Hoofdmenu openen

Wijzigingen

1 byte toegevoegd ,  1 jaar geleden
Oorspronkelijk is het Engels ontstaan uit vele dialecten ([[Oudengels]]), die naar Engeland werden overgebracht door de Angelsaksische [[Pionier|kolonisten]], beginnend in de [[5e eeuw]]. De taal werd sterk beïnvloed door de [[Oudnoords|Oudnoorse taal]] van de [[Vikingen]]. Na de Normandische verovering van Engeland in [[1066]], ontwikkelde Oudengels zich tot [[Middelengels]]. Onderdeel van die verandering was het grote gebruik van leenwoorden uit de Normandische woordenschat en het gebruik van [[Normandisch]]e spellingsregels. Het hedendaagse Engels ontwikkelde zich daarvandaan, en ging door met het opnemen van buitenlandse woorden, met name uit het [[Latijn]] en [[Grieks]].
 
Het Engels vindt zijn oorsprong in de Germaanse talen die in [[Groot-Brittannië]] gesproken werden, in het bijzonder de taal van de [[Angelen]], de [[Saksen (volk)|Saksen]] en de [[Juten (volk)|Juten]].<ref>Robert McCrum, William Cran, Robert MacNeil: ''The Story of English'' hoofdstuk 2 'The Mother Tongue': ''"In the simplest terms, the language was brought to Britain by Germanic tribes, the Angles, the Saxons, and Jutes"''</ref> Het is sterk beïnvloed door het [[Oudnoords]] (dankzij de vele [[Vikingen]] die er zich vestigden tussen 800-1000) en vooral het [[Oudfrans]]oudnederlands (na de verovering door de [[Normandië]]rs in 1066). De [[grammatica]]le structuur van het Engels is dus nog steeds overwegend Germaans op enkele aan de [[Romaanse talen]] ontleende zinsconstructies na, maar van de totale Engelse [[woordenschat]] is veel (circa 60%) ontleend aan het [[Oudfrans]] en [[Latijn]]. Men noemt het Engels daarom soms ook wel een brugtaal tussen de wereld van de Germaanse en die van de Romaanse talen.
 
Het Engels wordt doorgaans als volgt geperiodiseerd:
Anonieme gebruiker