl/stilstaan-tussen-dat-wat-beweegt/|titel=Stilstaan tussen dat wat beweegt {{!}} Marineterrein Amsterdam|bezochtdatum=2018-04-08|datum=2015-11-20|werk=Marineterrein Amsterdam|taal=nl}}</ref> Vincent haakte in 1878 af, zonder staatsexamen te hebben gedaan, onder meer te wijten aan zijn desinteresse in de Latijnse en Griekse taal. Hij volgde een korte opleiding op een zendelingenschool te [[Laken (Brussel)|Laken]] bij Brussel.
 
In januari 1877 begon hij als verkoper in een boekhandel te [[Dordrecht (Nederland)|Dordrecht]]. Dit duurde maar kort, en in mei verhuisde hij naar [[Amsterdam]] om zich voor te bereiden op het [[staatsexamen]], dat hem toegang zou verschaffen tot de studie [[theologie]]. Tussen mei 1877 en juli 1878 verbleef hij in het Poortgebouw op het [[Marineterrein (Amsterdam)|Marineterrein]] bij zijn oom [[Johannes van Gogh]], die daar commandant was van de Amsterdamse marinewerf.<ref>{{Citeer web|url=https://www.marineterrein.nl/stilstaan-tussen-dat-wat-beweegt/|titel=Stilstaan tussen dat wat beweegt {{!}} Marineterrein Amsterdam|bezochtdatum=2018-04-08|datum=2015-11-20|werk=Marineterrein Amsterdam|taal=nl}}</ref> Vincent haakte in 1878 af, zonder staatsexamen te hebben gedaan, onder meer te wijten aan zijn desinteresse in de Latijnse en Griekse taal. Daarnaast bevredigt de zuiver theoretische dimensie waartoe een dergelijke studie hem dwingt niet. Hij volgde een korte opleiding op een zendelingenschool te [[Laken (Brussel)|Laken]] bij Brussel.
 
=== Borinage ===
[[Bestand:Wasmes - Charbonnage de Marcasse.JPG|{{Largethumb}}|Ruïnes (2013) van de Charbonnages de Marcasse]]
[[Bestand:Vincent van Gogh - Wasmes - Maison du boulanger Denis - Angle Rue du petit-Wasmes et Rue Wilson-002.JPG|{{Largethumb}}|Huis waar Vincent van Gogh verbleef in Wasmes]]
In december 1878 werd Van Gogh naar Petit-Wasmes in de [[Borinage]] (Henegouwen) gestuurd, waar hij op 1 februari 1879 aan een proefperiode als lekenprediker tussen de [[mijnwerker]]s begon. Hij werkte er in bittere armoede en was depressief. Deze crises zouden het verder verloop van zijn leven bepalen. Hij woonde in een barak en sliep op stro. Hij voelde de ontberingen van de mijnwerkers diep aan en werd getroffen door hun 'koortsige, vermoeide en uitgemergelde' uiterlijk en hun 'door vermoeidheid uitgeholde gezichten en vroegtijdige veroudering'. Hij wilde zich met hen vereenzelvigen en in april 1879 daalde hij af in een kolenmijn van de Charbonnage de Marcasse tot op 700 meter diepte.<ref>[http://vangoghletters.org/vg/letters/let151/letter.html Brief aan Theo; Petit-Wasmes, tussen 1 en 16 april 1879]</ref> Toch bleef hij, zelfs al had hij slachtoffers van een mijngasontploffing verpleegd, voor hen maar een buitenstaander, een vreemde eend in de bijt.
 
In de zomer van 1879 kreeg hij een waterverfdoos opgestuurd door zijn vroegere overste bij Goupil & Co in Den Haag. Hiermee bewerkte hij een eerdere potloodtekening van de cokesfabriek in Flénu waarop hij de kleuren met potlood had aangeduid.
92

bewerkingen