Doorspoelbeleid: verschil tussen versies

Geen verandering in de grootte ,  1 jaar geleden
k
typo
(→‎Extreme droogte: juiste wl)
k (typo)
 
Tijdens extreem droge perioden, waarbij gedurende lange tijd geen neerslag valt in het [[stroomgebied]] van de [[Rijn]], kan de zoetwateraanvoer in zuidwestelijk Nederland echter in gevaar komen. Door de lage rivierafvoeren krijgt het zout op de [[Noordzee]] kans om landinwaarts op te rukken. Ook de zoutconcentratie op de Hollandsche IJssel, waaruit veel waterschappen hun doorspoelwater halen, kan dan de norm van 300 mg/l overschrijden. Ter vergelijking: [[zeewater]] heeft een zoutconcentratie van 25.000 mg/l.
 
Gemiddeld eens per 12 jaar is de situatie zo nijpend dat het gemaal "de Aanvoerder" bij Utrecht moet worden ingeschakeld. Dit gemaal voorziet de Westelijke hoogheemraadschappen Rijnland en Schieland via Stichtse Rijnlanden dan van zoet water uit het [[Amsterdam-Rijnkanaal]]. De afspraken die hiervoor gemaakt zijn, zijn onderdeel van de zogeheten [[Klimaatbestendige Wateraanvoervoorziening]]. De capaciteit van het gemaal bedraagt 7 m³/s, maar soms dit is dit niet voldoende om aan alle waterbehoefte te voldoen. Dit was bijvoorbeeld het geval in augustus 2003. De waterschappen stonden toen voor het dilemma of ze schadelijk zilt water zouden inlaten, of dat ze beter helemaal geen water konden inlaten. Naar verwachting zal in verband met de klimaatverandering de Aanvoerder vaker in gebruik genomen moeten worden.
 
Doorspoelen wordt gezien als een noodzakelijk kwaad, omdat het betekent dat ''gebiedsvreemd water'' moet worden ingelaten. Dat wil zeggen: water met een samenstelling die ongelijk is aan die uit het gebied zelf. De trend in het Nederlandse waterbeheer is sinds eind jaren negentig nu juist om gebieden zo veel mogelijk ''gebiedseigen water'' te laten houden.