Beleg van Parijs (1870-1871): verschil tussen versies

Geen verandering in de grootte ,  1 jaar geleden
k
typo
k (typo)
 
Een laatste uitbraakpoging werd ondernomen op 19 januari, gericht op [[Buzenval]] nabij het Pruisische hoofdkwartier ten westen van Parijs. De kroonprins wist de aanval echter met gemak af te slaan, met slechts 600 Pruisische verliezen tegenover 4000 Franse. Trochu trad af als Gouverneur en liet 146.000 verdedigers aan generaal [[Joseph Vinoy]] na.
 
Tijdens de wintermaanden liep de spanning onder het Pruisische oppercommando op. Veldmaarschalk Vonvon Moltke en generaal [[Leonhard von Blumenthal]], die het bevel voerde over de belegering, waren vooral bezig met een methodische belegering waarbij de afgelegen forten rond de stad zouden worden vernietigd en de verdedigende troepen langzaam zouden worden afgemat, zonder zware verliezen aan Duitse zijde.
 
Met het voortschrijden van de tijd groeide echter de angst dat de Duitse economie te zwaar zou moeten lijden onder een lange oorlog, en dat een langdurige belegering de Franse regering ervan zou overtuigen dat Pruisen nog kon worden verslagen. Tevens zou een langdurige veldtocht de Fransen de tijd geven een nieuw leger op poten te zetten en tevens neutrale mogendheden ervan kunnen overtuigen de wapens tegen Pruisen op te nemen. Voor Bismarck was Parijs de beslissende factor om het verzet van de onbuigzame republikeinse leiders van [[derde Franse Republiek|Frankrijk]] te breken, de oorlog bijtijds te winnen en gunstige vredescondities voor Pruisen te bedingen. Moltke maakte zich ook zorgen dat de Duitse legers rond de stad onvoldoende konden worden bevoorraad, omdat er [[ziekte]]s zoals [[tuberculose]] uitbraken onder de belegerende soldaten. Bovendien moest de bevoorrading worden verdeeld tussen de troepen rond Parijs en de troepen die in het Loiregebied tegen de overgebleven Franse legers in het veld vochten.
5.244

bewerkingen